id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.409 Rolnummer: A. 156019/XIV-20720 Zaak: Arrest 153409 - - 10/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 08:10 Fiche Arrest nr 153.409 van 10 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.409 van 10 januari 2006 in de zaak A. 156.019/XIV-20.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 14 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 12 mei 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat F. LANDUYT verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; XIV-20.720-1/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
- Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit de schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 en van “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”, verzoeker aanvoert dat de behandeling van zijn asieldossier meer dan twee jaar geduurd heeft, dat een dergelijk lange termijn onaanvaardbaar is en de rechten van de asielzoeker schaadt, dat hij door de lange duur van de procedure, enerzijds, ontheemd is uit zijn land en, anderzijds, geen enkele garantie heeft omtrent zijn toekomst in België; 1.1.
- Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen er door de wet enkel mee belast is na te gaan of de vreemdeling beantwoordt aan de voorwaarden welke met het oog op een erkenning als vluchteling worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden; dat geen enkele verdrags- of wetsbepaling noch beginsel haar toelaat een vreemdeling als vluchteling te erkennen omdat zijn asielaanvraag niet binnen een bepaalde termijn werd behandeld; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 1.2.
- Overwegende dat in een tweede middel, afgeleid uit de schending van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 en van de artikelen 48, 49 en 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), verzoeker integraal de uiteenzetting van zijn beroepschrift herneemt en daaraan toevoegt dat Afghanistan zich nog steeds in staat van oorlog bevindt en dat de bewijsvoering voor overspel veel soepeler is dan bijvoorbeeld in Iran, zodat een veroordeling wegens overspel veel gemakkelijker kan; 1.2.
- Overwegende dat in het tweede middel verzoeker letterlijk én integraal de uiteenzetting, opgenomen in zijn op 4 december 2003 bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ingediend beroepschrift citeert; dat hij daarbij nalaat aan te geven op welke wijze de betreffende uiteenzetting de wettigheid van de thans bestreden beslissing in het gedrang vermag te brengen; dat bij ontstentenis van nadere toelichting dit onderdeel van het middel niet in aanmerking kan worden genomen; dat bovendien in het geheel niet wordt aangeduid welke artikelen van het Vluchtelingenverdrag zijn geschonden; dat de schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij niet over de ontvankelijkheid, maar over de XIV-20.720-2/4 gegrondheid van een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling uitspraak wordt gedaan; dat voor het overige het middel ertoe strekt aan te tonen dat verzoeker wegens overspel in Afghanistan zal worden veroordeeld, en het derhalve de beoordeling van de grond van zijn zaak door de Raad van State beoogt te laten overdoen, hetgeen evenwel buiten zijn bevoegdheid als administratieve cassatierechter valt; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 1.3.
- Overwegende dat in een derde middel, afgeleid uit de schending van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 en van de artikelen 48, 49 en 52 van de Vreemdelingenwet, verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing dateert van 12 mei 2004 en hem ter kennis werd gebracht bij brief van 29 juni 2003, dat deze datum van kennisgeving manifest onjuist is, zodat er geen rechtsgeldige beslissing is, dat voormelde beslissing bovendien de feiten niet heeft besproken, noch eventueel weerlegd; 1.3.
- Overwegende dat een gebrekkige betekening van een beslissing de geldigheid ervan niet vermag aan te tasten; dat het niet volstaat op algemene wijze te beweren dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de feiten niet heeft besproken, noch eventueel weerlegd; dat in het middel in concreto moet worden aangegeven welke feiten precies door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zijn genegeerd; dat bij ontstentenis van deze toelichting dit onderdeel niet in aanmerking kan worden genomen; dat in het geheel niet wordt aangeduid welke artikelen van het Vluchtelingenverdrag zijn geschonden; dat de schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet niet dienstig wordt aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij niet over de ontvankelijkheid, maar over de gegrondheid van een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling uitspraak wordt gedaan; dat het derde middel moet worden verworpen;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-20.720-3/4 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.720-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.409 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.