← België

Arrest 153367 - - 09/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.367 Rolnummer: A. 118954/XIV-9324 Zaak: Arrest 153367 - - 09/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 08:10 Fiche Arrest nr 153.367 van 9 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.367 van 9 januari 2006 in de zaak A.118.954/XIV-9324. In zake : 1. XXX, 2. XXX, die optreden in eigen naam alsook als wettige vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen: 3. XXX, 4. XXX, 5. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat D. VANTOMME, kantoor houdende te 8560 WEVELGEM, Kortrijkstraat 161 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 31 januari 1972, en XXX, geboren op 11 november 1971, en beiden van Witrussische nationaliteit, in eigen naam alsook in naam van hun minderjarige kinderen XXX, geboren 12 oktober 1990, XXX geboren op 19 juni 1994 en XXX, geboren op 27 juni 2000, en allen van Witrussische nationaliteit, op 29 maart 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 februari 2002 waarbij de aanvraag tot verblijf in toepassing van artikel 9, lid 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk werd verklaard, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 8 maart 2002; Gelet op de beschikking van 8 april 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag dd. 26 mei 2004 opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen XIV-9324-1/8 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 27 mei 2004; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 1 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 oktober 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat D. VANTOMME, verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. XXX komt België binnen op 30 april 1999 en verklaart zich vluchteling op 4 mei 1999. XXX, echtgenote van verzoeker, komt, samen met hun twee kinderen Margarita en Nikita, België binnen op 15 augustus 1999 en verklaart zich vluchteling op 18 augustus 1999. 1.2. Op 21 juni 1999 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 29 februari 2000 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. 1.4. Op 3 maart 2000 dienen de verzoekende partijen een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, lid 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondge- bied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). XIV-9324-2/8 1.5. Op 27 juni 2000 wordt Milena geboren te Kortijk. 1.6. Op 18 augustus 2000 verklaren de verzoekende partijen zich een tweede maal vluchteling. 1.7. Op 4 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard, en die aan de verzoekende partijen op 16 januari 2001 wordt ter kennis gebracht. 1.8. Op 4 juli 2001 dienen de verzoekende partijen een tweede maal een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet. 1.9. Op 28 februari 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 8 maart 2002. Dit is de bestreden beslissing, die als volgt is gemotiveerd : “(...) in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Redenen : er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. De problemen in zijn land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen door het CGVS op 29/02/2000. Een eerste aanvraag van art. 9.3 op 27/03/2000 werd eveneens afgewezen op 04/01/2001. Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Betrokkenen dienden een tweede asielaanvraag in bij DVZ op 18/08/2000. Deze aanvraag is nog lopende en betrokkene(

  1. n)lieten na in te gaan op uitnodiging tot verhoor. Het feit dat betrokkenen Nederlands spreken(,) (en dat) zij volledig geïntegreerd zijn in de Belgische maatschappij, is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag tot regularisatie op grond van art. 9.3 van de wet van 1980 in België wordt ingediend. Niets verhindert betrokkenen immers zich te schikken naar (
  2. de)vigerende wetten met betrekking tot de toegang, het verblijf en de vestiging op Belgisch grondgebied, te weten: de vereiste vragen bij de diplomatieke overheden bevoegd voor het verblijf. Ook de aanwezigheid van drie kinderen in België waarvan er twee naar school gaan wijzigt niets aan bovenstaande beslissing. Op 20/08/2001 werd aan Mevrouw XXX door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een aanvraag tot een arbeidsvergunning geweigerd. Mijnheer XXX zou een voorlopige toelating tot tewerkstelling verleend geweest zijn maar betrokkene legt geen arbeidskaart voor. Er moet worden opgemerkt dat betrokkenen geen recht hebben op werk daar zij niet ontvankelijk werden verklaard in de asielprocedure. (...)”. XIV-9324-3/8 2. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1 Overwegende dat verzoekers in een eerste middel de schending aanvoeren van “de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandeling, en schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel en schending van artikel 9, 3de alinea van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980"; Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat de bestreden beslissing karig en onvoldoende is gemotiveerd; dat verzoekers stellen dat zij wel degelijk voldoen aan de voorwaarden van artikel 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet; dat verzoekers betogen dat zij zich op het ogenblik van hun aanvraag in buitengewone omstandigheden bevonden; dat verzoekers uiteenzetten dat Margarita en Nikita school lopen in Kortrijk, zodat het niet mogelijk is hun studies te onderbreken voor een langer verblijf in het land van herkomst om aldaar het antwoord op hun aanvraag tot machtiging van voorlopig verblijf af te wachten; dat verzoekers verwijzen naar “hun lange en ononderbroken integratie”; dat verzoekers aanvoeren dat hun dochter Milena te jong is om terug te worden gestuurd naar het land van herkomst; dat verzoekers tenslotte stellen dat hun aanwezigheid in België steeds is gedoogd geworden, dat ze hebben gewerkt en dat ze OCMW-steun genieten; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat het middel dat verzoekers putten uit de schending van “de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandeling”, niet voldoende duidelijk en precies is omschreven, vermits verzoekers hebben nagelaten te vermelden welke specifieke wetsbepaling zij geschonden achten; dat de verwerende partij stelt dat er geen sprake kan zijn van een middel in de zin van artikel 20 , lid 2, 2/ van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de verwerende partij betoogt dat aan de formele motiveringsvereiste is voldaan; dat de verwerende partij uiteenzet dat de in de bestreden beslissing vermelde overwegingen aan de verzoekende partijen toelaten te achterhalen waarom hun aanvraag om machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden onontvankelijk is verklaard door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken; dat de verwerende partij aanvoert dat verzoekers niet specifiëren welk aspect van het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden wordt; dat de verwerende partij stelt dat artikel 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet niet werd ingevoerd om illegaal in het Rijk verblijvende vreemdelingen de mogelijkheid te bieden alsnog een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden te bekomen; dat de verwerende partij betoogt dat verzoekers, in wiens land van herkomst de Belgische diplomatieke overheden aanwezig zijn, artikel 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet niet kunnen inroepen; dat de verwerende partij stelt dat de beschouwingen van verzoekers met betrekking tot hun integratie niet dienstig kunnen XIV-9324-4/8 worden aangevoerd; dat de verwerende partij uiteenzet dat terecht is geoordeeld dat in het kader van de aanvraag tot verblijfsmachtiging, niet meer kon worden ingegaan op de elementen die verzoekers reeds hadden ingeroepen in het kader van hun asielaanvragen, en die reeds als ongeloofwaardig werden aangemerkt, gelet op de verschillende tegenstrijdigheden in het asielrelaas; dat de verwerende partij besluit dat het eerste middel onvoldoende is onderbouwd om als ontvankelijk te worden beschouwd; Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord verwijzen naar het initieel verzoekschrift; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkenen een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat zij in staat zijn te weten of het zin heeft zich tegen die beslissingen te verweren met de middelen die het recht hen verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissingen kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat artikel 9, derde lid, van voormelde wet als algemene regel bepaalt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden het hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat hieruit volgt dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat deze buitengewone omstandigheden niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; Overwegende dat de toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : 1. wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft : of er buitengewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn; zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; XIV-9324-5/8 2. wat de gegrondheid van de aanvraag betreft : of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven; desbetreffend beschikt de bevoegde Minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; Overwegende dat, vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond was om verzoekers een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij moest nagaan of hun aanvraag wel regelmatig was ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de betrokken vreemdelingen klaar en duidelijk in hun aanvraag moeten vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hen verhinderen hun verzoek bij de diplomatieke dienst of consulaire overheid in het buitenland in te dienen; dat uit hun uiteenzetting moet blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde uitvoerig zijn ingegaan op door verzoekers aangehaalde elementen; dat de Minister van Binnenlandse Zaken in de bestreden beslissing stelt dat de aanwezigheid van drie kinderen in België waarvan er twee naar school gaan, geen buitengewone omstandigheid uitmaakt; dat het feit dat betrokkenen Nederlands spreken en dat zij volledig geïntegreerd zijn in de Belgische samenleving, op zich niet uitzonderlijk is, en niet verantwoordt dat de regularisatieaanvraag wordt ingediend op grond van artikel 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet; dat, met betrekking tot de door verzoekers aangevoerde tewerkstelling, de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken opmerkt dat aan verzoekster een aanvraag tot een arbeidsvergunning werd geweigerd en dat verzoeker, hoewel hem een voorlopige toelating tot tewerkstelling werd verleend, er niet in slaagt een arbeidskaart voor te leggen; dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken opmerkt dat verzoekers geen recht hebben op werk vermits zij onontvankelijk werden verklaard in de asielprocedure; dat, met betrekking tot de tweede asielaanvraag, de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken stelt dat deze aanvraag, op het ogenblik waarop de bestreden beslissing werd genomen, nog hangende was, en dat verzoekers nalieten in te gaan op de uitnodiging tot verhoor; dat het feit dat het anderhalf jaar heeft geduurd alvorens een beslissing werd genomen omtrent hun tweede asielaanvraag, door verzoekers niet expliciet werd aangevoerd als buitengewone omstandigheid in hun aanvraag om machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden; dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken hierop dan ook niet expliciet diende in te gaan in de bestreden beslissing; dat dit eveneens geldt voor de jonge leeftijd van Milena en voor het feit dat verzoekers OCMW-steun genoten; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanvraag van verzoekers grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van het dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, afdoende en pertinente motieven; dat het eerste middel ongegrond is; XIV-9324-6/8 2.2. Overwegende dat verzoekers in een tweede middel de schending aanvoeren van artikel 3, lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen te New York op 20 november 1989 en goedgekeurd bij wet van 25 november 1991, en van artikel 3 en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken geen rekening heeft gehouden met hun kinderen; dat verzoekers stellen dat staten die partij zijn bij het Kinderrechtenverdrag, bij het nemen van een maatregel steeds moeten uitgaan van het belang van het kind; dat verzoekers uiteenzetten dat hun kinderen in België naar school gaan, dat zij enkel Nederlands kunnen lezen en schrijven, dat zij zeer nauwe banden hebben met België en dat zij geen enkele band hebben met hun land van herkomst; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat de door verzoekers ontwikkelde kritiek feitelijke grondslag mist, nu zij er lijken van uit te gaan dat de kinderen, ingevolge de bestreden beslissing, geen toekomst meer hebben als zij dienen terug te gaan naar het land van herkomst; dat verzoekers geen argumenten aanhalen om dit aannemelijk te maken; dat de bestreden beslissing niet met zich meebrengt dat de kinderen van hun ouders zouden worden gescheiden; Overwegende dat voor de analyse van dit middel kan worden verwezen naar de analyse van het eerste middel, waaruit blijkt dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op goede gronden heeft beslist dat de aanwezigheid van drie kinderen in België, waarvan er twee naar school gaan, niets wijzigt aan de bestreden beslissing; dat de kinderen door de bestreden beslissing niet van hun ouders worden gescheiden; dat verzoekers reeds van 16 januari 2001 illegaal op het grondgebied verblijven; dat dit onderdeel van het tweede middel niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; Overwegende dat waar verzoekers de schending aanvoeren van de artikelen 6 en 8 van het E.V.R.M., wordt overwogen dat verzoekers zich beperken tot het summier aanhalen van de bepalingen die zij geschonden achten, zonder aan te duiden op welke wijze deze bepalingen door de bestreden beslissing werden geschonden; dat verzoekers hun grief geenszins betrekken op de bestreden beslissing, noch ondersteunen met concrete en pertinente gegevens en derhalve niet aannemelijk maken dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de bestreden beslissing niet op goede gronden heeft genomen; dat dit onderdeel van het tweede middel onvoldoende is uitgewerkt; XIV-9324-7/8 Overwegende dat het tweede middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen januari tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-9324-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.367 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.