← België

Arrest 153310 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 06/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.310 Rolnummer: A. 162759/XII-4459 Zaak: Arrest 153310 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 06/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-13 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 08:06 Fiche Arrest nr 153.310 van 6 januari 2006 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.310 van 6 januari 2006 in de zaak A. 162.759/XII-

  1. In zake : Eddy DE COOMAN, die woonplaats kiest bij advocaat M. Van Bever, kantoor houdende te Grimbergen, Pastoor Woutersstraat 32, bus 7 tegen : de STAD BRUSSEL, die woonplaats kiest bij advocaat J.-P. Lagasse, kantoor houdende te Brussel, de Jamblinne de Meuxplein
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Eddy De Cooman op 24 mei 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van : “
  3. De uitslag, vastgesteld door de examencommissie en opgenomen in het proces-verbaal van 1 maart 2005 van het tweede schriftelijk gedeelte van het examen voor bestuurssecretaris (algemene kwalificatie) (zittijd: 07.11.2003) [...] waarbij de heer Eddy De Cooman niet geslaagd wordt verklaard
  4. De beslissing van 10.03.2005 van de Stad Brussel, waarbij werd beslist : ‘De uitslagen, vastgesteld door de examencommissie en opgenomen in het proces- verbaal van 1 maart 2005 van het tweede schriftelijk gedeelte van het examen voor bestuurssecretaris (algemene kwalificatie) (zittijd: 07.11.2003) [...] waarbij de heer Eddy De Cooman niet geslaagd wordt verklaard, worden bekrachtigd’.[...]
  5. De impliciete weigering om verzoeker geslaagd te verklaren voor het tweede schriftelijk gedeelte van het examen.
  6. De impliciete weigering om verzoeker te benoemen/bevorderen tot bestuurssecretaris.
  7. De beslissing van 29.07.2004 van de Stad Brussel waarbij de rangschikking van de laureaten van het examen voor bestuurssecretaris (algemene kwalificatie) (zittijd: 07.11.2003) wordt goedgekeurd, in zoverre verzoeker niet wordt gerangschikt”, en om de examencommissie te horen “bevelen opnieuw samen te komen, en verzoeker geslaagd te verklaren”; XII-4459-1/6 Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 24 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Van Bever, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat E. Jacubowitz, die loco advocaat J.-P. Lagasse verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  8. Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel op 18 september 2003 beslist een aanwervings- en een bevorderings- examen in te richten voor bestuurssecretaris (algemene kwalificatie); dat verzoeker, in dienst van de stad als waarnemend bestuurssecretaris, zich met brief van 23 oktober 2003 kandidaat stelt voor deelname aan het examen; dat het examen twee schriftelijke gedeelten en één mondeling gedeelte behelst; dat blijkens het proces-verbaal van 2 juli 2004 van de examencommissie, verzoeker voor het tweede schriftelijk gedeelte 66 punten op 120 krijgt, hetzij minder dan de minimaal vereiste 72 punten; dat het college van burgemeester en schepenen de door de examencommissie vastgestelde uitslagen op 8 juli 2004 bekrachtigt; Overwegende dat bij arrest nr. 139.746 van 25 januari 2005 de Raad van State de door het college van burgemeester en schepenen bekrachtigde uitslag vernietigt in zoverre verzoeker niet geslaagd wordt verklaard; dat de vernietiging steunt op het gebrek aan een afdoende formele motivering van verzoekers score voor het tweede schriftelijk gedeelte, onderdeel “proef betreffende een gevalstudie”; dat op 1 maart 2005 de examencommissie opnieuw samenkomt en, op grond van een uitgeschreven beoordeling, vaststelt dat verzoeker 66 op 120 punten behaalt voor het XII-4459-2/6 tweede schriftelijk gedeelte; dat het college van burgemeester en schepenen die uitslag op 10 maart 2005 bekrachtigt;
  9. Overwegende dat verzoeker ter terechtzitting meedeelt afstand te doen van de vordering tot het opleggen van een bevel aan de examencommissie om hem geslaagd te verklaren; dat daarvan akte wordt genomen;
  10. Overwegende dat verwerende partij de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing betwist wat het derde, vierde en vijfde voorwerp ervan betreft; dat een onderzoek en een uitspraak hierover zich slechts zouden opdringen indien aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan mocht zijn, hetgeen zoals hierna zal blijken niet het geval is;
  11. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, met betrekking tot de tweede voorwaarde, dat verzoeker een drievoudig nadeel aanvoert; dat hij in de eerste plaats het verlies van een “Unieke kans tot bevordering” doet gelden; dat hij toelicht dat het “meer dan reëel [is] dat een identiek bevorderingsexamen in de nabije toekomst niet meer zal worden georganiseerd wegens invulling van het kader met kandidaten die geslaagd zijn in huidig aanwervings- en bevorderingsexamen”, dat weliswaar de verwerende partij laat uitschijnen dat er nog altijd 37 van de 48 oorspronkelijk te begeven functies van bestuurssecretaris vacant zijn, dat dit niet correct is, dat er geen enkele garantie is dat er een examen voor bestuurssecretaris (algemene kwalificatie) wordt uitgeschreven en dat in ieder geval de unieke kans om binnen het departement financiën tot bestuurssecretaris bevorderd te worden teloor zal zijn gegaan, zodat “[z]elfs indien verzoeker alsnog zou slagen in een -hypothetisch- nieuw examen, [...] dit er in de praktijk [dan zou] op neerkomen dat hij het departement Financiën zou moeten verlaten na 26 jaar, om zich opnieuw volledig te moeten inwerken in de taken en de werkomgeving met nieuwe collega’s op een ander departement”; dat verzoeker zich in de tweede plaats beklaagt over het “Verlies van huidige functie” als waarnemend bestuurssecretaris; dat hij ervoor vreest dat zijn huidige functie zal ingenomen worden door reeds geslaagde kandidaten, waardoor hij het voordeel van zijn huidige wedde XII-4459-3/6 en van het recht op een hogere pensioenuitkering kwijt zal raken; dat hij ten derde betoogt dat het niet slagen voor hem “een ernstige en morele kaakslag” betekent, dat hij reeds verschillende jaren de taak van bestuurssecretaris uitoefent, dat hem thans zonder enige motivering gezegd wordt dat hij niet over de bekwaamheid daartoe beschikt, dat hij bang is voor een verlies aan gezag ten aanzien van onderschikten; Overwegende dat uit de bestreden beslissingen volgt dat verzoeker niet geslaagd is voor het examen van bestuurssecretaris (algemene kwalificatie); dat zij hem zodoende dwarsbomen in zijn betrachting om benoemd te worden in één van de 48 betrekkingen die er in die graad vacant zijn en, vooral, in één van zodanige betrekkingen in het departement financiën - in welk departement hij thans waarnemend bestuurssecretaris is; dat verzoeker hoofdzakelijk vreest om de plaats te moeten ruimen voor een kandidaat die wèl slaagde in het examen en om niet meer tot bestuurssecretaris (algemene kwalificatie) bevorderd te kunnen worden, alleszins niet in het departement financiën; dat zijn betoog ter zake evenwel blijft steken in loutere veronderstellingen; dat hij er in de huidige stand van de procedure niet in slaagt het als voldoende waarschijnlijk te doen voorkomen dat hij door de besproken beslissingen een unieke, hetzij enige of alleszins uitzonderlijke, kans zal verliezen; dat hoewel er over gediscussieerd kan worden hoeveel van de oorspronkelijk vacante betrekkingen van bestuurssecretaris (algemene kwalificatie) er na het examen ondertussen precies bezet zijn geworden, zelfs volgens de meest pessimistische zienswijze er nog altijd bijna twintig lijken open te staan; dat daar blijkbaar ook betrekkingen in het departement financiën bij zijn; dat, kennelijk juist omdat de verwerende partij er vooralsnog niet in slaagt alle vacatures op te vullen, zij begin juni 2005 alweer tot het inrichten van een nieuw examen voor bestuurssecretaris (algemene kwalificatie) heeft beslist; dat in de gegeven omstandigheden verzoekers vrees dat hij niet gauw weer een kans op bevordering tot bestuurssecretaris in het departement financiën krijgt en dat hij zijn huidige functie kwijtraakt, niet terecht lijkt; dat het eerste en tweede nadeel als té hypothetisch en té onzeker te beschouwen zijn; Overwegende, aangaande het derde nadeel, dat het gevaar om niet te slagen inherent is aan een examen; dat het niet-geslaagd zijn dan weer, begrijpelijk, niet los te denken is van een gevoel van ontgoocheling bij de betrokkene; dat met andere woorden de teleurstelling om een tegenvallend resultaat behoort tot de gewone examenrisico’s; dat die teleurstelling of morele opdoffer, om een schorsing te kunnen verantwoorden, de maat van dat normale risico te buiten moet gaan; dat het aan de betrokken verzoeker is om zulks inzichtelijk en aannemelijk te maken aan de hand van voldoende precieze en concrete elementen; dat in dit verband moet worden vastgesteld XII-4459-4/6 dat in zoverre verzoeker als zo’n element bijbrengt dat hij niet geslaagd is verklaard “zonder enige motivering”, hij zich vergist; dat die kritiek weliswaar opging voor de uitslag van 2 juli 2004 van de examencommissie en de bekrachtiging ervan op 8 juli 2004 door het college van burgemeester en schepenen; dat evenwel juist daarom de op 8 juli 2004 bekrachtigde uitslag door de Raad van State vernietigd is geworden bij arrest nr. 139.746, waarna de examencommissie en het schepencollege in een nieuwe bekrachtigde uitslag hebben voorzien die wél een formele motivering bevat; dat hoe dan ook, en daargelaten dus of verzoeker effectief waarschijnlijk maakt een moreel nadeel te lijden dat als ernstig moet worden beschouwd in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, hij alleszins niet aantoont dat dit nadeel slechts moeilijk te herstellen zou zijn; dat immers zoals hierboven is gebleken, op korte termijn een nieuw examen voor bestuurssecretaris wordt ingericht; dat het verzoeker toelaat de smet die de besproken beslissingen op hem zouden geworpen hebben, en de eventuele weerslag ervan op zijn gezag ten overstaan van onderschikten, weg te werken; dat ook het derde nadeel verworpen wordt; Overwegende dat niet aan de tweede cumulatieve grondvoorwaarde voor een schorsing is voldaan; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing van de beslissingen te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  12. De afstand van de vordering om “[d]e examencommissie [te] bevelen opnieuw samen te komen, en verzoeker geslaagd te verklaren” wordt vastgesteld. Artikel
  13. De vordering tot schorsing wordt verworpen. XII-4459-5/6 Artikel
  14. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes januari 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4459-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.310 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.