← België

Arrest 153461 - - 10/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.461 Rolnummer: A. 110033/XIV-6486 Zaak: Arrest 153461 - - 10/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 08:11 Fiche Arrest nr 153.461 van 10 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.461 van 10 januari 2006 in de zaak A.110.033/XIV-6486. In zake : XXX, wonende te M. tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 18 maart 1958 en van Russische nationaliteit, op 7 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 augustus 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gelet op de beschikking van 5 oktober 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag d.d. 10 februari 2005 opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, overgemaakt aan de bevoegde kamer op 11 februari 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 1 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 oktober 2005 om 10.00 uur; XIV-6486-1/8 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gelet op de persoonlijke verschijning van de verzoekende partij; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. MONDET, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 17 oktober 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.2. Op 24 oktober 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 8 augustus 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene, een staatsburger van de Russische Federatie, zou op 14 oktober 2000 haar land zijn ontvlucht en zou op 17 oktober 2000 in België zijn aangekomen. Betrokkene heeft op 17 oktober 2000 het statuut van vluchteling aangevraagd bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is in het bezit van een Russisch binnenlands paspoort. Volgens de verklaringen van betrokkene van 21 maart 2001 voor het Commissariaat- Generaal voor (

  1. de)Vluchtelingen en (
  2. de)Staatlozen zou zij samen met haar echtgenoot R. (OV 5.027.911) en hun twee minderjarige kinderen de Russische Federatie zijn ontvlucht na bedreigingen en agressie ten nadele van haar echtgenoot omwille van diens politieke activiteiten. Betrokkenes echtgenoot zou sedert oktober 1999 lid zijn van de politieke partij 'Geestelijke erfenis'. Op 22 april 2000 zou betrokkenes echtgenoot hebben gesproken op een meeting over de overtreding van de democratische principes door de overheid. Hierna zou hij zijn opgepakt door de politie die hem drie dagen zou hebben opgesloten. Betrokkenes echtgenoot zou door de politie zijn mishandeld waardoor hij hierop volgend drie dagen moest worden verpleegd in het ziekenhuis. In de loop van juni 2000 zou betrokkene twee à drie anonieme dreigtelefoons hebben ontvangen aan het adres van haar echtgenoot met het verwijt dat hij teveel informatie opspoorde. In oktober 2000 zou betrokkenes echtgenoot opnieuw hebben deelgenomen aan een politieke meeting en zou men informatie, afkomstig van betrokkenes echtgenoot, hebben bekend gemaakt omtrent vermeende corruptie. Hierna zou betrokkenes echtgenoot door twee criminelen en een agent in burger zijn meegevoerd naar een bosje alwaar ze bedreigingen tot hem zouden hebben geuit. Betrokkene en haar echtgenoot zouden hierna bij een kennis zijn gaan logeren. Toen betrokkenes echtgenoot echter één van de XIV-6486-2/8 twee criminelen zou hebben herkend in een wagen in de buurt van het huis van die kennis, zouden betrokkene en haar echtgenoot hebben beseft dat ze nergens nog veilig zouden zijn voor hun tegenstanders. Ze zouden hierna besloten hebben om het land te ontvluchten. Er dienen ernstige tegenstrijdigheden te worden opgemerkt enerzijds tussen betrokkenes opeenvolgende verklaringen (Dienst Vreemdelingenzaken, Commissariaat-Generaal), anderzijds tussen betrokkenes verklaringen en die van haar echtgenoot. Hierdoor wordt de geloofwaardigheid van betrokkenes asielrelaas ernstig ondermijnd. Voor het Commissariaat-Generaal beweert betrokkene dat zij twee tot drie dreigtelefoons had ontvangen in de maand juni 2000 (CGVS pag.6). Betrokkenes echtgenoot beweert dat betrokkene één dreigtelefoon heeft ontvangen (CGVS pag.11-12). Verder dient er te worden opgemerkt dat zowel betrokkene als ook haar echtgenoot ten overstaan van het Commissariaat-Generaal voor het eerst melding maken van de diefstal van documenten in juni 2000. Het is weinig waarschijnlijk dat betrokkene dergelijke belangrijke feiten in haar asielrelaas voor de Dienst Vreemdelingenzaken zomaar zou vergeten zijn te vermelden. Verder vermeldt betrokkenes echtgenoot voor het Commissariaat-Generaal dat hij aangifte had willen doen van de diefstal van deze documenten bij de politie. Deze aangifte zou hem geweigerd zijn door de politie. Daarom zou hij genoodzaakt zijn geweest de documenten als verloren op te geven (CGVS pag.5). Betrokkene zelf beweert dat de politie haar echtgenoot eerst naar andere politie-instanties had gestuurd om uiteindelijk met vertraging de diefstal van de documenten te registreren (CGVS pag.3-4). Verder dient er te worden geconstateerd dat betrokkene alsook haar echtgenoot voor de Dienst Vreemdelingenzaken beweren dat betrokkenes echtgenoot was meegevoerd en bedreigd door de politie na de meeting in oktober 2000 (DVZ vraag 42 ). Zowel betrokkene als haar echtgenoot maken ten overstaan van het Commissariaat-Generaal voor het eerst melding van de betrokkenheid van criminelen in de meevoering van betrokkenes echtgenoot (CGVS betrokkene pag.8; CGVS echtgenoot pag.9). Tenslotte dient te worden opgemerkt dat betrokkene noch haar echtgenoot voor de Dienst Vreemdelingenzaken melding maken van een vermeende onderduiking in Loebertsi. Aangezien zij tegenover het Commissariaat-Generaal beweren dat zij in Loebertsi zouden hebben beslist om het land te ontvluchten, nadat zij zouden hebben geconstateerd dat de criminelen hen daar hadden gevonden (CGVS betrokkene pag. 10-12; CGVS echtgenoot pag.22), is het niet aannemelijk dat zij beiden dit gegeven zouden zijn vergeten te vermelden tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken. Volgens beider verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken zouden zij beslist hebben om te vluchten na de doodsbedreiging in oktober 2000. Bovendien beweert betrokkenes echtgenoot dat het betrokkene zelf was die de crimineel Dennis zou hebben gezien in een gestationeerde wagen voor de woning in Loebertsi, waar zij onderdak beweren te hebben gezocht. Betrokkenes echtgenoot zelf zou op dat ogenblik in Zjoekovski zijn geweest (CGVS pag.22). Betrokkene beweert echter dat het haar echtgenoot was die Dennis had herkend, aangezien zij zelf vermelde criminelen nooit eerder had ontmoet (CGVS pag.11). Door bovenstaande tegenstrijdigheden ontstaat toch enige twijfel omtrent de geloofwaardigheid van betrokkenes asielrelaas. Uit betrokkenes verklaring blijkt dat zij haar asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door haar echtgenoot ter staving van zijn asielrelaas. Wat betreft het door hem ingesteld dringend beroep werd een bevestigende beslissing genomen. Derhalve dient ook voor betrokkene een bevestigende beslissing te worden genomen. Het door betrokkene voorgelegde Russisch binnenlands paspoort verandert hetgeen hierboven werd uiteengezet niet. Het document bevat persoonlijke identificatiegegevens die geen relevantie hebben voor betrokkenes asielmotieven. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 24 oktober 2000. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”. 2. Over de ontvankelijkheid van het beroep. XIV-6486-3/8 Overwegende dat de tweede verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis opwerpt; dat de bestreden beslissing aangetekend werd verstuurd naar de verzoekende partij op woensdag 8 augustus 2001; dat de kennisgeving van de bestreden beslissing bijgevolg op donderdag 9 augustus 2001 is geschied; dat het op vrijdag 7 september 2001 aangetekend verzonden verzoekschrift tijdig werd ingediend; dat de exceptie van laattijdigheid bijgevolg wordt verworpen; 3. Over de gegrondheid van de zaak. 3.1.1. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel aanvoert dat de motivering van de bestreden beslissing gebrekkig is; dat de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden geen tegenstrijdigheden zijn die haar en haar echtgenoot, P., kunnen worden ten grieve geduid; 3.1.2. Overwegende dat de eerste verwerende partij geen memorie van antwoord heeft ingediend; dat de tweede verwerende partij zich aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 3.1.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord betoogt dat het verzoekschrift tijdig werd ingediend; dat zij de middelen, uiteengezet in haar verzoekschrift, bevestigt; 3.1.4. Overwegende dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.3. van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten op grond van volgende motieven: - de verklaringen van verzoekster voor de onderscheiden asielinstanties stemmen niet overeen: verzoekster vermeldde de diefstal van documenten in juni 2000 voor het eerst tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal, terwijl zij dit belangrijk feit uit haar asielrelaas niet vermeldde op de Dienst Vreemdelingenzaken; verzoekster verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat haar echtgenoot werd meegevoerd en bedreigd door de politie na de meeting in oktober 2000, maar pas op het Commissariaat-generaal vermeldde zij de betrokkenheid van criminelen hierbij; verzoekster verklaarde op het Commissariaat- generaal dat zij en haar echtgenoot tijdens hun onderduiking in Loebertsi beslisten om het land te ontvluchten nadat zij vaststelden dat de criminelen hen daar hadden gevonden, maar voor de Dienst Vreemdelingenzaken maakte zij, noch haar echtgenoot melding van deze onderduiking en verklaarde zij dat ze beslisten te vluchten na de doodsbedreiging in oktober 2000; - de verklaringen van verzoekster zijn in tegenstrijd met de verklaringen van haar echtgenoot, P.: verzoekster verklaarde tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal dat zij twee tot drie dreigtelefoons had ontvangen in de maand juni 2000 terwijl haar XIV-6486-4/8 echtgenoot slechts melding maakt van één dreigtelefoon; verzoeksters echtgenoot verklaarde op het Commissariaat-generaal dat hij aangifte wilde doen van de diefstal van documenten maar dat de politie deze aangifte weigerde zodat hij genoodzaakt was om de documenten als verloren op te geven, terwijl verzoekster beweerde dat de politie haar echtgenoot eerst naar andere politie-instanties had gestuurd en uiteindelijk met vertraging de diefstal van de documenten registreerde; verzoekster verklaarde tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal dat haar echtgenoot de crimineel Dennis in Loebertsi herkende omdat zij de criminelen nooit had ontmoet, terwijl haar echtgenoot verklaarde dat verzoekster voornoemde crimineel had gezien in een geparkeerde wagen voor de woning waar zij onderdoken; Overwegende dat verzoekster de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden tracht te weerleggen door aan te voeren dat ze het gevolg zijn van een slechte of onvoldoende vertaling door de tolken tijdens de verhoren bij de onderscheiden asielinstanties; dat zij bovendien aanvoert dat haar asielrelaas geen tegenstrijdigheden bevat maar het gevolg zijn van een verkeerde interpretatie van de door haar en haar echtgenoot uiteengezette feiten; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster bij haar verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken geen opmerkingen heeft geformuleerd over eventuele vertaalproblemen en dat zij, nadat haar het verslag werd voorgelezen, wijzigingen had kunnen laten aanbrengen; dat op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoekster haar problemen grondig en volledig heeft uiteengezet en dat zij op het einde van het interview vermeldde dat zij niets meer had toe te voegen aan haar relaas; dat verzoekster bijgevolg niet aantoont dat haar verklaringen niet correct werden vertaald, genoteerd of geïnterpreteerd; Overwegende dat verzoekster aanvoert dat zij bepaalde feiten uit haar asielrelaas op de Dienst Vreemdelingenzaken niet vermeldde en op het Commissariaat- generaal wel, doordat het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken beperkt was in tijdsduur en er enkel vragen van algemene aard werden gesteld die door haar werden beantwoord; Overwegende dat verzoekster voorbij gaat aan het feit dat van een kandidaat-vluchtelinge mag worden verwacht dat zij, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van haar asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van haar vlucht uit haar land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden die bevoegd zijn om kennis te nemen van haar asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er, in hoofde van de kandidaat- vluchtelinge, aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat verzoekster wanneer zij aanvoert dat de verhoren van haar en haar echtgenoot op de Dienst Vreemdelingenzaken beknopt XIV-6486-5/8 waren, zij niet met concrete gegevens aantoont dat zij tijdens deze verhoren onvoldoende de kans kregen om hun asielmotieven uiteen te zetten; Overwegende dat verzoekster voor het overige de door de Commissaris- generaal vastgestelde tegenstrijdigheden tracht te weerleggen door in haar verzoekschrift de feiten uit de verschillende verklaringen van haar en haar echtgenoot te nuanceren en een verklaring post factum te geven, zodat zij in wezen aan de Raad van State vraagt om de feiten opnieuw te beoordelen; Overwegende dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat de Raad van State er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van het dringend beroep uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan op coherente wijze tot haar besluit is kunnen komen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van zijn beslissing rekening hield met alle concrete en relevante gegevens van de zaak; dat in een eerste deel van de bestreden beslissing, de feiten, die resulteren uit de neerslag van verzoeksters verklaringen tijdens haar verhoor op het Commissariaat-generaal, nauwkeurig worden weergegeven; dat in een tweede deel haar verklaringen afgelegd in de loop van de asielprocedure, op een objectieve wijze worden onderzocht, wat zich vertaalt in de motieven van de bestreden beslissing; dat, wat de materiële motiveringsplicht betreft, de Commissaris-generaal in casu nauwkeurig motiveert waarom hij van oordeel is dat verzoeksters asielaanvraag bedrieglijk is; dat bijgevolg uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig en deugdelijk zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoekster bedrieglijk is; dat verzoekster niet aantoont dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt, onwettig zijn; Overwegende dat verzoekster, wier asielmotief gebaseerd is op dat van haar echtgenoot, geen gegevens aanbrengt die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de opmerking dat de Commissaris- generaal zou beweren “dat betrokkenes vrees voor vervolging het lokale niveau niet overstijgt” en het daaropvolgende antwoord van verzoekster niet ter zake dienend is, aangezien deze zinsnede niet terug te vinden is in de bestreden beslissing; 3.1.5. Overwegende dat de bestreden beslissing werd genomen in overeenstemming met de motiveringsplicht, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissing kan dragen en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; dat het eerste middel ongegrond is; XIV-6486-6/8 3.2.1. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van het verbod op discriminatie, zoals gewaarborgd door artikel 14 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.), omdat een gedwongen terugkeer een rechtstreekse bedreiging inhoudt voor het leven en de vrijheid van verzoekster en de leden van haar gezin; 3.2.2. Overwegende dat verzoekster zich beperkt tot een algemene bewering, dat de bestreden beslissing geen rekening houdt met de gevolgen die zij veroorzaakt voor haar veiligheid en fysieke integriteit; dat zij evenwel niet verwijst naar een mogelijk ongelijke behandeling ten opzichte van andere personen in vergelijkbare omstandigheden; dat verzoekster bijgevolg niet aantoont dat artikel 14 van het E.V.R.M. is geschonden; dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de Commissaris-generaal kon oordelen dat verzoeksters asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond is; dat verzoekster derhalve geen vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 aantoont; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-6486-7/8 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-6486-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.461 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.