← België

Arrest 153326 - - 09/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.326 Rolnummer: A. 165931/IX-5060 Zaak: Arrest 153326 - - 09/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-13 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 08:08 Fiche Arrest nr 153.326 van 9 januari 2006 - Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.326 van 9 januari 2006 in de zaak A. 165.931/IX-

  1. In zake : de VZW STICHTING VOOR HEDENDAAGSE MUSICAL (STIHMUL), die woonplaats kiest bij advocaat I. VANDESCHOOR, kantoor houdende te GENT, Kortrijksesteenweg 977 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat T. DE SUTTER, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de VZW STICHTING VOOR HEDENDAAGSE MUSICAL, hierna genoemd : VZW STIHMUL, op 12 september 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2005 houdende de subsidiëring van kunstenorganisaties, organisaties voor kunsteducatie, organisaties voor sociaal- artistieke werking, periodieke publicaties en steunpunten in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009, van kunstenorganisaties, organisaties voor kunsteducatie, organisaties voor sociaal-artistieke werking en periodieke publicaties in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007, en van instellingen van de Vlaamse Gemeenschap in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; IX-5060-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 december 2005, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. VANDESCHOOR, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat T. DE SUTTER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. De verzoekende partij is een vereniging zonder winstoogmerk, die werd opgericht op 27 november 1998 en tot doel heeft het genre “musical” op een aantal, hierna vermelde, wijzen te bevorderen : - bijdrage aan de creatie van nieuwe musicals in België en meer specifiek in Vlaanderen waardoor het genre zich professioneel kan ontwikkelen als kunstvorm en bedrijfseconomisch geheel; - bijdrage aan het inhoudelijk vertrekken van een musical vanuit een Belgisch cultureel erfgoed; - bijdrage aan de internationale verspreiding van musicals. 1.
  5. Op 2 november 2004 doet de verzoekende partij een subsidieaan- vraag voor het geheel van de werking in het kader van het decreet van 2 april 2004, houdende de subsidiëring van kunstenorganisaties, kunstenaars, organisaties voor kunsteducatie en organisaties voor sociaal-artistieke werking, internationale initiatieven, publicaties en steunpunten - hierna genoemd: “het kunstendecreet”. De aanvraag als organisatie voor muziektheater zoals bedoeld in artikel 3, 1/, e), van IX-5060-2/12 voormeld decreet heeft betrekking op de periode van 1 januari 2006 tot 31 december
  6. 1.
  7. De bevoegde beoordelingscommissie verstrekt op 12 mei 2005 een gemotiveerd positief advies voor een 4-jarige subsidiëring, “om deze grootschalige organisatie toe te laten haar langetermijnplanning, haar professionele werking en haar internationale planning te realiseren”. De aanvraag van de verzoekende partij krijgt eveneens een definitief positief advies voor vier jaar vanwege de administratie. 1.4 In de nota aan de Vlaamse Regering van 24 juni 2005 stelt de bevoegde Vlaamse minister met betrekking tot het aanvraag dossier van de verzoekende partij, het volgende: “Ik wijk af van het eindadvies omdat ik de musical-dossiers wil beoordelen binnen het kader van de nieuwe beleidslijn van de cultuurindustrieën”. 1.
  8. Nog dezelfde dag wordt het thans bestreden besluit genomen. Hieruit kan worden afgeleid dat de verzoekende partij niet gesubsidieerd wordt. De redenen daartoe worden haar bij ter post aangetekende brief van 14 juli 2005 meegedeeld en zijn die vermeld onder 1.
  9. hiervoor. Dat is het bestreden besluit. 2.1.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in een eerste exceptie opwerpt dat het beroep moet worden beperkt tot het aspect subsidiëring van de organisaties voor muziektheater en de aanvragen voor structurele ondersteuning in de periode 2006-2009, meer bepaald tot artikel 10 van het bestreden besluit en dat, wat de verdeling van de subsidies binnen de andere takken van het kunstendecreet betreft, de verzoekende partij geen belang heeft bij de schorsing van de tenuitvoerleg- ging ervan; 2.1.
  11. Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verzoekende partij een aanvraag heeft ingediend voor een subsidie als muziektheater voor het geheel van de werking in het kader van het kunstendecreet voor de periode 2006-2009; dat de exceptie gegrond is; IX-5060-3/12 2.2.
  12. Overwegende dat de verwerende partij ook opwerpt dat de stukken in verband met het in rechte treden van de verzoekende partij haar nog niet bekend zijn; dat zij de Raad van State vraagt dit aspect ambtshalve te onderzoeken; 2.2.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij met een op 27 september 2005 ter post aangetekende brief haar statuten alsook de beslissing tot in rechte treden aan de Raad van State heeft toegestuurd; dat daaruit blijkt dat de beslissing tot in rechte treden rechtsgeldig en in overeenstemming met de statuten genomen is; dat de exceptie niet gegrond is;
  14. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
  15. Overwegende dat verzoekster onder meer een tweede middel aanvoert, “schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen;” dat zij het eerste onderdeel van het middel als volgt adstrueert : “Algemeen wordt door de Raad van State aangenomen dat op grond van de wet van 29 juli 1991 in beginsel geen rekening mag worden gehouden met motieven die niet in de beslissing zelf worden opgenomen. Welnu, de aangevochten beslissing bevat geen motieven, daar ze zich ertoe beperkt la(c)oniek te stellen dat de minister beslist heeft om af te wijken van de adviezen van de beoordelingscommissie omdat hij de musical-dossiers wil beoordelen binnen het kader van de zogenaamde ‘nieuwe beleidslijn inzake cultuurindustrieën’. De rechtspraak aanvaardt weliswaar ook een indirecte vorm van motivering, nl. een motivering door een verwijzing naar andere stukken, doch enkel indien cumulatief aan de volgende voorwaarden voldaan is (zie Opdebeek, I. en Coolsaet, A., ‘Formele motivering van bestuurshandelingen’, Administratieve Rechtsbibliotheek, Die Keure, 1999, nr. 164) :
  16. de inhoud van het stuk waarnaar wordt verwezen moet aan de bestuurde ter kennis zijn gebracht,
  17. het stuk waarnaar wordt verwezen moet zelf afdoende gemotiveerd zijn,
  18. de voorstellen of adviezen moeten worden bijgevallen in de uiteindelijke beslissing,
  19. er mogen geen tegenstrijdige adviezen zijn. Verzoekende partij is de mening toegedaan dat deze voorwaarden in de aangevochten beslissing niet vervuld zijn: IX-5060-4/12
  20. De nieuwe beleidslijn van de minister van Cultuur inzake cultuurindustrieën is verzoekende partij volledig onbekend. Een concrete uitleg bij deze beleidslijn, gerelateerd tot het concrete aanvraagdossier dat door verzoekende partij werd ingediend, ontbreekt volledig. Nergens staat (...) in de nota van de minister of in de bestreden beslissing een mening, een raadgeving of een concreet oordeel vermeld.
  21. Laat staan dat deze zogenaamde nieuwe beleidslijn inzake cultuurindustrieën, zelf voldoende materieel en formeel gemotiveerd zou zijn. Het spreekt voor zich dat een motivering door verwijzing naar een ‘nieuwe beleidslijn’ maar afdoende is, wanneer dat stuk zelf afdoende gemotiveerd is (vgl. Opdebeek, I. en Coolsaet, A., o.c. nr.167). Verzoekende partij herhaalt dat zij onmogelijk kan opmaken hoe de positieve adviezen van de dienst administratie en de beoordelingscommissie van het door haar ingediende dossier, hebben kunnen leiden tot de weigering van de subsidiëring zoals voorzien in het ontwerp van beslissing. Enige relatie tot de concrete dossiergegevens is niet terug te vinden, en de wijze waarop verwerende partij in haar eindbeslissing afwijkt van de grondige adviezen wordt bijgevolg door verzoekster gepercipieerd als loutere willekeur. Er is m.a.w. geen enkele motivering in concreto, wat gelijk staat met een motivering die niet afdoende is (zie bv. R.v.St. Wintgens, nr. 65.657 dd. 26 maart 1997). De conclusie bij dit alles is evident. Wanneer een beslissing formeel moet worden gemotiveerd - wat in onderhavige zaak het geval is - is het doel hiervan diegene ten opzichte van wie een beslissing is genomen een zodanig inzicht te geven in de motieven van die beslissing dat hij in staat is te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing op het vlak van haar motieven te verweren met de middelen die het recht verschaft. De formele motiveringsplicht impliceert bijgevolg dat de motieven ter kennis van de betrokkene moeten worden gebracht (Opdebeek, I. en Coolsaet, A., o.c. nr. 224 en de in voetnoot geciteerde overvloedige rechtspraak). In de aangevochten beslissing is deze formele motivering volkomen afwezig, zodat wegens de miskenning van de voorschriften van de uitdrukkelijke motiveringswet de vernietiging van deze beslissing zich opdringt.”; 4.
  22. Overwegende dat de verwerende partij op het eerste onderdeel van het middel antwoordt dat de formele motiveringsplicht inhoudt dat het bestreden besluit de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die eraan ten grondslag liggen en dat die redengeving afdoende moet zijn; dat volgens haar een motivering afdoende is wanneer deze de bestuurde redelijkerwijze in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen en dat de vereiste dat de motivering afdoende is en voldoende draagkrach- tig, volgens rechtsleer en rechtspraak ook inhoudt dat de motivering duidelijk is, niet tegenstrijdig, juist, pertinent, concreet en precies; dat de verwerende partij stelt dat de verzoekende partij zich kennelijk vergist aangaande de wijze waarop het bestreden besluit moet beantwoorden aan de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen: dat het bestreden besluit waarbij aan de IX-5060-5/12 verzoekende partij geen structurele subsidie is toegekend, immers geen enkele uitspraak doet over de kwaliteit van het aanvraagdossier en het project van de verzoekende partij; dat de Vlaamse Regering op grond van een algemene beleidsregel - welke dus niet enkel geldt voor de verzoekende partij, maar evenzeer voor alle andere musicaldossiers - besloten heeft om geen structurele subsidie toe te kennen; dat enige motivering waarom zij op kwalitatief vlak zou afwijken van de verleende adviezen dan ook niet noodzakelijk is, aangezien de Vlaamse Regering hieromtrent geen enkele uitspraak doet; dat er ook geen sprake is van enige willekeur aan de kant van de verwerende partij; dat volgens de verwerende partij de verzoekende partij voorts niet ernstig kan betwisten dat het formeel motief op grond waarvan geen structurele subsidie is toegekend haar ter kennis is gebracht, namelijk, “omdat ik de musical-dossiers wil beoordelen binnen het kader van de nieuwe beleidslijn van de cultuurindustrieën”; dat de verzoekende partij evenmin ernstig kan beweren dat ze geen inzicht heeft in de motieven van het bestreden besluit : als professionele speler in het cultuurgebeuren kan de verzoekende partij niet geloofwaardig voorhouden dat zij onwetend is omtrent de “nieuwe beleidslijn van de cultuurindustrieën”; dat zulks volgens de verwerende partij ontegensprekelijk zou blijken uit de uiteenzetting van het tweede onderdeel van het tweede middel en uit de parlementaire vraag welke de verzoekende partij aanhaalt in het derde middel; dat de verwerende partij ook nog verklaart dat de “nieuwe beleidslijn van de cultuurindustrieën” niet zomaar als een verrassing komt, maar de “beleidsnota cultuur 2004-2009" uitgebreid terugkomt op de cultuurindustrieën en de beleidsintenties van de nieuwe Vlaamse Regering, waaruit de verwerende partij dan uitgebreid citeert; dat zij ook verwijst naar het antwoord van de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport, Brusselse Aangelegenheden en Ontwikkelingssamenwerking op een parlementaire vraag van 18 april 2002 welke door de verzoekende partij zelf in het kader van het derde middel wordt aangehaald, naar de memorie van toelichting bij het kunstendecreet (Parl. St. Vl. Parl. 2003-04, nr. 2019, 4-5) welke evenzeer reeds zou zijn teruggekomen op het aspect van de professionalisering en commercialisering binnen de sector van de podiumkunsten en meer specifiek de musicalwereld; dat de verwerende partij besluit dat de Vlaamse Regering de structurele ondersteuning van de musical wenst onder te brengen in de “nieuwe beleidslijn van de cultuurindustrieën”, welke perfect te verantwoorden is en zich laat inspireren door de wens om het instrumentarium ter ondersteuning van de culturele sector zo aan te passen dat op de meest adequate wijze tegemoet gekomen kan worden aan de specifieke noden van elke deelsector, dat de structurele IX-5060-6/12 ondersteuning aan organisaties op grond van het kunstendecreet gericht is op de kunstvormen en kunstenaars welke weinig of geen marktpotentieel in zich hebben, welke organisaties bijgevolg enkel leefbaar kunnen worden gemaakt of gehouden mits structurele ondersteuning vanuit de overheid, dat de kunstvormen en kunstenaars welke wel degelijk een marktpotentieel hebben en in staat zijn, minstens moeten worden geacht, om zelf voldoende werkingsmiddelen uit de markt te genereren, op een andere wijze kunnen of zelfs moeten worden ondersteund vanuit de overheid, dat de musicalsector een typevoorbeeld is van een kunstvorm welke een groot marktpotentieel in zich draagt en over de mogelijkheid beschikt om (zeer veel) middelen te genereren uit de markt, en dat uit het aanvraagdossier van de verzoeken- de partij en de bespreking van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel ontegenspreke- lijk blijkt dat de door de Vlaamse Regering gemaakte overwegingen perfect opgaan ten aanzien van de verzoekende partij; dat op grond van voormelde overwegingen de Vlaamse Regering dan ook op deugdelijke gronden heeft kunnen oordelen dat musicalorganisaties beter op een andere wijze worden ondersteund; 4.3.
  23. Overwegende dat de formele motiveringsplicht, zoals die door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen is voorgeschreven, als belangrijkste bestaansreden heeft de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven mede te delen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is de beslissing met een annulatieberoep en eventueel een vordering tot schorsing te bestrijden; dat de gegeven motivering dan ook draagkrachtig moet zijn, dat wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen; dat inzonderheid, wanneer de wet voorschrijft dat voor het nemen van de beslissing adviezen worden ingewonnen, het vereiste van de formele motivering betekent dat de beslissing in voorkomend geval duidelijk de redenen doet kennen waarom ze van die adviezen afwijkt; dat wanneer in de motivering verwezen wordt naar andere documenten of feitelijke gegevens, die documenten of gegevens bij de beslissing gevoegd dienen te worden, tenzij kan worden aangenomen dat ze door de adressaat van de beslissing voldoende gekend zijn; IX-5060-7/12 4.3.
  24. Overwegende dat te dezen uit het administratief dossier blijkt dat zowel de beoordelingscommissie als de administratie een duidelijk en uitvoerig gemotiveerd positief advies uitbrachten; dat daarbij komt dat de commissie zelf blijkbaar van oordeel was in het genre slechts één organisatie een gepaste subsidie zou moeten krijgen, namelijk die wier artistieke keuzen de commissie hebben overtuigd: de administratie zelf begint haar advies met te stellen “Het dossier van STIHMUL vzw is over de gehele lijn een professioneel dossier”; 4.3.
  25. Overwegende dat de motivering van de bestreden beslissing daarentegen zeer summier is : zij wordt als volgt gemotiveerd : “Ik wijk af van het eindadvies omdat ik de musical-dossiers wil beoordelen binnen het kader van de nieuwe beleidslijn van de cultuurindustrieën”; dat, los van de vaststelling dat de verwerende partij in haar nota opmerkt dat de verzoekende partij perfect weet wat met “cultuurindustrieën” wordt bedoeld en dat nagenoeg zeven pagina’s worden besteed aan de weerlegging van het door de verzoekende partij aangevoerde middel, de aan verzoekster meegedeelde motivering zelf niets meer is dan een stijlformule welke op tal van gelijkaardige dossiers kan worden toegepast; dat die motivering geenszins beantwoordt aan de vereisten gesteld bij de wet van 29 juli 1991; dat, im- mers, stellen, zoals de verwerende partij doet, dat niet moet worden gemotiveerd waarom op kwalitatief vlak wordt afgeweken van de verleende adviezen en alles terug te voeren is tot een nieuwe beleidslijn, in dat verband niet volstaat; dat, daargelaten de vraag of het element “nieuwe beleidslijn” in de plaats kan komen of toegevoegd worden aan de criteria opgesomd in artikel 8 van het kunstendecreet, niet wordt verduidelijkt wat die nieuwe beleidslijn inhoudt; dat de tekst ervan niet bij de bestreden beslissing gevoegd is; dat zelfs indien verzoekster die beleidslijn, welke vervat zou zijn in de “beleidsnota cultuur 2004-2009", zou kennen, deze ook niet van een zodanige precisie is - overigens moet een werkgroep ze nog verder uitwerken - dat verzoekster louter door ze te raadplegen te weten kan komen waarom precies de Vlaamse Regering van gedetailleerde gunstige adviezen afwijkt, inzonderheid dat de door de Vlaamse Regering gemaakte overwegingen perfect opgaan ten aanzien van de verzoekende partij en zij dus op deugdelijke gronden heeft kunnen oordelen dat musicalorganisaties beter op andere wijzen worden ondersteund; dat het middel ernstig is; IX-5060-8/12 5.
  26. Overwegende dat verzoekster als moeilijk te herstellen ernstig nadeel aanvoert : “Dat volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State een louter pecuniair nadeel niet voldoende wordt geacht om als ‘moeilijk te herstellen ernstig nadeel’ in de zin van art. 17, par. 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden aanvaard, maar dat dergelijk financieel nadeel slechts als moeilijk te herstellen nadeel in aanmerking kan genomen worden wanneer aangenomen wordt dat het nadeel het voortbestaan van de vereniging bedreigt, bij zoverre dat de vernietiging van de bestreden beslissing en het daaropvolgend rechtsherstel voor de verzoekende partij geen onmiddellijk nut meer kan hebben. Het financieel nadeel dat verzoekster lijdt door de bestreden beslissing bedreigt wel degelijk haar voortbestaan. Het ontzeggen van overheidssteun voor de komende vier volgende jaren, moet immers in redelijkheid geacht worden, een zeer grote impact te hebben op de financiële planning en de werking van de vereniging. Derden die werden aangezocht om hun medewerking te verlenen als artistieke mentors kunnen niet jarenlang afwachten en hun professionele activiteiten afstemmen op een eventuele toekomstige subsidiëring van verzoe- kende partij. De vooropgestelde ‘prachtige plannen’ (zie advies beoordelings- commissie) zullen niet kunnen gerealiseerd worden zonder structurele overheids- subsidies. De middelen zullen ontbreken om een stevige organisatorische onderbouw te creëren, het hoogwaardig artistiek potentieel riskeert om weg te vloeien, de Vlaamse musical, buiten het commerciële circuit van de Engelstalige producties in de grote musicalgebouwen, zal niet meteen kunnen worden opgebouwd, spijts de vaststelling van de Beoordelingscommissie dat een dergelijk(e) instelling ontbreekt, waardoor de markt verder overspoeld zal worden door buitenlandse producties van bedenkelijk allooi (zie expliciete bewoordingen van Beoordelingscommissie Muziektheater). Het is daarbij niet uitgesloten dat sponsors afhaken, als gevolg van de positie die de Vlaamse Gemeenschap inneemt ten opzichte van het dossier van verzoekende partij. Verzoekster zal kunnen blijven bestaan, maar zal geen enkele activiteit kunnen ontwikkelen. Het vernietigen van de bestreden beslissing binnen enkele jaren, zal voor gevolg hebben dat alle projecten alsdan niet meer kunnen worden gerealiseerd. Een dergelijke neerwaartse spiraal is moeilijk, ja zelfs niet te herstellen, tenzij onmiddellijk wordt opgetreden door de schorsing te bevelen van de uitvoerbaarheid der aangevochten beslissing.”; 5.
  27. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd op zich geen reden kunnen zijn om het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te aanvaar- den; dat voorts, krachtens artikel 8, tweede lid, 5/, van het procedurereglement kort geding, de verzoekende partijen in hun verzoekschrift duidelijk en concreet dienen aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaan of dreigen te ondergaan, dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden en dat zij IX-5060-9/12 zich niet mogen beperken tot het weergeven van vaagheden en algemeenheden, maar concrete gegevens moeten aanbrengen die erop wijzen dat zij een persoonlijk moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaan of dreigen te ondergaan, terwijl bovendien het nadeel moet voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zelf; dat volgens de verwerende partij de verzoekende partij nalaat concreet aan te tonen in welke mate het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel veroorzaakt en dat zij bovendien uitdrukkelijk toegeeft dat het bestreden besluit niet voor gevolg heeft dat haar voortbestaan of financieel evenwicht ernstig in het gevaar wordt gebracht; dat, immers, uit het aanvraagdossier blijkt dat de verzoekende partij meer middelen uit de markt kan genereren (2.416.040,00 euro of 52,79%) dan de subsidies welke ze heeft aangevraagd bij de verwerende partij (2.161.000,00 euro of 47,21%), zodat het voortbestaan van de verzoekende partij en haar werking niet in het gedrang komt en dit des te meer geldt nu de verzoekende partij bij het opstellen van haar financieel plan geen rekening heeft gehouden met subsidiegelden via andere kanalen zoals stedelijke en provinciale overheden of de Nationale Loterij; dat er evenmin rekening is gehouden met inkomsten uit alternatie- ve kanalen zoals merchandising, vip-arrangementen, verkoop advertentieruimte; dat de verwerende partij er ook op wijst dat het bestreden besluit de musicalorganisaties zoals de verzoekende partij niet verhindert om een aanvraag voor projectsubsidies in te dienen voor de onderdelen uit het aanvraagdossier welke apart beschouwd geen eigen marktpotentieel in zich hebben, noch een economische return, terwijl het aan de verzoekende partij is om hiertoe enig initiatief te nemen; dat de verwerende partij daarbij aanstipt dat de ondersteuning van de cultuurindustrieën overigens op punt zal staan in 2006 zodat deze vorm van ondersteuning gelijk zal lopen met de ondersteuning voorzien in het kunstendecreet; 5.
  28. Overwegende dat een puur financieel nadeel in principe niet moeilijk te herstellen is, tenzij bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat dit wel het geval is; dat als zodanig in aanmerking kan worden genomen, de vaststelling dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van het bedrijf ernstig in gevaar brengt, bij zoverre dat de vernietiging van de bestreden beslissing en het daaropvolgend rechtsherstel voor de verzoekende partij geen onmiddellijk nut meer kan hebben; dat de verwerende partij weliswaar verwijst naar het aanvraagdossier waaruit blijkt dat verzoeksters inkomsten voor het jaar 2006 voor meer dan 50% eigen inkomsten zullen zijn, terwijl IX-5060-10/12 de subsidies zelf worden geraamd op ongeveer 47,21%; dat het gegeven dat verzoekster zelf voor eigen inkomsten zorgt echter niet tegen haar aangevoerd kan worden; dat zij hoe dan ook voor ongeveer de helft van haar werking aangewezen is op subsidie, waardoor zij een begroting in evenwicht kan voorstellen; dat het wegvallen van die subsidie meebrengt dat de helft van de uitgaven niet meer gedaan kunnen worden, wat bezwaarlijk een ander gevolg kan hebben dan dat zij haar werking zal moeten stopzetten of deze in die mate zal moeten beperken dat een zinvol voortbestaan in het gedrang komt; dat ook de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel vervuld is, BESLUIT: Artikel
  29. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2005 houdende de subsidiëring van kunstenorganisaties, organisaties voor kunsteducatie, organisaties voor sociaal-artistieke werking, periodieke publicaties en steunpunten in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009, van kunstenorganisaties, organisaties voor kunsteducatie, organisaties voor sociaal-artistieke werking en periodieke publicaties in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007, en van instellingen van de Vlaamse Gemeenschap in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december
  30. Artikel
  31. De vordering tot schorsing wordt voor het overige verworpen. Artikel
  32. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen januari 2000 en zes, door : IX-5060-11/12 de H. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-5060-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.326 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.637 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.