id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.403 Rolnummer: A. 156545/XIV-20873 Zaak: Arrest 153403 - - 10/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 08:10 Fiche Arrest nr 153.403 van 10 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.403 van 10 januari 2006 in de zaak A. 156.545/XIV-20.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. HOOYBERGHS, kantoor houdende te 2300 TURNHOUT, Kasteelstraat 6 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Soedanese nationaliteit, op 14 oktober 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 23 augustus 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 28 oktober 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. RIMEZ die, loco Advocaat S. HOOYBERGHS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-20.873-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. 1.1.
- Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en door artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), verzoeker aanvoert dat de tegenstrijdigheden te verklaren zijn door de verschillende manier van vraagstelling door de diverse asielinstanties en de verschillende interpretaties van deze vragen, dat hij bij het verhoor ten gronde op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen overigens zeer bondig diende te antwoorden en het hem niet toegestaan werd zijn antwoorden te nuanceren, dat de minieme tegenstrijdigheden bovendien te verklaren zijn door de traumatische ervaringen die hij in zijn land van herkomst heeft opgelopen en die voor de nodige psychische spanningen hebben gezorgd, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen omtrent het door hem in zijn beroepschrift ontwikkelde argument betreffende de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. enkel stelt dat zij terzake geen beoordelingsbevoegdheid heeft doch zich blind staart op enkele beweerdelijke tegenstrijdigheden en volledig voorbijgaat aan de feitelijke omstandigheden die aan de basis van zijn vlucht liggen, dat de huidige realiteit in Gurnai zowel op sociaal, politiek als economisch vlak instabiel is, dat de macht in handen is van plaatselijke militaire bewegingen, dat hij Soedan verliet uit militair-politieke overwegingen, doch vooral omwille van een gegronde vrees voor vervolging, en dat omtrent zijn afkomst geen twijfel kan bestaan; 1.1.
- Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; dat het middel ertoe strekt de beoordeling van de feitenrechter in verband met de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas en van de toestand in zijn land en streek van herkomst te laten overdoen, hetgeen evenwel buiten de bevoegdheid van de Raad van State valt; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat, als administratieve cassatierechter, het de Raad van State niet toekomt op zijn beurt na te gaan of de door de feitenrechter vastgestelde tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen van de betrokkene al dan niet de kern van diens asielrelaas raken, en of deze tegenstrijdigheden slechts misverstanden betreffen of XIV-20.873-2/4 te verklaren zijn door traumatische ervaringen en door de verschillende wijze van ondervragen tijdens de diverse verhoren; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 1.2.
- Overwegende dat in een tweede middel, afgeleid uit machtsoverschrij- ding, verzoeker aanvoert dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet voldoende heeft geïnformeerd naar alle elementen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het dossier, dat zij hem niet voldoende heeft ondervraagd over de groepering “PDF” en zijn opsluiting en marteling gedurende achttien maanden, terwijl deze nochtans de essentiële redenen vormen waarom hij niet naar zijn land van herkomst durft terug te keren, zodat zij is voorbijgegaan aan de motieven die aan de grondslag liggen van zijn gegronde vrees voor vervolging; 1.2.
- Overwegende dat niet in het minst wordt aangegeven welke rechtsregel verzoeker geschonden acht; dat bovendien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de aangevoerde vervolging slechts aan artikel 1, (A), 2, van het Vluchtelingenverdrag had moeten toetsen, indien verzoeker erin geslaagd was de echtheid van zijn feitenrelaas aan te tonen, hetgeen naar haar oordeel niet het geval was; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 1.
- Overwegende dat, aangezien het beroep geen ontvankelijk rechtsmiddel bevat, het zelf niet ontvankelijk is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari tweeduizend en zes, door : XIV-20.873-3/4 de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.873-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.403 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.