← België

Arrest 153316 - - 06/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.316 Rolnummer: A. 168817/XII-4618 Zaak: Arrest 153316 - - 06/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-10 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 08:07 Fiche Arrest nr 153.316 van 6 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.316 van 6 januari 2006 in de zaak A. 168.817/XII-

  1. In zake : de NV LUCKY GAMES, die woonplaats kiest bij advocaat A. Flieger, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 82 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door :
  2. de minister van Justitie,
  3. de kansspelcommissie bij de Federale Overheidsdienst Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat B. Bronders, kantoor houdende te Oostende, E. Beernaertstraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV Lucky Games op 21 december 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 7 december 2005 van de kansspelcommissie tot intrekking van haar vergunning voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II te Genk, Centrumlaan 14; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 23 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 januari 2006, om 14.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Malumgré, die loco advocaat A. Flieger verschijnt voor verzoekster, en van advocaat P. Louage, die loco advocaat B. Bronders verschijnt voor de verwerende partij; XII-4618-1/6 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekster een vergunning klasse B bezit voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II op het adres Centrumlaan 14 te Genk; dat met een brief van 6 juli 2005 de kansspelcommissie haar ter kennis brengt dat, bij controle ter plaatse en naar aanleiding van diverse verhoren, elf feiten zijn vastgesteld die een“mogelijke tekortkoming” uitmaken aan de bepalingen van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (hierna: de kansspelwet) en de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten ervan, en dat wordt overwogen als maatregel de intrekking van de vergunning op te leggen; dat verzoekster op 29 juli 2005 een memorie met verweermiddelen indient en op 20 september 2005 een aanvullende memorie; dat zij op 22 september 2005 wordt gehoord; dat de kansspelcommissie op 7 december 2005 concludeert dat de feiten “zijn bewezen door precieze samenhangende en pertinente vaststellingen” en “dat een intrekking de enig juiste en correcte sanctie in onderhavig dossier is”, waaraan nog wordt toegevoegd “dat elk van de bewezen feiten op zich de intrekking van de vergunning kan rechtvaardigen”; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzake- lijkheid voorhanden is; Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van “de fairplay norm, de redelijkheidsnorm en de rechten van verdediging”; dat volgens een eerste onderdeel verzoekster op de hoorzitting van 22 september 2005 geen passend verweer heeft kunnen voeren omdat de brief van 6 juli 2005 “enerzijds een opsomming geeft van de mogelijke tekortkomingen, en anderzijds een opsomming geeft van diverse XII-4618-2/6 vastgestelde feiten, zonder dat er bepaald wordt welk vastgesteld feit welke tekortkoming uitmaakt”; dat in een tweede onderdeel wordt aangeklaagd dat “diverse personen die tijdens de zitting van Kansspelcommissie dd. 22.09.05 zetelden voor de Kansspelcommissie, ook onderzoeksdaden hebben gesteld in deze zaak, met name de heer Henri Dupont en de [heer] Christophe Swolfs”; Overwegende, aangaande het eerste onderdeel, dat met de brief van 6 juli 2005 de kansspelcommissie verzoekster ter kennis brengt dat zij er aan denkt tegen haar de sanctie van intrekking van de vergunning toe te passen; dat de brief hoofdzakelijk een opsomming bevat, eensdeels, van al de bepalingen van de kansspelwet en de uitvoeringsbesluiten die mogelijk niet zijn nageleefd en, anderdeels, van de elf feiten waaruit dat moet blijken; dat de kansspelcommissie in de bestreden beslissing, en in de nota, van oordeel is dat de brief alle vermeldingen bevat die hij volgens het artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 juni 2002 betreffende de sancties die de kansspelcommissie kan opleggen, dient te bevatten; dat dit terecht lijkt en door verzoekster ook niet wordt tegengesproken; Overwegende dat de kansspelcommissie voorts argumenteert dat wél duidelijk blijkt aan welke bepalingen de feiten tekortkomen en dat verzoekster “blijkens haar memorie wel degelijk op de hoogte was van de relatie tussen de vastgestelde feiten en de artikelen van de Kansspelwet en haar uitvoeringsbesluiten die mogelijks waren geschonden”; dat verzoekster dat weliswaar betwist, maar op het eerste gezicht ten onrechte; dat op grond van de memories die zij bij de kansspelcommissie indiende, voorlopig wordt aangenomen dat zij inderdaad de haar aangewreven feiten met de geschonden geachte voorschriften in verband heeft kunnen brengen; dat vooralsnog niet blijkt dat zij daarvoor haar toevlucht heeft moeten nemen tot giswerk dat nadien foutief is gebleken; dat verzoekster zoiets wel beweert -zij het dan nog maar ter terechtzitting-, maar niet concreet aantoont; Overwegende dat het eerste onderdeel niet ernstig is; Overwegende, aangaande het tweede onderdeel, dat verzoekster uit de aanwezigheid van H. Dupont en C. Swolfs op de hoorzitting van 22 september 2005 lijkt te besluiten dat zij ook aan de deliberatie over de bestreden beslissing hebben deelgenomen; dat dit voorlopig niet wordt bijgevallen; dat H. Dupont en C. Swolfs tijdens de hoorzitting aanwezig waren in hun hoedanigheid van lid van het secretariaat, waarop de commissie voor de uitvoering van haar taken overeenkomstig XII-4618-3/6 artikel 15, § 1, van de kansspelwet een beroep kan doen; dat er voorts geen reden toe lijkt om te betwijfelen dat zij niet bij de beraadslaging en de stemming over de intrekking van 7 december 2005 zijn tussengekomen; dat het bijgevolg geen verwondering mag wekken dat “deze personen [...] niet vermeld staan in de bestreden beslissing”; dat het tweede onderdeel van het eerste middel niet ernstig is; Overwegende, in zoverre verzoekster ter terechtzitting mondeling nog een derde onderdeel wil doen gelden, dat het niet ontvankelijk is; dat, blijkens artikel 17, §§ 2 en 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 8, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, de ernstige middelen in de vordering tot schorsing moeten worden uiteengezet; dat dit tenminste in geval van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid rigoureus dient te gelden; dat er anders over oordelen niet te rijmen zou zijn met een voldoende respect voor de rechten van verdediging van de verwerende partij en met het vereiste van een spoedeisende behandeling; dat overigens, ten overvloede, van het nieuwe onderdeel niet beweerd wordt dat het niet reeds in het verzoekschrift kon worden aangevoerd, noch dat het van openbare orde is; Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending van de motiveringsplicht aanvoert; dat verzoekster in de eerste plaats doet gelden dat noch zijzelf, noch de vroegere bestuurders voor witwas- of fraudepraktijken in verdenking gesteld of vervolgd zijn, zodat de motivering van de bestreden beslissing niet juist is in zoverre daarin “rechtstreeks (of onrechtstreeks) wordt verwezen (of gealludeerd) op fiscale fraude (o.m. feiten 6 en 7)”; dat, in de tweede plaats, verzoekster betwist dat zij ook maar iets te maken heeft met het feit 6; dat, ten derde, verzoekster bekritiseert dat de bestreden beslissing niet antwoordt op “talrijke belangrijke argumenten van verzoekster, zoals ontwikkeld in haar memories”, meer bepaald met betrekking tot het feit 3 dat de kansspelcommissie in aanmerking nam; Overwegende dat het middel de bestreden beslissing alleen lijkt te viseren in de mate waarin zij het derde, zesde en zevende ten laste gelegde feit in aanmerking neemt; dat de beslissing echter ook nog op acht andere feiten steunt én uitdrukkelijk aanneemt “dat elk van de bewezen feiten op zich de intrekking van de vergunning kan rechtvaardigen”; dat hieruit volgt dat zelfs indien verzoeksters grieven terecht mochten lijken, dan nog niet is aangetoond dat de aangevochten intrekking deugdelijke grond mist en dat de kansspelcommissie verkeerdelijk heeft XII-4618-4/6 gemeend “dat uit het dossier de systematische wil blijkt van de vergunninghouder om de wettelijke en reglementaire verplichtingen te omzeilen”; Overwegende dat in die omstandigheden het middel hoe dan ook niet tot vernietiging lijkt te kunnen leiden en dus niet ernstig is; Overwegende dat een derde middel is afgeleid uit de “[s]chending van de redelijkheidsnorm en de zorgvuldigheidsnorm”, doordat “in de bestreden beslissing rechtstreeks (of onrechtstreeks) wordt verwezen (of gealludeerd) op fiscale fraude, dewelke zou zijn begaan door verzoekster, quod non”; Overwegende dat, zoals verzoekster ter terechtzitting toegeeft, het middel een herhaling is van (de eerste grief van) het tweede middel; dat het net als dat middel, en om dezelfde reden, niet ernstig is; Overwegende dat geen ernstige middelen worden aangevoerd; dat aldus aan tenminste één van de drie cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet is voldaan; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  6. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. XII-4618-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes januari 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4618-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.316 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.220 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.