← België

Arrest 153315 - - 06/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.315 Rolnummer: A. 163922/XII-4486 Zaak: Arrest 153315 - - 06/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-13 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 08:07 Fiche Arrest nr 153.315 van 6 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.315 van 6 januari 2005 in de zaak A. 163.922/XII-

  1. In zake : Marc GOOSSENS, die woonplaats kiest bij advocaat Chr. D’Haese, kantoor houdende te Aalst, Graanmarkt 10 tegen : de STAD DENDERMONDE, die woonplaats kiest bij advocaat J. Nijs, kantoor houdende te Dendermonde, Noordlaan 82-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marc Goossens op 4 juli 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 16 maart 2005 van de stad Dendermonde tot aanstelling van twaalf stagiair- brandweerlieden bij de gewestelijke vrijwillige brandweer Dendermonde, evenals van het proces-verbaal van 6 februari 2005 van de mondelinge proeven “aanwerving stagiair brandweerman” en van de toelichtende nota van 4 (lees: 7) maart 2005 bij het proces-verbaal; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 29 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2005; XII-4486-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Biesemans, die loco advocaat Chr. D'Haese verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. Nijs, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gemeenteraad van Dendermonde op 19 december 2003 twaalf betrekkingen van brandweerman bij de gewestelijke vrijwillige brandweer vacant verklaart; dat onder anderen verzoeker zich als kandidaat aanmeldt; dat hij medisch geschikt wordt bevonden; dat hij ook slaagt in de lichamelijke geschiktheidsproeven, maar niet in de mondelinge selectieproef, waarin hij slechts 5 op 120 punten scoort; dat de gemeenteraad op 18 februari 2004 in de invulling van de vacante plaatsen voorziet en twaalf stagiair-brandweerlieden aanstelt; Overwegende dat op 14 juli 2004 de gemeenteraad de aanstellingen van 18 februari 2004 intrekt om een vernietiging ervan door de Raad van State te vermijden; dat bij een afzonderlijk besluit de gemeenteraad de betrokkenen van 14 juli 200 tot 31 december 2004 aanstelt tot “tussentijds stagiair-brandweerman”; dat die beslissing bij arrest van de Raad van State, nr. 143.156 van 15 april 2005, vernietigd wordt; Overwegende dat, met het oog op de herinrichting van de mondelinge selectieproef, het college van burgemeester en schepenen op 14 december 1994 de examencommissie, bestaande uit dertien leden, samenstelt en de selectiecriteria van de proef bepaalt; dat, op vraag van verzoeker, kapitein-dienstchef L. Callebaut beslist niet deel te nemen aan de examenverrichtingen; dat hij meedeelt zich als voorzitter van de examencommissie te laten vervangen door J. De Ruysscher; dat de mondelinge selectieproef op 22 januari 2005 wordt afgenomen; dat het proces-verbaal ervan 6 februari 2005 gedateerd is; dat verzoeker 64 punten op 140 behaalt, hetzij minder dan de vereiste 70 om geslaagd te zijn; dat de commissie, “op vraag van het stadsbestuur”, op 7 maart 2005 in een toelichtende nota bij het proces-verbaal voorziet; dat op 16 maart 2005 de gemeenteraad overgaat tot de aanstelling, vanaf 1 april 2005, van twaalf stagiair-brandweerlieden; XII-4486-2/7
  4. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  5. Overwegende dat verzoekster een eerste middel afleidt “uit de schending van het legaliteitsbeginsel, van artikel 11 van het Organiek reglement van de stedelijke vrijwillige brandweer Dendermonde, van artikel 25 van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dendermonde dd. 14 december 2005, alsmede uit machtsafwending en machtsoverschrijding”; dat het middel drie onderdelen behelst; Overwegende dat volgens een eerste onderdeel artikel 11 van het organiek reglement van de stedelijke vrijwillige brandweer van Dendermonde vereist dat een dienstchef deel uitmaakt van de examenjury, wijl er geen dienstchef in de jury zetelde; Overwegende dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; dat van de jury onder anderen deel uitmaakte de officier-dienstchef van de brandweer Lokeren; Overwegende dat in een tweede onderdeel wordt aangevoerd dat het college van burgemeester en schepenen als enige bevoegd is om de samenstelling van de jury te bepalen en om de voorzitter van de jury aan te duiden, dat dit blijkt uit artikel 11 van het organiek reglement, dat te dezen Luc Callebaut eigenmachtig het voorzitterschap heeft overgedragen aan Jean De Ruysscher, zonder beslissing van het college van burgemeester en schepenen; Overwegende dat artikel 10, § 1, 11, van het organiek reglement van de gewestelijke vrijwillige brandweer Dendermonde voorschrijft dat het college van burgemeester en schepenen de leden van de examencommissie aanduidt voor de proeven inzake lichamelijke geschiktheid en de selectieproef; dat het artikel niet lijkt te vereisen dat het college tevens aanwijst wie als voorzitter zal optreden; dat, naar voorlopig uit stuk 18 van het administratief dossier wordt opgemaakt, het college hoe dan ook geen voorzitter heeft aangeduid; dat in de huidige stand van de rechtspleging niet blijkt waarom Jean De Ruysscher, die rechtmatig als commissielid werd aangesteld, niet als voorzitter zou hebben mogen fungeren; dat het onderdeel niet ernstig is; XII-4486-3/7 Overwegende dat verzoeker in een derde onderdeel betoogt dat juryleden E. Van Der Schueren en Ph. Vanden Broucke niet aanwezig waren, zodat de examenjury, niet voltallig zijnde, niet rechtsgeldig kon beslissen; Overwegende dat blijkbaar geen enkele bepaling heeft willen waarborgen dat de commissie steeds in voltallige vergadering zou bijeenkomen; dat er bij afwezigheid van E. Van Der Schueren en Ph. Vanden Broucke nog altijd tien van de dertien commissieleden wél aanwezig waren; dat hun afwezigheid de examencommissie op het eerste gezicht dan ook niet ervan moest weerhouden haar opdracht uit te voeren; dat het onderdeel niet ernstig is;
  6. Overwegende dat verzoeker een tweede middel afleidt “uit de schending van artikel 2 en 3 van de formele motiveringswet, de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van de materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel, het legaliteitsbeginsel, alsmede uit machtsafwending”; dat hij uiteenzet dat bij de beoordeling van de diverse kandidaten uitdrukkelijk rekening werd gehouden met hun ervaring, ofschoon die ervaring werd verkregen ten gevolge van beslissingen die werden ingetrokken of vernietigd door de Raad van State; dat verzoeker meent “dat er mede vergelijkend gewerkt werd bij het bepalen van de punten, en dus het gebrek aan ervaring bij verzoeker doorslaggevend was”; Overwegende dat de verwerende partij ogenschijnlijk op goede grond opmerkt dat de ervaring inzake brandbestrijding maar één van de vier onderdelen betreft van slechts één van de vier getoetste criteria; dat dit voorlopig uitwijst dat het belang van die ervaring gerelativeerd dient te worden en dat zij niet van decisieve of doorslaggevende aard moet worden geacht; dat in die omstandigheden niet zonder nadere argumentatie -die te dezen ontbreekt- kan worden aangenomen dat, wanneer ten gunste van sommige kandidaten een ervaring inzake brandbestrijding in rekening zou zijn gebracht die in rechte buiten beschouwing moest zijn gelaten, zulks onvermijdelijk hun uitslag in de selectieproef aantast en de vernietiging ervan moet meebrengen; dat vooralsnog evenmin waarschijnlijk is dat indien de wederrechtelijk in aanmerking genomen ervaring in hoofde van sommige kandidaten buiten beschouwing was gelaten, dan de eigen ervaring van verzoeker van de weeromstuit hoger zou zijn gequoteerd en nog wel zóveel hoger dat hij in de mondelinge proef geslaagd zou zijn geweest; dat, eensdeels, verzoekers ervaring inzake brandbestrijding daarvoor nu eenmaal te miniem en van te lang geleden lijkt en, anderdeels, zijn tekort aan punten om tenminste het minimum van 50 % te behalen, te groot; XII-4486-4/7 Overwegende dat het middel niet ernstig is;
  7. Overwegende dat een derde middel de schending aanvoert “van artikel 2 en 3 van de formele motiveringswet, de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van de materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel, het legaliteitsbeginsel”, evenals machtsafwending; dat het middel drie onderdelen omvat; Overwegende dat in een eerste onderdeel wordt betoogd dat de motivering van verzoekers punten onvoldoende draagkrachtig is en dat de gegeven punten “puur willekeurig zijn”; Overwegende dat de punten die aan verzoeker zijn toegekend, steunen op een uitvoerige beschrijvende beoordeling, in het 6 februari 2005 gedateerde proces-verbaal van de mondelinge proef en in een toelichtende nota van 7 maart 2005; dat verzoeker onder meer de juistheid van die beoordeling op zich betwist; dat volgens hem niet verduidelijkt wordt waarom hij ongeschikt wordt geacht om leiding te geven; dat dit onjuist lijkt; dat blijkens de formele motivering van de gemeenteraadsbeslissing van 16 maart 2005, verzoekers “onvermogen om leiding te geven wordt geconcludeerd uit de wijze waarop hij zijn verantwoordelijkheid ontloopt bij de vraagstelling over het dispuut korporaal vs brandweerman. Hij geeft te kennen de gegeven opdracht zelf uit te voeren, zelfs zonder toestemming van zijn hiërarchische overste”; dat op het eerste gezicht ook niet kan worden bijgevallen dat de motivering “kennelijke tegenstrijdigheden” zou bevatten; dat het niet verkeerd lijkt uit verzoekers antwoorden met betrekking tot de “case” van de discussie tussen de korporaal en de brandweerman en die van het uitlenen van een pomp, te hebben afgeleid dat hij in wezen nalaat zijn verantwoordelijkheid te nemen als bevelvoerende overste, respectievelijk dat hij geen initiatief neemt en -opnieuw- nalaat zijn verantwoordelijkheid te nemen; dat verzoeker zich eveneens lijkt te vergissen wanneer hij meent dat zijn gebrek aan respect voor de hiërarchische lijn louter wordt afgeleid uit zoiets onbestemds als zijn lichaamstaal en manier van antwoorden; dat het ook wordt gesteund op de inhoud van zijn antwoorden, bijvoorbeeld met betrekking tot “de case redding van een persoon”; XII-4486-5/7 Overwegende dat verzoekers kritiek tegen de motieven voor het overige hierop lijken neer te komen dat hij negatiever is beoordeeld, inzonderheid gequoteerd, dan de andere kandidaten; dat hij in zijn vergelijking met hen evenwel doet blijken van een opvallende, tendentieuze selectiviteit; dat in dit verband de vergelijking met de hogere punten van vijf andere kandidaten voor het criterium van de attitudes, illustratief mag heten; dat verzoeker zelf slechts 16 op 35 punten kreeg vanwege te weinig klantvriendelijk, slechte inschatting van de veiligheidsgevaren voor zichzelf en anderen, en gebrek aan initiatief; dat hij dit te weinig vindt in vergelijking met O. M. aan wie ook weinig klantvriendelijkheid wordt toegedicht; dat hij daarbij echter over het hoofd ziet dat betrokkene wél “voldoende begaan met de veiligheid” wordt geacht; dat hij aldus ook vergeet met betrekking tot B. D.S. dat zij wél “voldoende klantvriendelijk” is, met betrekking tot S. V. dat hij wél “een klantvriendelijke instelling” heeft, met betrekking tot D. V. dat hij wél doet blijken “van grote bekommernis van veiligheid voor zichzelf en zeker voor andermans veiligheid”, en met betrekking tot K. B. dat hij wél klantvriendelijk is ingesteld en zin voor initiatief heeft; Overwegende dat het eerste onderdeel in de huidige stand van de procedure niet ernstig voorkomt; Overwegende dat blijkens een tweede onderdeel van het derde middel de vier te toetsen selectiecriteria “alles behalve afgelijnd aan bod zijn gekomen”; Overwegende dat vooralsnog onduidelijk is waarom de jury de verschillende criteria slechts het ene na het andere zou hebben mogen toetsen en waarom zij -louter als voorbeeld- bij de beoordeling van het vierde aspect van het tweede criterium, “Zich behoorlijk in het Nederlands kunnen uitdrukken”, niet ook rekening zou hebben mogen houden met de antwoorden die verzoeker aangaande de andere criteria verschafte; dat het onderdeel niet ernstig is; Overwegende dat in een derde onderdeel van het besproken middel verzoeker opwerpt dat een proef die bestond in “het samenstellen van een lego auto”, niet pertinent is “om te toetsen of een kandidaat in aanmerking komt om een bekwaam brandweerman te zijn; XII-4486-6/7 Overwegende dat de jury de kandidaten aan een proef onderwierp die er in bestond “om een Lego auto samen te stellen volgens de 12 stappen van het ter beschikking gestelde plan”; dat de tijdslimiet op drie minuten was gesteld en halverwege werd gemeld “dat er stukjes te veel of te weinig zouden kunnen zijn”; dat hiermee werd beoogd de handigheid, zorgzaamheid voor gereedschap en materialen, en stressbestendigheid na te gaan; dat verzoeker terecht niet het belang van die kwaliteiten voor “een bekwaam brandweerman” betwist; dat zij op het eerste gezicht nuttig getest kunnen worden aan de hand van een volgens plan en onder tijdsdruk uit te voeren constructieopdracht; dat het onderdeel niet ernstig is,
  8. Overwegende dat niet is voldaan aan de eerste van de twee cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  10. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes januari 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4486-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.315 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.001 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.