← België

Arrest 153410 - - 10/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.410 Rolnummer: A. 156687/XIV-20901 Zaak: Arrest 153410 - - 10/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 08:10 Fiche Arrest nr 153.410 van 10 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.410 van 10 januari 2006 in de zaak A. 156.687/XIV-20.

  1. In zake : XXX, wonende te A. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 20 oktober 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 10 september 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 28 oktober 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat A. BOLJAU verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-20.901-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zoals onder meer voorzien in artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) alsook bij de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen, verzoeker aanvoert dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen hem verwijt zijn identiteit en nationaliteit niet te bewijzen terwijl enkele van zijn familieleden hun Taskara of identiteitskaart wel voorleggen en hieruit kan worden afgeleid dat hij dezelfde nationaliteit heeft, dat hij, wat zijn gebrekkige kennis omtrent de Taliban betreft, weliswaar meerderjarig is, doch niet over de nodige bekwaamheden beschikt en mentaal achter is, waardoor hij moeilijkheden heeft met besef van tijd en omgeving en politieke problemen zijn petje te boven gaan; 1.1.
  4. Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; dat ter verwerping van verzoekers aanvraag drie motieven worden opgegeven: het gebrek aan reis- en identiteitsdocumenten, zijn onwetendheid omtrent fundamentele gegevens over het dagelijkse leven onder het regime van de Taliban en de weigering van de erkenning van de status van vluchteling aan E., zijn schoonzus, aan wiens asielaanvraag hij de zijne heeft gekoppeld; dat dit laatste motief, dat door verzoeker niet wordt betwist, op zich afdoende de bestreden beslissing schraagt; dat verzoeker er geen belang bij heeft de overige beweegredenen te bekritiseren daar de eventuele ondeugdelijk- heid ervan op zich niet tot de vernietiging van de te zijnen opzichte genomen beslissing kan leiden; dat indien het beroep van verzoekers schoonzus wordt verworpen, de te haren opzichte genomen beslissing definitief wordt en niet langer de onwettigheid ervan kan worden aangevoerd; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 1.2.
  5. Overwegende dat in een tweede middel, afgeleid uit machtsafwending en uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, verzoeker aanvoert dat de zorgvuldigheidsplicht inhoudt dat het bestuursorgaan alle rechtstreeks bij het besluit XIV-20.901-2/4 betrokken belangen moet afwegen en dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn met de te dienen doelen, in casu zijn uitwijzing; 1.2.
  6. Overwegende dat machtsafwending inhoudt dat een orgaan de bevoegdheid die werd verleend tot het bereiken van een bepaald doel van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven; dat verzoeker niet het minste element aanvoert waaruit blijkt dat een ongeoorloofd oogmerk het enige doel is van de bestreden beslissing; dat, daargelaten de vraag of machtsafwending wel als een vernietigingsgrond in een administratief cassatieberoep kan worden aangevoerd, het middel, voor zover het gesteund is op machtsafwending, niet ontvankelijk is; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar bevoegdheid te buiten zou gaan mocht zij, wegens het belang van de zaak voor hem, een vreemdeling die niet voldoet aan de voorwaarden die te dien einde worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden, toch als vluchteling erkennen; dat het tweede middel niet ontvankelijk is;
  7. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-20.901-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.901-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.410 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.