id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.411 Rolnummer: A. 154303/XIV-20300 Zaak: Arrest 153411 - - 10/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 08:10 Fiche Arrest nr 153.411 van 10 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.411 van 10 januari 2006 in de zaak A. 154.303/XIV-20.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. CALLEBAUT, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Lombardenvest 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 30 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 12 mei 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. CALLEBAUT, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; XIV-20.300-1/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit de schending van artikel 57/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 1, (A), 2, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, verzoeker aanvoert dat zijn zaak naar een drieledige kamer had moeten worden verwezen vermits hij een gegronde vrees voor vervolging heeft en zijn beroep gegrond is, dat op basis van zijn asielrelaas onmogelijk kon worden vastgesteld dat zijn beroep kennelijk ongegrond is, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zijn asielrelaas niet zonder meer opzij kan schuiven louter omdat hij zijn reisweg niet kan bewijzen, dat zij zelf duidelijk in haar weergave van het feitenrelaas stelt dat zijn vader vermoord werd omwille van zijn ambitie om de macht te grijpen in de regio en aldus blijkt dat de moord politiek gelinkt was, zodat het dan ook niet opgaat de moord af te doen als louter van gemeenrechtelijke aard, dat hij geen enkele bescherming kan vinden bij zijn overheid en aldus het risico loopt omwille van politieke gronden te worden vermoord, en dat uit het feit dat hij de politie in Kabul contacteerde niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij beroep kan doen op de bescherming van de autoriteiten; dat in een tweede middel, afgeleid uit de schending van artikel 57/22 van de Vreemdelingenwet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing onjuist en manifest gebrekkig gemotiveerd is en dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de haar voorgelegde middelen niet zorgvuldig heeft onderzocht; 1.2.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; 1.2.
- Overwegende dat krachtens artikel 57/12, vierde lid, van de Vreemde- lingenwet de gemachtigde bijzitter van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een beroep, dat onontvankelijk of kennelijk ongegrond is, zelf als alleenrechtsprekend lid kan behandelen; dat een beroep kennelijk ongegrond is wanneer het weliswaar ontvankelijk is ingesteld, maar de erin ontwikkelde grieven duidelijk niet tot een hervorming van de beroepen beslissing kunnen leiden; dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing het beroep van verzoeker kennelijk ongegrond wordt verklaard omdat hij zijn reisweg niet bewijst, omdat zijn vrees voor vervolging ten gevolge van bloedwraak van gemeenrechtelijke aard is en niet kan worden ingepast in één van de vijf criteria van het Vluchtelingenverdrag, XIV-20.300-2/4 omdat een algemene toestand van onveiligheid niet volstaat om conform het Vluchtelingen- verdrag bescherming te bekomen en omdat hij niet aantoont dat hij de bescherming van de lokale politie niet kon inroepen; dat deze redengeving nergens doet blijken dat omtrent het lot van verzoekers beroep enige twijfel of betwisting mogelijk was; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker beweert, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het asielrelaas geenszins opzij schuift louter omwille van het feit dat hij zijn reisweg niet bewijst, doch enkel overweegt dat het gebrek aan bewijs van zijn reisweg “een negatieve indicatie” inhoudt voor de geloofwaardigheid van het asielrelaas; dat het ontbreken van ieder bewijs omtrent de identiteit of nationaliteit, gekoppeld aan tegenstrijdige verklaringen, naar het oordeel van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, van aard kan zijn de geloofwaardigheid van het haar voorgelegd asielrelaas te hypothekeren en als zodanig door haar mee in aanmerking worden genomen; dat verzoeker er voor het overige aan voorbijgaat dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het relaas omtrent de moord op zijn vader in de bestreden beslissing heeft weergegeven zoals verzoeker dit heeft verteld; dat zoals uit de motivering van de bestreden beslissing genoegzaam blijkt, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen hieromtrent overweegt “dat de bloedwraak (...) teruggaat op de machtsstrijd tussen appellants vader en een andere commandant binnen dezelfde militie (...)”, “dat uit appellants verklaringen kan worden afgeleid dat het niet om een afrekening wegens politieke overtuiging ging maar louter om de strijd om de macht binnen een militie” en “dat bijgevolg de oorzaak van vervolging, een machtsstrijd, niet kan worden ingepast in één van de vijf criteria van het vluchtelingenverdrag”; dat, voor zover verzoeker poogt aan te tonen dat de moord op zijn vader wel degelijk een politiek karakter heeft en dat hij niet op de bescher- ming van zijn nationale autoriteiten kan rekenen, het middel niet in aanmerking kan worden genomen; dat de Raad van State immers geen tweede instantiegerecht is dat de grond van de zaak opnieuw onderzoekt, maar enkel de wettelijkheid van de hem voorgelegde beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen kan nagaan; dat de beide middelen, in de mate dat ze ontvankelijk zijn, niet gegrond zijn;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-20.300-3/4 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.300-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.411 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.