← België

Arrest 153314 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 06/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.314 Rolnummer: A. 163847/XII-4481 Zaak: Arrest 153314 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 06/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-12 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 08:07 Fiche Arrest nr 153.314 van 6 januari 2006 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.314 van 6 januari 2006 in de zaak A. 163.847/XII-

  1. In zake : Luc VANDEN ABEELE, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt, kantoor houdende te Gent, Voskenslaan 228, bus 4 tegen :
  2. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat T. De Sutter, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan 128
  3. de STAD OUDENAARDE, die woonplaats kiest bij advocaat P. Aerts, kantoor houdende te Gent, Coupure
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Luc Vanden Abeele op 1 juli 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van 1/ de beslissing van 31 januari 2005 van de gemeenteraad van Oudenaarde waarbij hem met ingang van 15 oktober 2004 de tuchtstraf terugzetting in graad (niveau E) wordt opgelegd en van 2/ het besluit van 4 mei 2005 van de Vlaamse minister van Binnen- lands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering tot goedkeuring van die gemeenteraadsbeslissing; Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; XII-4481-1/6 Gelet op de beschikking van 24 oktober 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 29 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat T. De Sutter, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat I. Bockstaele, die loco advocaat P. Aerts verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de stadssecretaris van Oudenaarde op 3 november 2004 een tuchtverslag opstelt tegen verzoeker, in dienst als werkleider wegenis bij de technische dienst (niveau C); dat verzoeker daarin verschillende feiten ten laste worden gelegd die “een éénvormig gedragspatroon [...] waarbij iedere vorm van normenbesef ontbreekt” zouden aantonen: “Het herhaaldelijk trachten af te schuiven van facturen op de rug van de stad, het herhaaldelijk misbruik maken van dienstvoertuigen, misbruik maken van materiaal en van de vrachtwagen, het herhaaldelijk stelen van kasseien van de stad, aan arbeiders de opdracht geven deze kasseien te vervoeren tijdens de werkuren, het herhaaldelijk verzuimen van juiste instructies te geven, zijn onbetamelijk gedrag tegen wegeniswerkers en tegen het diensthoofd, bovendien het intimideren van collega’s die een verklaring hebben afgelegd, de herhaaldelijke onwettige afwezigheden”; dat de stadssecretaris concludeert dat de feiten “een manifeste tekortkoming aan de beroepsplichten” uitmaken, dat een aantal ervan “van strafrechterlijke aard” zijn en dat het ontslag van ambtswege “een terechte strafmaat” is; dat de gemeenteraad verzoeker op 20 december 2004 over de ten laste gelegde feiten hoort; dat bij gemeenteraadsbeslissing van 31 januari 2005 verzoeker met terugwerkende kracht tot 15 oktober 2004 de tuchtstraf van de terugzetting in graad (niveau E) wordt opgelegd; dat de tuchtstraf op 4 mei 2005 door de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering wordt goedgekeurd; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die XII-4481-2/6 de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, met betrekking tot de tweede voorwaarde, dat verzoeker in zijn verzoekschrift een moreel en een financieel nadeel aanvoert; dat hij in de eerste plaats als moreel nadeel doet gelden dat hij zal moeten werken onder het gezag van personen die voorheen zijn gelijken of zelfs zijn ondergeschikten waren; dat hij in de tweede plaats verwijst naar de aard van de onwettigheid die hij in het eerste onderdeel van het eerste annulatiemiddel aanvoert en namelijk naar “de ondraaglijke morele afkeuring die gekoppeld is aan een tuchtrechtelijke bestraffing op grond van strafrechtelijke kwalificatie buiten de strafrechter om”; dat hij aangaande zijn financieel nadeel toelicht dat hij “een financiële last draagt voor de onderhoudsgelden van zijn twee adolescente kinderen [...] en hun studiekosten” en i dat hij na betaling van “een hele reeks vaste kosten per jaar” nog slechts 692,9 per maand overhoudt voor voeding, kosten voor vervoer, enzovoort; Overwegende, aangaande het nadeel om onder het gezag van vroegere gelijken of ondergeschikten te moeten werken, dat het blijkbaar zeer hypothetisch is; dat verzoeker na de tuchtstraf is overgeplaatst van de technische dienst naar de sportdienst; dat hij er, naar eigen verklaring, door het diensthoofd en de collega’s “zeer goed opgenomen [is] in de groep”; dat het alvast niet daar lijkt dat het besproken moreel nadeel zich (vaak) dreigt voor te doen; dat overigens verzoeker op 30 maart 2005 aan het college van burgemeester en schepenen de toelating tot afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheden heeft gevraagd én met ingang van 11 april 2005 heeft verkregen; dat hij thans dus des te minder nog het risico loopt onder het gezag te moeten werken van wie eerder zijn gelijke of ondergeschikte was; dat weliswaar een afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheid niet onbeperkt in de tijd mogelijk is; dat, naar de Raad van State uit de debatten ter terechtzitting heeft begrepen, dit evenwel niet per se betekent dat verzoeker na afloop ervan weer bij de verwerende partij aan de slag gaat; dat in de gegeven omstandigheden de minimale zekerheid ontbreekt om het besproken nadeel als een reële mogelijkheid te zien; dat het niet wordt aangenomen; Overwegende, aangaande het morele nadeel vanwege de onwettigheid bedoeld in het eerste onderdeel van het eerste middel, dat verzoeker in dit onderdeel de schending aanvoert van “het verbod van de tuchtoverheid om vermeende tuchtrechtelijk laakbare misdragingen strafrechtelijk te kwalificeren buiten XII-4481-3/6 de strafrechter om, en in functie daarvan de strafmaat te bepalen”; dat in essentie wordt toegelicht dat de tuchtoverheid de “duidelijke bedoeling” heeft gehad om verzoeker te straffen op grond van een “onmiskenbaar strafrechtelijke kwalificatie” en dat dit blijkt uit de omschrijving van de ten laste gelegde feiten, waarin sprake is van “valsheid in geschrifte”, “poging tot oplichting”, “misbruik van vertrouwen” en “diefstal”; Overwegende dat verzoeker het middel ent op het arrest van de Raad van State inzake Lostermans, nr. 18.258 van 4 mei 1977; dat daarin de Raad van State de bestreden tuchtstraf onrechtmatig noemde omdat de tuchtoverheid, door uit te gaan van een door haar zelf gegeven kwalificatie van de feiten die er een misdrijf van maakt, zich bij de toemeting van de straf had laten leiden door een voorstelling over de aard en de ernst van die feiten die zij niet wettig als grondslag voor de straftoemeting mocht gebruiken; dat er te dezen evenwel geen sprake van lijkt dat de tuchtoverheid -de gemeenteraad- de aard en de ernst van de aan verzoeker verweten feiten heeft bepaald aan de hand van een strafrechtelijke kwalificatie; dat de passussen waarnaar verzoeker verwijst ter bewijs van het tegendeel, alleen de weergave betreffen -op p. 2-5 van de gemeenteraadsbeslissing- van de hem ten laste gelegde feiten, zoals ze in het tuchtverslag van de gemeentesecretaris voorkomen; dat, wat er van de door verzoeker gewraakte bewoordingen in dat verslag ook weze, de gemeenteraad bij de evaluatie van de feiten -op p. 8 en volgende van zijn beslissing- die bewoordingen niet herneemt, en zich op het eerste gezicht verre ervan houdt de feiten onder een strafrechtelijke kwalificatie onder te brengen en verzoekers schuld er aan te beoordelen of te bestraffen als de schuld aan een misdrijf; dat ook de brief van 17 november 2004 waarnaar verzoeker ter terechtzitting verwijst, en waarmee de stad aan de procureur des konings bericht geeft van “een aantal feiten” waarvoor verzoeker tuchtrechtelijk vervolgd wordt, niet aantoont dat zij de feiten een onrechtmatige kwalificatie en, daardoor, betekenis toemeet; dat het in de brief wezenlijk luidt dat de feiten “mogelijks” van strafrechtelijke aard zijn; dat het eerste onderdeel van het eerste middel niet ernstig is en het er op gesteunde morele nadeel bijgevolg niet opgaat; Overwegende, aangaande het financiële nadeel, dat verzoeker om toelating tot afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheden heeft gevraagd omdat de hem resterende wedde “onvoldoende [is] om maandelijks rond te komen”, omdat zijn terugzetting een grote financiële weerslag heeft op zijn gezin en omdat het belang van zijn kinderen centraal moet staan; dat in principe dan ook mag worden aangenomen dat, nu de verwerende partij verzoeker die afwezigheid toestond en hij vanaf 11 april 2005 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur afsloot met een andere werkgever, zijn financiële problemen niet meer actueel zijn; dat het overigens, XII-4481-4/6 aangezien het verzoekschrift pas meer dan 2,5 maand na 11 april 2005 is ingediend, niet meer dan normaal zou zijn geweest dat verzoeker ter zake in zijn vordering elementaire duidelijkheid had verstrekt; dat hij dat hoegenaamd niet heeft gedaan; dat het lijkt te bevestigen dat hij op vandaag weer naar behoren in zijn levensonderhoud en dat van zijn kinderen kan voorzien; dat wat dan weer de toekomst nà het verstrijken van de periode voor afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheden betreft, die toekomst voor de Raad van State, als reeds gezien, onduidelijk is, en namelijk té onduidelijk om er toe te kunnen besluiten dat verzoeker alsdan het gevaar van een ernstig en moeilijk te herstellen financieel nadeel dreigt te lopen; dat ook het derde nadeel wordt verworpen; Overwegende dat niet aan de tweede cumulatieve grondvoorwaarde voor een schorsing is voldaan; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  6. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4481-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes januari 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4481-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.314 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.913 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.