id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.324 Rolnummer: A. 164923/IX-4992 Zaak: Arrest 153324 - - 09/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-15 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 08:08 Fiche Arrest nr 153.324 van 9 januari 2006 - Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.324 van 9 januari 2006 in de zaak A. 164.923/IX-
- In zake : de VZW “CORBAN”, die woonplaats kiest bij advocaat L. VAN DE VYVER, kantoor houdende te BRUSSEL, Bosstraat 22/1 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat T. DE SUTTER, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de VZW “CORBAN” op 5 augustus 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2005 houdende de subsidiëring van kunstenorganisaties, organisaties voor kunsteducatie, organisaties voor sociaal- artistieke werking, periodieke publicaties en steunpunten in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009, van kunstenorganisaties, organisaties voor kunsteducatie, organisaties voor sociaal-artistieke werking en periodieke publicaties in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007, en van instellingen van de Vlaamse Gemeenschap in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van hetzelfde besluit; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; IX-4992-1/11 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 november 2005; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. VAN DE VIJVER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat T. DE SUTTER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- De verzoekende partij is een vereniging zonder winstoogmerk, opgericht op 9 mei 1994, met als maatschappelijk doel, de realisatie, promotie, verkoop, distributie en organisatie van artistieke producties van alle aard. 1.
- Op 31 januari 2005 dient de verzoekende partij een subsidieaanvraag in voor het geheel van de werking in het kader van het decreet van 2 april 2004, houdende de subsidiëring van kunstenorganisaties, kunstenaars, organisaties voor kunsteducatieve- en organisaties voor sociaal-artistieke werking, internationale initiatieven, publicaties en steunpunten - hierna genoemd: “het kunstendecreet”. De aanvraag als organisatie voor muziektheater zoals bedoeld in artikel 3, 1/, e), van voormeld decreet heeft betrekking op de periode van 1 januari 2006 tot 31 december 2007 en strekt tot “structurele ondersteuning van de artistieke activiteiten van Walter Verdin”. 1.
- De administratie, op grond van een gunstig advies van de adviescommissie kunsten, dat zelf gebaseerd is op een eveneens gunstig advies van IX-4992-2/11 de beoordelingscommissie muziektheater, stelt de Vlaamse Regering voor om de verzoekende partij een volwaardige ondersteuning te bieden, in de vorm van een tweejarige structurele subsidie. Gebaseerd op de activiteiten die in het beleidsplan worden beschreven en rekening houdende met de multimediale aard ervan, wordt een richtbedrag van ten minste 250.000 euro voorgesteld. 1.
- In de nota aan de Vlaamse Regering van 24 juni 2005 stelt de bevoegde Vlaamse minister met betrekking tot het aanvraagdossier van de verzoekende partij het volgende : “Bij het dossier Corban rond kunstenaar Walter Verdin achtte ik het verantwoord géén structurele ondersteuning toe te kennen. Het kunstendecreet laat een brede waaier aan projectmatige initiatieven toe en ondersteunt de individuele kunstenaar met ontwikkelingsgerichte beurzen en creatieopdrachten”. 1.
- Dezelfde dag wordt het thans bestreden besluit genomen. Artikel 10 en artikel 11, die betrekking hebben op de organisaties voor muziektheater, vermelden verzoekster niet onder de organisaties aan wie subsidies worden toegekend. De redenen daartoe worden aan verzoekster bij ter post aangetekende brief van 14 juli 2005 meegedeeld en zijn die welke vermeld zijn onder 1.
- hiervoor. Dat is het bestreden besluit. 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij vooreerst opwerpt dat het verzoekschrift nergens het ondernemingsnummer van de rechtspersoon die het beroep instelt vermeldt en dat daardoor, bij toepassing van artikel 11 juncto artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, het beroep niet ontvankelijk is; 2.1.
- Overwegende dat de bepalingen van de voornoemde wet van 16 januari 2003 niet van toepassing zijn op verenigingen zonder winstoogmerk; dat de exceptie niet opgaat; IX-4992-3/11 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij ook opwerpt dat het beroep moet worden beperkt tot het aspect subsidiëring van de organisaties voor muziektheater en de aanvragen voor structurele ondersteuning in de periode 2006-2007, meer bepaald tot artikel 11 van het bestreden besluit en dat, wat de verdeling van de subsidies binnen de andere takken van het kunstendecreet betreft, de verzoekende partij geen belang heeft bij de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan; 2.2.
- Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verzoekende partij een aanvraag heeft ingediend voor een subsidie als muziektheater voor het geheel van de werking in het kader van het kunstendecreet periode 2006-2007; dat de exceptie gegrond is;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
- Overwegende dat verzoekster een eerste middel aanvoert, “genomen uit de schending van de wet, en in het bijzonder de schending van de bepalingen van het Kunstendecreet”; dat zij uiteenzet dat artikel 6, § 5, van het kunstendecreet bepaalt dat de Vlaamse Regering beslist over de toekenning van en over de grootte van de subsidies bedoeld in artikel 4, § 1, aan de hand van beoordelingscriteria, bedoeld in artikel 8 en dat dit artikel 8 voorziet in acht criteria voor de beoordeling van de grootte van het financieringsbudget, en dat de VZW CORBAN aan al die criteria voldoet; dat de aanvraag dan ook voorgelegd werd aan de minister, met eenduidig positief artistiek advies van de Adviescommissie voor de Kunsten voor een volwaardige ondersteuning in de vorm van een tweejarige structurele subsidie, met een richtbedrag van 250.000 euro per jaar; maar dat de minister, daarin gevolgd door de Regering, de subsidieaanvraag van de VZW CORBAN geweigerd heeft met een motivering waarbij een nieuw criterium wordt gehanteerd, dat niet overeenstemt met de criteria zoals bepaald in artikel 8 van het kunstendecreet; dat verzoekster ook betoogt dat artikel 8, § 2, weliswaar in de mogelijkheid voorziet voor de Vlaamse Regering om aanvullende criteria te bepalen, in functie van de door haar geformuleerde prioriteiten, na advies of op voordracht IX-4992-4/11 van de adviescommissie bedoeld in artikel 80 van het decreet, en waarvan de lijst kenbaar gemaakt moet worden uiterlijk drie maanden voor de aanvraag tot subsidiëring moet worden ingediend, doch dat ter zake geen aanvullende criteria werden kenbaar gemaakt voor de uiterste indieningsdatum van de aanvragen tot subsidiëring; dat zij daaruit concludeert dat de minister, daarin gevolgd door de Vlaamse Regering, een aanvullend criterium heeft gesteld dat niet op geldige wijze is tot stand gekomen, om de weigering van de aanvraag van de VZW CORBAN te motiveren en aldus in strijd met het decreet heeft gehandeld; dat volgens verzoekster ook de verantwoording van de minister, als zou het kunstendecreet een brede waaier aan projectmatige initiatieven toelaten en de individuele kunstenaar met ontwikkelingsgerichte beurzen en creatieopdrachten ondersteunen, als criterium evenmin regelmatig tot stand gekomen is en bekend gemaakt voor de uiterste indieningsdatum van de aanvragen; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het voldoen aan alle criteria van het kunstendecreet niet betekent dat verzoekster een (subjectief) recht heeft op structurele subsidiëring en dat, indien zulks wel het geval was, de Raad van State onbevoegd zou zijn om het voorliggend geschil te beslechten; dat zij betoogt dat de Vlaamse Regering in deze duidelijk beschikt over een discretionaire bevoegdheid, dat de adviezen welke in de loop van de procedure worden verleend niet bindend zijn en de Vlaamse Regering de mogelijkheid behoudt om mits verantwoording af te wijken van de uitgebrachte adviezen; dat volgens haar ook niet kan worden aanvaard dat de Vlaamse Regering een nieuw aanvullend criterium zou hebben aangewend om de aanvraag van de verzoekende partij tot structurele ondersteuning te weigeren; dat immers uit haar verantwoording blijkt dat er geen sprake is van een bijkomend -inhoudelijk en kwalitatief- criterium op grond waarvan het aanvraagdossier van de verzoekende partij is beoordeeld; dat de Vlaamse Regering op grond van haar discretionaire bevoegdheid over de vrijheid en de mogelijkheid beschikt om een visie over het “kunstenlandschap” te ontwikkelen en te implementeren; dat de argumentatie voor de weigering van structurele ondersteuning van de verzoekende partij dan ook een uitdrukking vormt van deze beleidsvrijheid en niet, zoals de verzoekende partij beweert, een nieuw aanvullend criterium tot beoordeling van het aanvraagdossier; dat volgens de verwerende partij immers het kunstendecreet onder meer tot doel heeft kunstenaars en organisaties een ruimere waaier aan ondersteuning te bieden dan het geval was onder het Podiumkunstendecreet en de weigering van structurele ondersteuning van de verzoekende partij dan ook het resultaat is van een afweging van de Vlaamse IX-4992-5/11 Regering op grond van voormelde doelstelling, waarbij zij het nodig heeft geacht "organisaties die de facto geconfigureerd zijn rond de activiteiten van een persoon" op een andere wijze dan structureel te ondersteunen, waarvoor in de verantwoording expliciet verwezen wordt naar de "brede waaier aan projectmatige initiatieven" en "ontwikkelingsgerichte beurzen en creatieopdrachten" voor individuele kunstenaars terwijl het niet subsidiëren van de verzoekende partij voor het geheel van de werking en de beleidskeuze om de ondersteuning van de verzoekende partij te bekijken binnen de regeling voor individuele kunstenaars bovendien een budgettaire keuze van de Vlaamse Regering uitmaakt; 4.3.
- Overwegende dat artikel 6, § 5, van het kunstendecreet ten aanzien van de subsidiëring van kunstenorganisaties voor het geheel van de werking bedoeld in artikel 4,§ 1, bepaalt dat de Vlaamse Regering beslist over de toekenning van en over de grootte van de subsidies aan de hand van de beoordelingscriteria, bedoeld in artikel 8 en dat deze beslissing gebeurt (sic) met inbegrip van de optionele internationale, sociaal-artistieke en kunsteducatieve elementen van de werking bedoeld in artikel 43 en artikel 55; dat voornoemd artikel 8 luidt als volgt : “Art.
- §
- Om de grootte van het financieringsbudget te bepalen, worden -rekening houdend met de specificiteit van de organisatie- de volgende beoordelingscriteria gehanteerd, voor zover die relevant zijn voor de beoordeling van de gesubsidieerde activiteit en voor zover die relevant zijn voor een tweejarig of een vierjarig financieringsbudget : 1/ profilering en positionering; 2/ langetermijnvisie; 3/ kwaliteit van inhoudelijk concept en concrete (uit)werking; 4/ landelijke en/of internationale uitstraling; 5/ samenwerking en netwerking met artistieke en niet-artistieke actoren in het binnen- en/of in het buitenland; 6/ haalbaarheid; 7/ publieksgerichtheid; 8/ gedegen financiële onderbouw van de werking. §
- Ter aanvulling van de criteria, genoemd in § 1, mag de Vlaamse regering criteria bepalen in functie van de door haar geformuleerde prioriteiten. De adviescommissie, bedoeld in artikel 80, adviseert de Vlaamse regering bij het bepalen van aanvullende criteria met betrekking tot de artistieke of inhoudelijke kwaliteit van de gesubsidieerde activiteit. Ze kan zelf ook aanvullende artistieke of inhoudelijke criteria ter goedkeuring voorleggen aan de Vlaamse regering. De lijst van aanvullende criteria moet uiterlijk drie maanden voor de aanvraag tot subsidiëring worden ingediend, kenbaar gemaakt worden. Als dat niet is gebeurd, gelden de aanvullende criteria die het laatst van toepassing zijn. §
- Voor de optionele functies, vermeld in artikel 7, § 3, 1/, worden ter aanvulling van de criteria, genoemd in §1 en § 2, en rekening houdend met de specificiteit van de organisatie, de beoordelingscriteria gehanteerd, genoemd in artikel 43 en 55, voor zover die relevant zijn voor de beoordeling van de gesubsidieerde activiteit.”; IX-4992-6/11 4.3.
- Overwegende dat uit de redactie van de aangehaalde bepalingen kan worden afgeleid dat de betrokken beoordeling uitsluitend geschiedt aan de hand van de criteria vastgesteld in artikel 8, § 1, en eventueel de aanvullende criteria die zouden worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8, § 2; dat de criteria waarnaar wordt verwezen in paragraaf 3 enkel kunnen worden aangewend als aanvulling; 4.3.
- Overwegende dat de artikelen 80 en 85 van het kunstendecreet de beoordeling van de aanvragen tot structurele subsidiëring in de eerste plaats toevertrouwd heeft aan een voor het betrokken veld bevoegde “beoordelingscommissie”, en aan de “adviescommissie kunsten” die een coördinerende rol vervult; dat op grond van de beoordeling van die commissie - in dezen “preadvies” genoemd - een voorstel wordt gedaan aan de Vlaamse Regering; dat dit voorstel niet bindend is voor deze laatste; dat nergens blijkt dat wanneer een vereniging geacht wordt aan alle subsidiëringsvoorwaarden te voldoen, zij meteen automatisch gerechtigd zou zijn op een subsidie; dat, immers, alle criteria van artikel 8, § 1, van het kunstendecreet voor ruime interpretatie vatbaar zijn en, zoals ook bij het vaststellen van nieuwe criteria het geval is, een reële discretionaire beoordelingsmacht verlenen aan de beoordelingscommissie en de adviescommissie, om het beschikbare budget volgens haar beoordeling te verdelen; dat wanneer de Vlaamse Regering besluit het advies niet te volgen, zij derhalve ook geen afbreuk doet aan subjectieve rechten; dat in dat geval, gelet op de centrale plaats welke de adviescommissie inneemt, de Vlaamse Regering wel zal moeten verduidelijken waarom zij dat doet; dat zulks ook niet uitsluit dat deze daarbij ook gebonden is door diezelfde criteria, over de vervulling waarvan zij, op grond van haar eveneens discretionaire beoordelingsbevoegdheid, een andere mening toegedaan kan zijn dan de adviescommissie; 4.3.
- Overwegende dat verzoeksters stelling volgens welke voor de toekenning en verdeling van het budget voor structurele subsidiëring enkel de bij of krachtens het decreet vastgestelde criteria aangewend kunnen worden, in de lijn ligt van artikel 10 van het decreet van 28 januari 1974 betreffende het cultuurpact, waarvan geen der partijen aanvoert dat het kunstendecreet de bedoeling heeft ervan af te wijken; dat volgens die bepaling de regels inzake erkenning en subsidiëring in geld of natura van geregelde culturele activiteiten, naar gelang van het geval, slechts mogen worden vastgesteld krachtens een decreet of een beraadslaging van de vertegenwoordigende vergadering van de overheid en, bij ontstentenis van dergelijke regels, alle toelagen en voordelen het voorwerp moeten zijn van een speciale IX-4992-7/11 begrotingspost op naam; dat ter zake die subsidiëringsregels zijn vastgesteld in artikel 8 van het kunstendecreet; 4.3.
- Overwegende dat de reden waarom de Vlaamse Regering, op voorstel van de minister van Cultuur, beslist heeft om verzoekster geen structurele subsidie te verlenen, namelijk dat verzoekster als organisatie de facto geconfigureerd is rond de activiteiten van één persoon en de minister “ervoor gekozen” heeft geen structurele ondersteuning toe te kennen aan dergelijke organisaties, aan geen enkele van die criteria vastgeknoopt wordt; dat het middel ernstig is; 5.
- Overwegende dat verzoekster als moeilijk te herstellen ernstig nadeel aanvoert : “V.
- Bij het aangevochten Besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2005, houdende ondermeer de subsidiëring van muziektheater, werd de besluitvorming voor de toebedeling van structurele subsidies in het kader van het Kunstendecreet beëindigd en werd het voorziene budget verdeeld. Daarbij werd niets toebedeeld aan CORBAN VZW, voor de werking van de vereniging voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december
- De uitvoering van het aangevochten besluit, maakt de beslissing dan ook irreversibel, in de zin dat geen budget meer voorhanden zal zijn, om in het kader van het Kunstendecreet, de komende twee jaar structurele steun te verlenen aan CORBAN VZW. V.
- De werking van de vereniging wordt met onmiddellijke ingang belemmerd. De toekomst van de vereniging is gehypothekeerd en de vereniging kan geen engagementen meer aangaan (supra III.4) Zo ziet CORBAN VZW zich in de onmogelijkheid gesteld de overeenkomst toe te zeggen met Concertgebouw Brugge, voor de voorstelling geprogrammeerd op 20/08/2005 voor de opening van het Festival van Vlaanderen Antwerpen, engagement dat immers verbonden is met voorstellingen in het Concertgebouw (en werkingsmiddelen) voorzien in
- Ingevolge de ontstentenis van enige zekerheid over de financiële middelen dringt het ontslag van werknemers, de opzeg van de huur van de lokalen en andere lopende contracten, zich op. (supra III.
- en 3.) Zodoende komt des te pijnlijker aan het licht dat geen uitdoofscenario voorhanden is, ten einde de schadelijke gevolgen van dergelijke ingrijpende negatieve beslissing op te vangen. V.
- V. 3.a. Met ingang van het jaar 2006, valt de VZW CORBAN zonder enige steun, wat het voortbestaan van de vereniging onmogelijk maakt. Zoals gezegd is CORBAN VZW voor haar werking voor ca. 88 % afhankelijk van overheidssteun, door middel van subsidies, en zij kan onmogelijk haar werking verzekeren met eigen inkomsten. Zonder structurele ondersteuning, is het immers niet langer mogelijk de opgezette structuur voort te zetten en het aangenomen personeel te behouden, de ruimte verder te blijven huren om te werken en de infrastructuur in onder te brengen enz. IX-4992-8/11 De verdere werking van de vereniging is dan uitgesloten en de onmiddellijke leefbaarheid van de vereniging wordt dan onmogelijk. Dit betekent dan ook het einde van het bestaan van de vereniging. (supra : III) V. 3.b. Indien geen structurele subsidie meer wordt toegekend, worden de verworvenheden van de voorbije jaren te grabbel gegooid en zal het repertoire dienen te worden afgebroken. Ook zal het verdere behoud en het beheer van het videowerk van Walter Verdin onmogelijk zijn, terwijl CORBAN VZW juist een projectsubsidie toegekend kreeg om dit werk te conserveren en archiveren. Door de beslissing om de vereniging haar werkingsmiddelen te ontzeggen, zou aldus al hetgeen de VZW CORBAN heeft verwezenlijkt gedurende de afgelopen jaren, teloor gaan.”; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “(...)
- Vervolgens kan de verwerende partij niet instemmen met de stelling dat de werking van de verzoekende partij ‘met onmiddellijke ingang’ wordt belemmerd. De verzoekende partij ontvangt in het kader van het boven aangehaalde besluit van 3 juni 2005 van de Vlaamse regering nog een aanvullende structurele subsidie voor de tweede jaarhelft van 2005 (69.460,48 euro). De werking voor het huidig kalenderjaar komt bijgevolg op geen enkele wijze in het gedrang. Wel integendeel. Het door de verzoekende partij aangehaalde nadeel is dan ook eerder voorbarig. Het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 2005 vormt de uitvoering van artikel 39, Podiumdecreet en heeft net tot doel de overgang naar de nieuwe regeling van het Kunstendecreet te verzekeren. De verzoekende partij schrijft bovendien zelf onder het derde middel dat zij haar werking ‘met onmiddellijke ingang, minstens vanaf januari 2006, dient af te breken’.
- De verwerende partij betwist niet dat de verzoekende partij zeer sterk afhankelijk is van overheidssteun. Zij betwist wel de teneur van de verzoekende partij op grond waarvan een normale werking enkel zou mogelijk zijn mits structurele ondersteuning. Dit is geenszins het geval. Het Kunstendecreet voorziet immers in diverse subsidiekanalen. Naast de structurele subsidiëring kunnen eveneens projectsubsidies worden bekomen. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt zeer duidelijk dat de ondersteuning van de verzoekende partij veeleer in deze laatstgenoemde mogelijkheid wordt gezien. (‘Het Kunstendecreet laat een brede waaier aan projectmatige initiatieven toe en ondersteunt de individuele kunstenaar met ontwikkelingsgerichte beurzen en creatieopdrachten’.) Indien de werking van de verzoekende partij onmogelijk zou worden, lijkt dit bijgevolg eerder haar oorzaak te vinden in de houding van de verzoekende partij zelf, zijnde de weigering om aanvragen in bovenvermeld kader in te dienen. Uit het gehele administratief dossier blijkt de oprechte waardering voor het werk en de prestaties van de kunstenaar Walter Verdin. Het voorgaande samengelezen met de suggestie in de nota aan de Vlaamse regering, laat toe de verzoekende partij meer dan behoorlijke kansen toe te dichten voor het verkrijgen van projectsubsidies teneinde de werking en activiteiten op een behoorlijke wijze verder te zetten. IX-4992-9/11 Het voorgaande geldt des te meer nu de verzoekende partij reeds op 18 augustus 2004 voor het werkjaar 2004 een projectsubsidie is toegekend voor de conservering en restauratie van het videowerk van Walter Verdin door de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel (20.000,00 euro).
- Het door de verzoekende partij aangehaalde nadeel is bijgevolg ook in deze zin voorbarig en realiseert zich slechts indien haar projectsubsidies zouden worden geweigerd - uiteraard in de veronderstelling dat de verzoekende partij de nodige initiatieven neemt om de aanvragen in te dienen.”; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij niet betwist dat verzoeksters werking voor het grootste deel afhangt van overheidssteun alsmede dat aan de thans toegekende structurele subsidiëring een einde komt en zij dus vrijwel zonder werkingsmiddelen valt, zo niet op 1 januari 2006, dan toch korte tijd daarna; dat verzoekster weliswaar, zoals de verwerende partij niet onterecht opmerkt, aanvragen tot projectmatige steun kan indienen, maar vooreerst niet zeker is dat deze zullen worden ingewilligd, vervolgens de procedure daartoe enige tijd vergt; dat het dus als waarschijnlijk voorkomt dat, ook als dergelijke steun wordt verleend, deze te laat zal komen en intussen verzoekster geen engagementen zal kunnen aangaan en zij voorts beslissingen met verregaande gevolgen zal moeten nemen zoals personeel ontslaan en huur- of andere overeenkomsten opzeggen; dat ook de dreiging van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voldoende is aangetoond, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2005 houdende de subsidiëring van kunstenorganisaties, organisaties voor kunsteducatie, organisaties voor sociaal-artistieke werking, periodieke publicaties en steunpunten in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009, van kunstenorganisaties, organisaties voor kunsteducatie, organisaties voor sociaal-artistieke werking en periodieke publicaties in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007, en van instellingen van de Vlaamse Gemeenschap in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december
- IX-4992-10/11 Artikel
- De vordering tot schorsing wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen januari 2000 en zes, door : de H. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-4992-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.324 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.375 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.