← België

Arrest 153385 - - 10/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.385 Rolnummer: A. 139185/XIV-15962 Zaak: Arrest 153385 - - 10/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 08:10 Fiche Arrest nr 153.385 van 10 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.385 van 10 januari 2006 in de zaak A. 139.185/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. QUINTELIER, kantoor houdende te 2140 ANTWERPEN, Plantin & Moretuslei 141 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oekraïense nationaliteit, op 10 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten en “het daaropvolgende uitwijzingsbevel van de Dienst Vreemdelingen”; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 18 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 28 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 december 2005; XIV-15.962-1/8 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat R. QUINTELIER verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Oekraïense nationaliteit, is België binnengekomen op 28 december 1998 en heeft zich op 29 december 1998 vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 29 juni 1999 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 2 december 1999 komt verzoeker opnieuw België binnen waar hij zich op 3 december 1999 een tweede maal vluchteling verklaart. 1.
  6. Op 28 juni 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 5 juni 2003 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. Deze beslissing luidt als volgt : “A. Vluchtrelaas U, een Oekraïens staatsburger, diende op 29 december 1998 een eerste asielaanvraag in bij de Belgische autoriteiten onder de naam XXX (O.V. 4.799.214). Op 29 juni 1999 besliste de Dienst Vreemdelingenzaken tot weigering van verblijf aangezien u geen gevolg had gegeven aan de oproeping of aan het verzoek om inlichtingen. U diende hiertegen geen beroep in bij het Commissariaat-Generaal. Op 03 december 1999 diende u onder dezelfde naam een tweede asielaanvraag in bij de Belgische autoriteiten. Op 28 juni 2000 besliste de Dienst Vreemdelingenzaken tot weigering van verblijf aangezien u opnieuw had nagelaten gevolg te geven aan de oproeping of aan het verzoek om inlichtingen. U tekende hiertegen beroep aan bij het Commissariaat-generaal op 04 september
  8. Uw dossier was nog hangende bij het Commissariaat-generaal toen u echter op 23 november 2000 een nieuwe asielaanvraag XIV-15.962-2/8 indiende bij de Dienst Vreemdelingenzaken, deze keer onder de naam Vassili BAZIOUK. U verklaarde bij uw laatste poging tot een nieuwe asielaanvraag (dd. 23 november 2000) dat dit uw eerste asielaanvraag was in België (DVZ, nr.16) en dat u pas op 8 november 2000 Oekraïne verlaten had (DVZ, nr.41). Uit uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken bleek dat u Oekraïne verliet omwille van familiale redenen: de minnaar van uw echtgenote bedreigde u (DVZ, nr.42). U kon nergens anders in Oekraïne gaan wonen omdat u daarvoor de middelen niet had (DVZ, nr.42). U legde geen enkel document voor ter staving van uw identiteit en relaas. De Dienst Vreemdelingenzaken echter ontdekte na controle van uw identiteit via uw vingerafdrukken dat u dezelfde persoon was als XXX. Uw laatste asielaanvraag bij de Dienst Vreemdelingenzaken werd daarom niet in overweging genomen. B. Motivering Uw nieuwe poging tot asielaanvraag (dd. 23 november 2000) onder een volledig andere identiteit (naam, geboortedatum) toont aan dat u sinds uw eerste asielaanvraag in 1998 moedwillig de Belgische autoriteiten heeft bedrogen en gepoogd hen te misleiden. U maakte tijdens uw laatste poging ook geen melding van de vorige asielaanvragen. U geeft hiervoor geen enkele verklaring. Om deze reden dient uw tweede asielaanvraag –de asielaanvraag waarvoor u beroep had ingediend bij het Commissariaat-generaal op 4 september 2000- op grond van het “fraus omnia corrumpit"-beginsel als bedrieglijk te worden beschouwd en kan er in hoofde van u niet gesproken worden van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève van 28 juli
  9. Aangezien het bedrieglijk karakter van uw asielaanvraag reeds duidelijk blijkt uit uw voorgaande verklaringen en het onderzoek door de Dienst Vreemdelingenzaken, ben ik van oordeel dat het niet nodig is u te horen. Het door u neergelegde document (rijbewijs) kan, gelet op de bedrieglijkheid van uw asielaanvraag, bovenstaande conclusie niet wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. 1.
  10. Op 10 november 2000 komt verzoeker opnieuw België binnen waar hij zich op 23 november 2000 een derde maal vluchteling verklaart onder naam Vassili Baziouk..
  11. Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat, in zoverre het beroep tot nietigverklaring betrekking heeft op het “daaropvolgende uitwijzingsbevel van de Dienst Vreemdelingenzaken”, dit beroep geen voorwerp heeft; dat uit het overgelegde administratief dossier blijkt dat er geen op de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen volgend “uitwijzingsbevel” van de Dienst Vreemdelingenzaken is genomen;
  12. Over de gegrondheid van het beroep. XIV-15.962-3/8 3.
  13. Overwegende dat verzoeker als middelen aanvoert : “
  14. Schending Van De Beginselen Van Behoorlijk Bestuur: Zorgvuldigheidsplicht "Bij de vaststelling en waardering van de feiten, waarop het besluit rust, moet de nodige zorgvuldigheid worden betracht (SUETENS, L.P. en BOES, M., Administratief Recht, Leuven, ACCO, 1990, 31)" "Ambtenaren mogen zich niet gedragen als slecht geprogrammeerde automaten (R.v.St., REESKENS, nr 20.602, 30 september 1980, R.W., 1981-82, 36, met noot LAMBRECHTS, W.). De Raad van State eist dat de overheid tot haar voorstelling van de feiten (R.v.St. SPELEERS, nr 21.037, 17 maart 1981) en tot de feitenvinding (R.v.St., VAN KOUTER, nr 21.094,17 april 1981) komt met inachtneming van de zorgvuldigheidsplicht. Uit de zorgvuldigheidsplicht bij de feitenvinding vloeit voort dat in beginsel geen feiten als bewezen of niet bewezen worden beschouwd zonder bij de betrokkene direkt en persoonlijk inlichtingen te vragen of hem in de gelegenheid te stellen de stukken over te leggen die naar zijn oordeel zijn voorstelling van de feiten of van zijn toestand geloofwaardig maken (R.v.St., THIJS, nr 24.651, 18 september 1984, R.W., 1984-85, 946) (LAMBRECHTS, W., Geschillen van bestuur, 43). * Op 10 juni 2003 betekent de Dienst Vreemdelingenzaken verzoeker via de Commissaris-generaal een bevel om het grondgebied te verlaten binnen de vijf dagen. Dit bevel kwam echter tot stand zonder enig direkt en persoonlijk contact met verzoeker. De Dienst vreemdelingenzaken gaat hier volledig naast de eigenheid van het dossier, doch gaat automatisch voort op de bevindingen van de Commissaris-generaal. Er dient gelet op de bestreden beslissing, waarbij het bevel om het grondgebied te verlaten dd. 28 juni 2000 van de Dienst Vreemdelingenzaken wordt bevestigd, voor verzoeker zijn leven te worden gevreesd. * De Dienst Vreemdelingenzaken betekent de bestreden beslissing in het Nederlands, terwijl verzoeker deze taal onmachtig is. * Verzoeker zijn dringend beroep werd door de Commissaris-generaal onontvankelijk en ongegrond verklaard, zonder dat hem de kans werd gegeven haar persoonlijke situatie te benadrukken. Ook naar aanleiding van de procedure voor de Dienst Vreemdelingenzaken werd aan verzoeker niet voldoende de kans gegeven zijn situatie toe te lichten. De bestreden akte van de Commissaris-generaal is dus veel te algemeen en bijgevolg komt men tekort aan de zorgvuldigheidsplicht. * Daarenboven gaat de Commissaris-generaal zijn bevoegdheid te buiten, wanneer hij de bestreden beslissing baseert op art. 52 Wet 15.12.
  15. Dit artikel is immers voorbehouden voor de Dienst Vreemdelingenzaken. De Commissaris-generaal overschrijdt hier op een tergende wijze zijn bevoegdheid.
  16. Schending van de Wet betreffende uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (Wet 29.07.1991) "Deze wet schrijft voor dat de overheid op straffe van onwettigheid van de beslissing in de akte die de beslissing zelf bevat ook de motivering voor deze beslissing moet opnemen; Deze motivering moet bestaan uit de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen; De motivering moet daarenboven afdoende zijn, dit wil zeggen draagkrachtig en deugdelijk..." "Vage, duistere of niet terzake dienende uitleg, onduidelijke, onnauwkeurige, ongeldige of niet-plausibele motivering, stereotiepe, geijkte of gestandaardiseerde motiveringen zijn niet afdoende (VAN HEULE, D., Vluchtelingen : Een overzicht na de Wet van 6 mei 1993, Gent, Mys en Breesch, 1993, 78 en VAN HEULE, D., De Motiveringsplicht en de Vreemdelingenwet, T. V.R., 1993/2, 67-71)" De beslissing van de Commissaris-generaal is het voorbeeld van een stereotiepe, geijkte- en gestandaardiseerde motivering. De beslissing van de Commissaris-generaal is enkel en alleen gebaseerd op de afwezigheid van verzoeker en andere proceduriële elementen zonder dat verzoeker de kans werd gegeven enige toelichting te geven. Een individuele benadering van het specifiek geval van verzoeker ontbreekt hier in elk geval. De beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staat(s)lozen is in strijd met de Wet van 29 juli 1991.”; XIV-15.962-4/8 3.2.1.1.
  17. Overwegende dat in een eerste middel verzoeker de schending aanvoert van de zorgvuldigheidsplicht; dat in wat als een eerste onderdeel kan worden beschouwd, verzoeker betoogt dat “de dienst Vreemdelingenzaken (...) verzoeker via de Commissaris- generaal een bevel om het grondgebied te verlaten binnen de vijf dagen (betekent)”, dat dit bevel tot stand kwam “zonder enig direct en persoonlijk contact met verzoeker” en dat “de dienst Vreemdelingenzaken (...) hier volledig naast de eigenheid (gaat) van het dossier, doch (...) automatisch voort(gaat) op de bevindingen van de Commissaris-generaal”; 3.2.1.1.
  18. Overwegende dat dit onderdeel van het middel betrekking heeft op het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten waartegen het beroep tot nietigverklaring, bij gebrek aan voorwerp, niet ontvankelijk is; 3.2.1.2.
  19. Overwegende dat in wat als een tweede onderdeel kan worden beschouwd, verzoeker betoogt dat de Dienst Vreemdelingenzaken de bestreden beslissing betekent in het Nederlands, terwijl de verzoekende partij deze taal onmachtig is; 3.2.1.2.
  20. Overwegende dat niet de Dienst Vreemdelingenzaken, maar wel de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de bestreden beslissing heeft betekend; dat in die mate het onderdeel feitelijke grondslag mist; dat deze kritiek bovendien geen betrekking heeft op de wettigheid van de bestreden beslissing, maar op de wijze van betekening of kennisgeving van de bestreden beslissing; 3.2.1.3.
  21. Overwegende dat in een derde onderdeel van het eerste middel verzoeker betoogt dat het zorgvuldigheidsbeginsel wordt geschonden doordat hem door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet “de kans werd gegeven zijn persoonlijke situatie te benadrukken” en dat de bestreden beslissing “dus veel te algemeen (is) en bijgevolg (...) tekort (komt) aan de zorgvuldigheidsplicht”; dat verzoeker ook stelt dat “naar aanleiding van de procedure voor de Dienst Vreemdelingenzaken (...) aan verzoeker niet voldoende de kans (werd) gegeven zijn situatie toe te lichten”; 3.2.1.3.
  22. Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet verplicht is de kandidaat-vluchteling mondeling te horen, indien hij van oordeel is dat hij over voldoende elementen beschikt om zijn beslissing op zorgvuldige wijze voor te bereiden en op afdoende wijze te motiveren; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beweegreden om verzoeker niet te horen uitdrukkelijk uiteenzet in de bestreden beslissing; dat in casu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft geoordeeld dat een verhoor niet dienstig was voor het nemen van zijn beslissing, aangezien het bedrieglijk karakter van zijn asielaanvraag reeds duidelijk blijkt uit zijn voorgaande verklaringen en het onderzoek door de Dienst Vreemdelingenzaken; dat uit verzoekers dossier blijkt dat deze moedwillig de Belgische autoriteiten heeft bedrogen en gepoogd te misleiden; dat, gelet op de devolutieve kracht van XIV-15.962-5/8 het in artikel 63/2 van de Vreemdelingenwet bedoeld dringend beroep bij de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, de kritiek van de verzoekende partij op de procedure voor de Dienst Vreemdelingenzaken niet relevant is; 3.2.1.4.
  23. Overwegende dat in wat als een vierde onderdeel van het eerste middel kan worden beschouwd, de verzoekende partij betoogt dat het zorgvuldigheidsbeginsel wordt geschonden doordat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn bevoegdheid overschrijdt door de bestreden beslissing te baseren op artikel 52 van de Vreemdelingenwet; 3.2.1.4.
  24. Overwegende dat op grond van artikel 63/2, § 1, van de Vreemdelingenwet een dringend beroep kan ingesteld worden bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tegen de beslissing waarbij de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde, met toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, het verblijf of de vestiging in het Rijk weigert aan de vreemdeling die zich vluchteling verklaart; dat volgens hetgeen bepaald wordt in artikel 63/3, eerste lid, van dezelfde wet de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de aangevochten beslissing ofwel kan bevestigen ofwel beslissen dat een verder onderzoek noodzakelijk is; dat het voornoemde artikel 63/2 niet uitdrukkelijk de gronden vermeldt waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing kan bevestigen, dan wel beslissen dat een verder onderzoek noodzakelijk is; dat wanneer de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in hoger beroep oordeelt, hij dezelfde beoordelingsbevoegdheid heeft als die waarover de Minister van Binnenlandse Zaken in eerste aanleg beschikt; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij het nemen van de in artikel 63/3, eerste lid, van de Vreemdelingenwet bepaalde beslissing, rechtmatig kan steunen op de in artikel 52 van de Vreemdelingenwet bepaalde ontvankelijkheidsgronden; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen derhalve zijn bevoegdheid niet overschrijdt door zijn beslissing te gronden op de in artikel 52 van de Vreemdelingenwet bepaalde grond; dat dit vierde onderdeel niet gegrond is; 3.2.1.
  25. Overwegende dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 3.2.2.
  26. Overwegende dat in een tweede middel de verzoekende partij de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 3.2.2.
  27. Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 de administratieve overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een XIV-15.962-6/8 “afdoende” wijze; dat indien, zoals de verzoekende partij aanvoert, een beslissing een “voorbeeld van een stereotiepe, geijkte- en gestandaardiseerde motivering” zou zijn, dit louter feit op zich alleen nog niet betekent dat de bestreden beslissing niet naar behoren gemotiveerd is; dat de bewering dat de verzoekende partij geen kans werd gegeven enige toelichting te geven en dat een individuele benadering zou ontbreken, op zich niet kan aantonen dat niet is voldaan aan de formele motiveringsplicht; dat de bestreden beslissing duidelijk de reden vermeldt waarop de beslissende overheid haar beslissing steunt; dat in de motivering van de bestreden beslissing immers wordt verwezen naar het feit dat de verzoekende partij moedwillig de Belgische autoriteiten heeft misleid en bedrogen door onder een volledig andere identiteit opnieuw asiel aan te vragen; dat verzoeker hiervoor geen verklaring geeft; dat de verzoekende partij niet duidelijk maakt op welk punt deze motivering haar niet in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de door haar bestreden beslissing is genomen; dat het tweede middel niet gegrond is;
  28. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  29. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  30. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-15.962-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.962-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.385 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.