id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.388 Rolnummer: A. 165711/XII-4527 Zaak: Arrest 153388 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 10/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-18 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 08:10 Fiche Arrest nr 153.388 van 10 januari 2006 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.388 van 10 januari 2006 in de zaak A. 165.711/XII-
- In zake : Karel BUNTINX, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat Openbaar Ambt (VSOA), met zetel te 1070 Brussel, Pointcarélaan 72-74 tegen :
- het GEMEENSCHAPSONDERWIJS,
- de VLAAMSE GEMEENSCHAP. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Karel Buntinx op 2 september 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van : “C de beslissing dd. 9 juni 2004 van het College van Directeurs van de Scholengroep 14, zoals bekendgemaakt aan verzoekende partij per aangetekend schrijven dd. 4 juli 2005, waarbij de afwezigheden van verzoekende partij op 22, 23, 28, 29 en 30 januari 2004 als ongewettigd worden beschouwd - i.e. de eerste bestreden beslissing; C de beslissing, zonder datum, van het Werkstation 13, Departement Onderwijs, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, zoals aangepast overeenkomstig de brief dd. 5 juli 2005, waarbij de wedde van verzoekende partij voor januari 2004 werd herzien - i.e. de tweede bestreden beslissing”; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de eerste verwerende partij en het administratief dossier, neergelegd door de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur -afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; XII-4527-1/4 Gelet op de beschikking van 14 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 december 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van adjunct van de directeur P. Michiels, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het college van directeurs op 9 juni 2004 beslist om de afwezigheid van verzoeker -vast benoemd leraar aan de secundaire school voor buitengewoon secundair onderwijs “De Richter” van het Gemeenschaps- onderwijs te Gent- op 22, 23, 28, 29 en 30 januari 2004 “als ongewettigd te catalogeren” wegens “het niet naleven van de regelgeving inzake afwezigheden wegens ziekte”, om het verantwoordelijke werkstation van het departement Onderwijs in te lichten en om het dossier voor verdere behandeling aan de raad van bestuur te sturen, die “een tuchtmaatregel [kan] opleggen of voorstellen”; Overwegende dat het werkstation 13 van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap blijkbaar als gevolg van de voornoemde beslissing op een onbekende datum besluit om de weddetoelage van verzoeker voor januari 2005 met een overeenkomstig bedrag te verminderen, wat effectief gebeurt bij de uitbetaling van de wedde van juni 2005, met andermaal een regularisatie bij de betaling van de wedde van juli 2005; Overwegende dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de door de eerste verwerende partij opgeworpen exceptie uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; XII-4527-2/4 Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker “een ernstig financieel nadeel” doet gelden, met name “bijna de helft van een maandwedde” en ook een moreel nadeel, waar hij namelijk het ongewettigd afwezig verklaren “de facto als een blaam” percipieert; dat hij nader toelicht dat de directrice tegen hem een klacht wegens pesterijen op het werk heeft ingediend : dit feit “staat buiten voorliggende zaak”, zo erkent verzoeker wel, “doch niettemin kan uit één en ander worden afgeleid dat [hij] zich in een ‘negatieve spiraal’ bevindt”, want “zonder onmiddellijke vaststelling van de onrechtmatigheid van de bestreden beslissingen, wordt verzoekers verhouding tot zijn directrice bijkomend zwaar belast”; Overwegende dat de inhouding van wedde als gevolg van een ongewettigde afwezigheid geen tuchtsanctie is, maar het louter administratief gevolg dat aan de non-activiteit is verbonden; dat wie zulks toch als een “blaam” in de zin van een tuchtiging ervaart, uitgaat van een onterechte interpretatie van de aard van de bestreden beslissing en dienvolgens een nadeel aanvoert dat niet rechtstreeks uit die beslissing zelf voortvloeit; dat ook de tribulaties tussen verzoeker en zijn directie, zoals hij zelf overigens verklaart, niet rechtstreeks in verband staan met de thans bestreden beslissingen die enkel beogen vermeende ongewettigde afwezigheden van verzoeker op administratief-geldelijk vlak te regelen; dat voorts niet valt in te zien hoe het derven van vijf dagen wedde of zelfs, met de woorden van verzoeker, van “bijna de helft van een maandwedde”, een ernstig nadeel is; dat het alleszins herstelbaar is bij een eventueel later uit te spreken nietigverklaring; dat aan de besproken voorwaarde niet is voldaan; Overwegende dat niet voldaan is aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen, BESLUIT: XII-4527-3/4 Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari 2006, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4527-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.388 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.043 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.936 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.