← België

Arrest 153389 - - 10/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.389 Rolnummer: A. 164787/XII-4506 Zaak: Arrest 153389 - - 10/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-18 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 08:10 Fiche Arrest nr 153.389 van 10 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.389 van 10 januari 2006 in de zaak A. 164.787/XII-

  1. In zake : Kathleen DAMMAN, wonende te Keerbergen, Eksterdreef 5 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Kathleen Damman op 1 augustus 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse regering van 10 juni 2005 waarbij haar afwijkende tewerkstelling bij de Vlaamse Hogescholenraad wordt beëindigd; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekster de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 14 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 december 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoekster, en van adjunct van de directeur P. Michiels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; XII-4506-1/5 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Voorgaanden Overwegende dat de feiten dienstig voor de beoordeling van de vordering tot schorsing de volgende zijn : Verzoekster is vast benoemd lector aan de Hogeschool Antwerpen. Zij wordt “rechtstreeks en centraal bezoldigd door het departement”, vulgo personeelslid van het centraal fonds, als bedoeld in artikel 182 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. Met toepassing van artikel 339, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt bij besluit van de Vlaamse regering van 28 mei 2004 aan verzoekster, op haar verzoek en met instemming van de Hogeschool Antwerpen, met ingang van 16 februari 2004 een afwijkende tewerkstelling bij de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA) voor 100% toegestaan. Met verzoekster wordt op 30 april 2004 afgesproken dat zij van 3 mei 2004 af “de haar (schriftelijk) toegewezen opdrachten niet langer op het VLHORA-secretariaat maar thuis zou uitvoeren”. Aan de raad van bestuur van de VLHORA van 4 juni 2004 wordt voorgesteld om de samenwerking met verzoekster te beëindigen en haar niet langer op het secretariaat te werk te stellen of op haar diensten een beroep te doen. Op 17 februari 2005 formuleert de VLHORA voorstellen van tewerkstelling aan verzoekster, waarop zij niet wenst in te gaan. De raad van bestuur van de VLHORA bespreekt de situatie van verzoekster op 15 april 2005 en op 13 mei
  2. Bij het bestreden besluit van 10 juni 2005 gaat de Vlaamse regering in op de vraag van de VLHORA en beëindigt zij verzoeksters tewerkstelling aldaar met ingang van 1 juni 2005, datum waarop verzoekster opnieuw tewerkgesteld is bij de Hogeschool Antwerpen; XII-4506-2/5 De schorsingvoorwaarden Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoekster doet gelden dat de bestreden beslissing in haar werkkring “slechts de facto als een blaam [kan] worden percipieerd” met onmiddellijke repercussies voor haar carrièrekansen, dat een en ander nog versterkt wordt wegens de miskenning van de vereiste pleegvormen, dat de plotse stopzetting van haar werkzaamheden -een studieopdracht inzake verlof, terbeschikkingstelling, loopbaanonderbreking en ziekte van het personeel- haar de kans ontneemt om zich verder te bekwamen in de betreffende materies en om haar bijzondere inspanningen te zien resulteren in een afgewerkt rapport, dat zij enkel “in deze specifieke functie in het hogeronderwijs-veld [...] de door haar nagestreefde bijzondere en concrete ervaring ‘op meta-niveau’ inzake beleidsmatige en algemene hogeronderwijsproblematieken [kan] opdoen” en dat dit onomkeerbaar is gezien de op til staande onderwijshervormingen “gelet op de complexiteit en hoegrootheid van deze problematieken”; Overwegende dat niet wordt beweerd dat de beëindiging van de tewerkstelling van verzoekster de iure is getroffen bij wege van tuchtmaatregel; dat het daarenboven om een afwijking gaat van de normale tewerkstelling, waar volgens de dienstnoden steeds een einde aan kan worden gesteld en waarop een personeelslid geen blijvende aanspraken kan doen gelden; dat de de facto perceptie van die maatregel bij de collegae van verzoekster vooreerst slechts een hypothese is - verzoekster houdt het ook bij “kan”- en alleszins een onterechte interpretatie vormt van de bestreden beslissing en dienvolgens een nadeel is dat niet rechtstreeks uit die beslissing zelf voortvloeit; dat verzoekster niet de minste concrete informatie geeft omtrent haar carrièremogelijkheden, laat staan over de dadelijk gefnuikte kansen hangende de annulatieprocedure; XII-4506-3/5 Overwegende dat hetgeen van bij aanvang als nadeel zelfs niet in aanmerking komt, niet in zijn ernst of moeilijk herstelbaar karakter “versterkt” kan worden door de beweerde ernst van het aangevoerde middel; Overwegende dat verzoekster ter terechtzitting verklaart vóór haar afwijkende tewerkstelling bij de VLHORA steeds gewerkt te hebben in beleidsmatige functies, als directeur, als “human resources manager” of op ministeriële kabinetten; dat zij aldus relativeert, zelfs tegenspreekt dat het haar enkel mogelijk is in haar functie bij de VLHORA ervaring op te doen met personeels-beleid, zelfs wat het “meta-niveau” betreft; dat de gemiste ervaring en expertise van verzoekster ook hierdoor wordt gerelativeerd, dat zij precies datgene wat in vergelijking met haar vroegere tewerkstelling mogelijk specifieke “meta”-ervaring kon zijn in de VLHORA, er nu net níet genoot; dat zij immers blijkt na amper drie maanden tewerkstelling in de VLHORA -wat daarvoor ook de reden was, maar alleszins zonder dat zij hiertegen in rechte is opgekomen- van elke interne overlegvergadering van de VLHORA of elk extern contact zoals deelname aan visitatiecommissies en externe werkgroepen namens de VLHORA is uitgesloten door het opdragen van thuiswerk; Overwegende dat het rapport waar zij aan werkte er in opdracht en ten bate van de VLHORA moest komen, zodat het niet afwerken ervan in wezen een nadeel is dat niet zijzelf, maar de VLHORA zal moeten ondergaan; Overwegende dat, zo verzoekster ter terechtzitting opmerkt na haar terugkeer niet gewaardeerd te worden door de hogeschool en verplicht te worden thuis te blijven werken zonder enig contact met haar collega’s, opgemerkt moet worden dat die gegevens vreemd zijn aan het thans bestreden besluit van de Vlaamse regering, maar het gevolg moeten zijn van beslissingen van de Hogeschool Antwerpen welke thans niet in het geding zijn; Overwegende, kortom, voor zover de uiteenzetting van verzoekster al voldoende concreet onderbouwde elementen bevat die bovendien als rechtstreeks uit de bestreden beslissing voortvloeiend nadeel in aanmerking kunnen worden genomen, dat niet aannemelijk is gemaakt dat dit nadeel de vereiste ernst vertoont en niet door een navolgende annulatie herstelbaar; XII-4506-4/5 Overwegende dat niet voldaan is aan ten minste een van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen, BESLUIT: Artikel
  3. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari 2006, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4506-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.389 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.653 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.