id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.402 Rolnummer: A. 162247/XIV-22452 Zaak: Arrest 153402 - - 10/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 08:10 Fiche Arrest nr 153.402 van 10 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.402 van 10 januari 2006 in de zaak A. 162.247/XIV-22.
- In zake : XXX wonende te 4800 VERVIERS, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Wit-Russische nationaliteit, op 4 mei 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 4 april 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij zijn beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 13 mei 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die persoonlijk verschijnt, van Advocaat V. ANTYCHIN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-22.452-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “ENIGE MIDDEL: Genomen uit de schending van het algemene beginsel van behoorlijk bestuur, met name schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en redelijk- heidsbeginsel. Onverminderd alle andere middelen aan te voeren na onderzoek van het administratieve dossier of ambtshalve op te werpen door de Raad van State, werpt verzoeker volgend middel tot nietigverklaring op: Volgens de bestreden beslissing kan door verzoeker aangehaalde redenen van laattijdig beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet als situatie van overmacht beschouwd worden. Verzoeker is niet het eens met deze stelling van de VBC. In zijn verzoekschrift vermeldt verzoeker dat hij op de hoogte was/is dat zijn beroep bij de VBC binnen een termijn van vijftien dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing moest ingediend worden (art. 57/11, § 1, lid 2 Vreemdelingenwet). Hij betwist niet dat de bestreden beslissing van het CGVS dd. 01.12.2004 aan hem per aangetekende brief op 7 december 2004 ter kennis werd gebracht. Alhoewel de termijn van vijftien kalenderdagen een aanvang nam op 8 december 2004 en eindigde op 22 december 2004, werd verzoekschrift van betrokkene pas op 30 december 2004 ingediend - acht dagen later. In zijn verzoekschrift bij de VBC, gaf verzoeker duidelijk uitleg over de objectieve redenen van laattijdig beroep, wat volgens hem als situatie van overmacht moet beschouwd worden. Betrokkene verwees naar het feit dat de VBC over een appreciatiebevoegdheid beschikt om te oordelen over de laattijdige aard van zijn beroep en ook bij het laattijdig indienen ervan. Verzoeker baseerde zijn stelling op bestaande rechtsspraak van de Vaste Beroepscom- missie die zegt dat termijn van 15 dagen voor indienen van beroep, kan verlengd worden ingeval van overmacht die de ontvangst van de kennisgeving en de reactie volstrekt onmogelijk maakten (VBV nr. ON441, 5 maart 1996, onuitg.; contra VBV nr. ON384, 22 maart 1995, onuitg). In zijn beroep legde verzoeker uit dat omwille van objectieve omstandigheden hij niet bij machte was verzoekschrift binnen termijn van 15 dagen in te dienen. Ten eerste is verzoeker vreemdeling, die vanaf april 2003 in België verblijft. Ganse tijd van zijn procedure woont hij in Wallonië, leerde en spreekt op dit moment een beetje Frans. Derhalve is het voor betrokkene bijzonder moeilijk / onmogelijk zelf het verzoekschrift op te stellen. Ten tweede - verzoeker had bijstand van pro deo raadsman, Mter. P. RENS uit het Brusselse, met wie betrokkene na ontvangst van bestreden beslissing, contact nam. Volgens betrokkene, was zijn Nederlandstalige raadsman in het begin bereid het beroep bij de Vaste Beroepscommissie te tekenen, maar op 17 december 2005 werd hij verrast door de brief van zijn raadsman, die schriftelijk meedeelde niet bereid te zijn om eindelijk beroep in te dienen (stuk 1). Ten einde raad, richtte verzoeker zich tot het Bureau van Juridische Bijstand (verder het BJB) te Verviers, die slechts op 21 december 2004 een nieuwe pro deo raadsman aanstelden en schriftelijk betrokkene hierover op de hoogte bracht, alhoewel ze op hoogte waren van verzoeker voorgelegde probleem (stuk 2). XIV-22.452-2/4 Tijdens zijn bezoek bij het BJB te Verviers maakte betrokkene duidelijk dat het hier over dringende aangelegenheid ging, maar hij werd op de hoogte gebracht dat volgens werkwijze van Bureau hij aanstelling slechts per brief zou ontvangen. Verzoeker kreeg deze brief pas op 22 december 2004 en trachtte tevergeefs zijn nieuwe pro deo raadsman tijdens de kerstdagen te bereiken. Toen dit lukte, vernam hij van zijn raadsman dat hij het Nederlands niet machtig is. Daarom, werd verzoeker verzocht zich tot een andere raadsman te richten met het verzoek zijn dossier van voorafgaande pro deo raadsman over te nemen. Daarom, was het voor verzoeker onmogelijk om dit verzoekschrift binnen de termijn van 15 dagen na de kennisgeving in te dienen. Door één of andere omstandigheid, heeft zijn eerste pro deo raadsman, enkele dagen voor eindiging van de beroepstermijn, de beslissing genomen om geen beroep te schrijven. Nog meer, werd dit per brief gemeld, wat nog aan verzoeker enkele dagen tijd ontnam. Door één of andere reden, kreeg verzoeker niet direct door het BJB te Verviers een andere pro deo raadsman aangewezen maar slechts later en schriftelijk. Uit brief van het BJB blijkt dat dit op 21 december haar brief opstelde en naar betrokkene stuurde. In beste geval, ontving verzoeker deze brief op 22 december 2004 (de laatste dag), wat fysisch onmogelijk maakte nog afspraak met aangestelde advocaat te beleggen, het dossier bij andere raadsman op te vragen, te bestuderen en beroep op te stellen, en vervolgens te sturen. Nog meer, viel het in de feestdagen, wanneer vele mensen met vakantie zijn en zeer moeilijk iemand te bereiken is. Toen uiteindelijk verzoeker zijn raadsman kon spreken, bleek dat de laatste Nederland- se taal niet machtig is en betrokkene niet kan helpen. In rekening nemend bovenvermelde, meent verzoeker dat bovenstaande wel als overmacht kan beschouwd worden. Betrokkene meent dat alhoewel de VBC van haar appreciatiebevoegdheid om oordelen over de laattijdige aard van verzoeker's beroep gebruik maakte, is de beslissing van de VBC niet correct en de VBC derhalve een loutere formele en ten dele van verzoeker, haar eigen, subjectieve beoordeling heeft vertolkt. Dat het middel van betrokkene dan ook gegrond is.”. 1.
- Overwegende dat het beantwoorden van de vraag of er overmacht aanwezig is, uitsluitend toekomt aan de feitenrechter; dat het de Raad van State, optredend als administratief cassatierechter, niet toekomt zijn beoordeling hieromtrent in de plaats van die van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen te stellen; dat het enig middel niet ontvankelijk is; 1.
- Overwegende dat het beroep bij gebrek aan een ontvankelijk middel, zelf niet ontvankelijk is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-22.452-3/4 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-22.452-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.402 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.