← België

Arrest 153337 - Tucht (openbaar ambt) - 09/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.337 Rolnummer: A. 165491/IX-5015 Zaak: Arrest 153337 - Tucht (openbaar ambt) - 09/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-16 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 08:09 Fiche Arrest nr 153.337 van 9 januari 2006 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.337 van 9 januari 2006 in de zaak A. 165.491/IX-

  1. In zake : Jean VAN KEMZEKE, die woonplaats kiest bij advocaat I. EXELMANS, kantoor houdende te KALMTHOUT, Kapellaan 9, bus 1 tegen : de stad ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jean VAN KEMZEKE op 27 augustus 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het besluit van 24 juni 2005 van de burgemeester van de stad Antwerpen waarbij hem de zware tuchtstraf van de inhouding van 6% van zijn wedde voor de periode van een maand wordt opgelegd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 10 oktober 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 28 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. EXELMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat C. DIERCKX die, loco advocaat P. VAN DER STRATEN verschijnt voor de verwerende partij; IX-5015-1/10 Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Verzoeker is hoofdinspecteur van politie bij de lokale politie Antwerpen. 1.
  4. Op 2 augustus 2004 richt de dienst Interne Zaken van de lokale politie Antwerpen een “onderzoeksverslag” aan de korpschef. Blijkens dat verslag : - vaardigde de onderzoeksrechter te Antwerpen op 25 maart 2004 een beschikking tot huiszoeking uit aan de leidende officier van de lokale politie Antwerpen, afdeling West; de opdracht werd daar evenwel niet uitgevoerd, aangezien de betrokken politieambtenaar zonder medeweten van de onderzoeksrechter contact opnam met de politiezone HEKLA met het verzoek om de huiszoeking uit te voeren; deze politiezone heeft dan contact opgenomen met de onderzoeksrechter, die een nieuw huiszoekingsbevel uitvaardigde; - beklaagde de onderzoeksrechter zich hierover bij de procureur des Konings, die met kantschrift van 19 april 2004 de dienst Interne Zaken verzocht bij de afdeling West na te gaan waarom zij de bevolen huiszoeking niet uitgevoerd hadden; - is uit dat onderzoek gebleken dat het huiszoekingsbevel afgegeven werd aan verzoeker; - verklaarde verzoeker dat er op dat ogenblik geen personeel beschikbaar was en dat hij - gezien de huiszoeking dringend moest uitgevoerd worden - contact opnam met de politiezone HEKLA. 1.
  5. Op 2 augustus 2004 richt de korpschef van de lokale politie Antwerpen - voor verzoeker de gewone tuchtoverheid - een brief aan de procureur des Konings, waarin hij vraagt om hem toestemming te verlenen tot gebruik en voeging van de gerechtelijke stukken in een tuchtprocedure. IX-5015-2/10 Met een brief van 2 september 2004 deelt de procureur des Konings aan de vervangend korpschef mee dat zijn ambt het vooronderzoek lastens verzoeker geseponeerd heeft. Hij voegt in bijlage een kopie van het geseponeerd dossier en verleent toelating om deze kopie te voegen en te gebruiken in een tuchtprocedure. 1.4.
  6. Op 15 september 2004 stelt de korpschef een voorafgaande onderzoeker aan. Blijkens het verslag van dat vooronderzoek bestond de bezetting van de wacht op het moment dat de fax met de opdracht van de onderzoeksrechter toekwam, uit een terreinondersteuner, een wachtverantwoordelijke, een bijstand wacht en een wachtassistent, was verzoeker op dat moment niet actief in de wachtdienst maar verrichte hij “plichtendienst” en kreeg hij de opdracht tot uitvoering van het kantschrift. Blijkens de bij het verslag gevoegde processen-verbaal van administratief verhoor, verklaart verzoeker dat hij er zich van bewust is dat een delegatie van een beschikking tot huiszoeking niet kan gebeuren zonder de uitdrukkelijke toestemming van de onderzoeksrechter, dat zijn betrachting was om het gevraagde zo snel mogelijk te laten uitvoeren, dat hij zich bewust is dat hij zelf de onderzoeksrechter had moeten raadplegen in plaats van de collega’s van de zone HEKLA, dat er geen enkele mogelijkheid was om zelf de huiszoeking uit te voeren vermits er geen personeel aanwezig was waar hij zelf kon over beschikken, dat het wachtpersoneel druk belast was met andere opdrachten, dat de zeggenschap over het patrouillepersoneel volledig onder de bevoegdheid valt van de officier van de radiokamer, dat hij als eerste handeling een wagen aan de radio-officier heeft gevraagd om de opdracht uit te voeren maar dat er volgens de officier TCK geen voertuigen voorhanden waren. 1.4.
  7. Op 26 oktober 2004 geeft de korpschef aan de voorafgaande onderzoeker de opdracht het onderzoek verder te zetten. Met name geeft hij de opdracht na te gaan of verzoeker inderdaad aan de officier radiokamer gevraagd heeft om een patrouillewagen ter beschikking te stellen, hoeveel wagens er toen ter beschikking van de interventie stonden en wie de opdracht aan verzoeker gaf om de huiszoeking uit te voeren. IX-5015-3/10 Blijkens het bijkomend verslag daarover : - kan de officier radiokamer zich de vraag van verzoeker niet meer herinneren; - waren er rond het tijdstip van de mogelijke vraag door verzoeker drie patrouilles van de afdeling West vrij om de eventuele opdracht te verrichten, wordt een interventiewagen normaal niet ingezet om een huiszoekingsbevel uit te voeren op een ander grondgebied maar dient de persoon die met een dergelijke opdracht wordt belast zelf een wagen te nemen; - kan de verantwoordelijke van de wachtdienst zich niet meer herinneren het kantschrift aan verzoeker te hebben gegeven, maar verklaart hij dat het de bedoeling is van de functie “plichtendienst” om dringende kantschriften uit te voeren; - waren er, naast de interventiepatrouilles, nog personeelsleden die eventueel beschikbaar waren om een huiszoeking te kunnen uitvoeren en verklaarden deze personeelsleden dat hen zulks niet werd gevraagd; - waren er volgens de dienstleiding West verschillende voertuigen ter beschikking van verzoeker indien nodig; - werd verzoeker met deze bevindingen geconfronteerd maar blijft hij bij zijn verklaring dat hij naar TCK heeft gebeld en dat er geen patrouille beschikbaar was. 1.5.
  8. Op 21 januari 2005 stelt de korpschef een inleidend verslag op lastens verzoeker. Hij is van mening : - dat het vaststaat dat verzoeker de zone HEKLA gecontacteerd heeft met de vraag om het huiszoekingsbevel uit te voeren, terwijl de beschikking tot huiszoeking was opgedragen aan de leidende officier van de lokale politie Antwerpen en er in de afdeling West voldoende personeel aanwezig was en er gebruik kon worden gemaakt van een voertuig; - dat verzoeker, door het huiszoekingsbevel niet uit te voeren, inbreuk pleegde op artikel III.II.4 RPPol en dat hij, door de beschikking tot huiszoeking te delegeren, zijn bevoegdheid te buiten ging en artikel 89bis van het Wetboek van Strafvordering negeerde, luidens hetwelk het verboden is een opdracht tot huiszoeking over te dragen; - dat, gezien de feiten, een zware tuchtstraf zich opdringt en dat hij daarom het inleidend verslag voor verder gevolg naar de burgemeester - in het geval van verzoeker de hogere tuchtoverheid - zendt. 1.5.
  9. Op 25 januari 2005 stelt de burgemeester een inleidend verslag op lastens verzoeker, waarin hij zijn voornemen kenbaar maakt om aan verzoeker de IX-5015-4/10 zware tuchtstraf van inhouding van 6% van de bruto maandwedde gedurende één maand op te leggen. 1.
  10. Op 2 maart 2005 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn verdediger, door de burgemeester gehoord. Op 8 maart 2005 stelt de burgemeester een ontwerp van voorstel van zware tuchtstraf op. Dat ontwerp wordt aan de procureur des Konings gestuurd, met de vraag een gemotiveerd advies uit te brengen. Op 22 maart 2005 deelt de procureur des Konings aan de burgemeester mee dat uit het dossier blijkt dat verzoeker dermate tekort kwam aan zijn ambtsplichten dat de tuchtoverheid een zware tuchtstraf kan opleggen, nu de tekortkoming zo ernstig is dat zij het verplicht vertrouwen in de waarde van een authentiek opgesteld proces-verbaal ernstig geschonden heeft en mogelijks de regelmatigheid van de gevoerde strafproce- dures ongunstig kan beïnvloeden. 1.
  11. Op 24 maart 2005 beslist de burgemeester een voorstel van de zware tuchtstraf van een inhouding van de bruto maandwedde met 6% gedurende één maand uit te spreken. 1.
  12. Op 31 maart 2005 dient de tuchtverdediger van verzoeker tegen dat voorstel een verzoekschrift tot heroverweging in bij de tuchtraad. 1.
  13. Op 17 mei 2005 adviseert de tuchtraad dat de tenlastelegging niet bewezen is. 1.
  14. Op 2 juni 2005 beslist de burgemeester om, in afwijking van het advies van de tuchtraad, het voorstel tot zware tuchtstraf van de inhouding van de bruto maandwedde met 6% gedurende één maand te behouden. 1.
  15. Nadat verzoeker zich tegen dat voorstel verweerd heeft, neemt de burgemeester van de stad Antwerpen op 24 juni 2005 de definitieve beslissing om aan verzoeker de zware tuchtstraf van de inhouding van de bruto maandwedde met 6% gedurende één maand op te leggen. IX-5015-5/10
  16. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  17. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna : de tuchtwet), doordat die bepaling slechts een tuchtprocedure mogelijk maakt wanneer de betrokkene tekort komt aan zijn beroepsplichten, terwijl hij geen enkele beroepsplicht geschonden heeft en de tuchtoverheid zelfs niet aantoont waarom de handeling die hem verweten wordt een laakbare tekortkoming uitmaakt; dat hij verduidelijkt dat niet elke beoordelingsfout een tuchtvergrijp vormt, maar enkel deze welke onverschoonbaar zijn en niet gemaakt zouden worden door het doorsnee-personeelslid; 3.
  18. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen vooreerst wijst op de onduidelijkheid van het middel, doordat verzoeker niet duidelijk maakt of hij hetzij de feiten hetzij de kwalificatie van de feiten betwist; dat zij stelt er in haar verweer van uit te gaan dat de kwalificatie van de feiten betwist wordt; dat zij vervolgens betoogt dat in het bestreden besluit wordt uiteengezet waarom de bewezen geachte feiten beroepsfouten zijn, dat zij op basis van de stukken van het dossier van oordeel is geweest dat de feiten bewezen waren en dat de kwalificatie ervan als tuchtfeit niet kennelijk onredelijk is, wat mede bewezen wordt door het feit dat ook de procureur des Konings, de inspecteur- generaal van de inspectie en de korpschef die mening toegedaan waren; 3.
  19. Overwegende dat, ingeval van onduidelijkheid, de Raad van State in een schorsingsprocedure het verzoekschrift onderzoekt zoals de verwerende partij het begrepen heeft; dat te dezen het eerste middel inderdaad dubbelzinnig geformu- leerd is; dat de verwerende partij terecht het middel gelezen heeft als het verkeerde- lijk kwalificeren als tuchtfeit van de misdraging van verzoeker; 3.4.
  20. Overwegende dat, volgens artikel 3 van de tuchtwet, elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt, een tuchtvergrijp vormt dat aanleiding kan geven tot het opleggen van een tuchtstraf; IX-5015-6/10 3.4.
  21. Overwegende dat blijkens de bestreden beslissing, waarin de vermeldingen van het inleidend verslag wordt overgenomen, aan verzoeker ten laste wordt gelegd vooreerst dat hij als officier-plichtendienst een huiszoekingsbevel zelf had moeten uitvoeren en vervolgens dat hij het huiszoekingsbevel voor uitvoering doorgeschoven heeft naar de zone HEKLA; dat verzoeker zich reeds in zijn eerste verweerschrift in het kader van de procedure voor de gewone tuchtoverheid op het standpunt geplaatst heeft dat hem hooguit een beoordelingsfout aangewreven kan worden en geen echte tekortkoming; dat, terwijl zowel de procureur des Konings als de inspecteur-generaal van de federale politie en van de lokale politie van oordeel waren dat verzoeker wel degelijk een tuchtrechtelijk strafbare gedraging had vertoond, de tuchtraad zich op het standpunt heeft geplaatst dat er slechts sprake was van een verschoonbare fout door de behandelende onderzoeksrechter niet in te lichten, terwijl zijn initiatief om een naburige zone bij de zaak te betrekken niet als een professionele fout gekwalificeerd kon worden; dat de verwerende partij de stelling van de tuchtraad niet bijgevallen is en dat zij de redenen daarvan zowel in haar intentiebesluit om van de tuchtraad af te wijken als in het bestreden besluit zelf uitvoerig verantwoord heeft; dat zij aldus besloten heeft, enerzijds, dat het niet uitvoeren van een opdracht van de onderzoeksrechter een beroepsfout vormt omdat een politieambtenaar de plicht heeft met de nodige ernst opdrachten van de onderzoeksrechter uit te voeren, omdat het evident is dat de politieambtenaar, wanneer hij bij de uitvoering moeilijkheden ondervindt, de onderzoeksrechter verwittigt teneinde hem in staat te stellen andere oplossingen te overwegen en omdat, door op eigen initiatief een andere politiezone bij een onderzoek te betrekken, hij de wettelijke vormvereisten van het strafonderzoek in het gedrang brengt en, anderzijds, wat betreft de vraag of het contacteren van een naburige politiezone als een professionele fout kan worden gezien, dat het niet aan verzoeker staat om zelf te bepalen wie een huiszoekingsbevel moet uitvoeren, terwijl hij, als officier van gerechtelijke politie, ook had moeten weten dat het bevel niet kon uitgevoerd worden door een agent van de zone HEKLA; 3.4.
  22. Overwegende dat de Raad van State slechts marginaal toezicht kan uitoefenen op de beslissingen waarbij een tuchtoverheid bepaalde feiten als een tuchtinbreuk kwalificeert; dat, ongeacht de vaststelling dat de gegevens van het onderhavig dossier misschien ook wel een ander besluit deugdelijk zouden kunnen onderbouwen -zoals blijkt uit de verschillende standpunten die in de loop van de besluitvorming geformuleerd zijn-, de gegevens van het dossier niet toelaten de IX-5015-7/10 beoordeling van de verwerende partij kennelijk onredelijk te bevinden; dat in de huidige stand van de rechtspleging het middel niet ernstig is; 4.
  23. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel aanvoert, samengevat, dat de verwerende partij de tuchtprocedure opgestart heeft zonder in het bezit te zijn van de toelating tot inzage van het strafdossier dat door de gerechtelijke overheid werd samengesteld; 4.
  24. Overwegende dat uit de stukken van het dossier blijkt dat de verwerende partij reeds vooraleer het inleidend verzoekschrift werd opgesteld -zelfs vooraleer het voorafgaand onderzoek werd uitgevoerd- over de voor het gebruik van stukken uit een gerechtelijk dossier vereiste toestemming van de procureur-generaal beschikte; dat het middel feitelijke grondslag ontbeert; 5.
  25. Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van de formele en de materiële motiveringsverplichting doordat de verwerende partij het advies van de tuchtraad volledig naast zich neergelegd heeft en zij daarvoor geen nieuwe argumenten aanvoert die niet reeds door de tuchtraad in zijn advies waren betrokken; 5.
  26. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen tegenoverstelt dat de verwerende partij wel degelijk uiteengezet heeft waarom zij wenste af te wijken van het advies van de tuchtraad zodat, vanuit formeel oogpunt, de bestreden beslissing wel degelijk gemotiveerd is; dat zij, wat betreft de materiële motivering, betoogt dat het advies van de tuchtraad de tuchtoverheid niet absoluut bindt en dat de aangehaalde motieven niet kennelijk onredelijk zijn; dat zij ook betwist dat de tuchtoverheid, wanneer zij afwijkt van het advies van de tuchtraad, een nieuwe argumentatie zou moeten ontwikkelen; 5.
  27. Overwegende dat het advies van de tuchtraad een belangrijk stuk in de besluitvorming is; dat evenwel zulks niet belet dat het bestuur de mogelijkheid heeft om van dat advies af te wijken, mits zij daarvoor deugdelijke redenen opgeeft; dat in dit geval de verwerende partij de afwijking van het advies verantwoord heeft; dat die motivering valabel is; dat voorts niet wordt ingezien waarom het bestuur alleen maar van het advies van de tuchtraad zou mogen afwijken wanneer het IX-5015-8/10 daarvoor kan steunen op argumenten waarvan de tuchtraad geen kennis genomen heeft; dat het middel niet ernstig is; 6.
  28. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel machtsafwending aanvoert doordat het bestreden besluit in wezen steunt op zijn syndicale activiteiten; 6.
  29. Overwegende dat het middel van machtsafwending slechts kan aangenomen worden wanneer overeenstemmende gegevens aannemelijk maken dat het bestuur de bevoegdheid die de wet haar verleent aangewend heeft -en dan nog uitsluitend- voor een ander oogmerk; dat in dit geval vastgesteld kan worden dat de tuchtzaak tegen verzoeker opgestart is na een klacht van de onderzoeksrechter bij de procureur des Konings; dat die vaststelling alleen reeds de stelling van verzoeker, dat het bestuur hem wilde straffen voor zijn optreden als syndicaal afgevaardigde, van elke ernst ontbloot; dat het middel niet ernstig is; 7.
  30. Overwegende dat verzoeker in het vijfde middel opnieuw aanvoert dat de tuchtprocedure enkel opgestart werd om hem persoonlijk te treffen en niet om vermeende tuchtfeiten te bestraffen, dat de verwerende partij het evenredigheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden heeft door onmiddellijk een tuchtprocedure tegen hem op te starten, door aldus de mogelijkheden die een evaluatiegesprek boden te negeren en zijn belangen nodeloos te schaden; 7.
  31. Overwegende, opnieuw, dat verzoeker niet aantoont dat het bestuur andere oogmerken had dan hem te straffen voor de feiten die zij als tuchtinbreuken heeft gekwalificeerd; dat verzoeker ook niet aantoont waarom de bevoegde overheid, wanneer zij inbreuken op de tucht vaststelt, toch zou moeten overwegen, uit respect voor de belangen van de betrokkene, de aangelegenheid met een andere minder vergaande administratieve maatregel, die overigens een gans andere juridische draagwijdte heeft, te beslechten; dat ook dit middel niet ernstig is, BESLUIT: Artikel
  32. De vordering tot schorsing wordt verworpen. IX-5015-9/10 Artikel
  33. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen januari 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5015-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.337 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.131 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.