← België

Arrest 153464 - - 10/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.464 Rolnummer: A. 115604/XIV-8129 Zaak: Arrest 153464 - - 10/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 08:11 Fiche Arrest nr 153.464 van 10 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.464 van 10 januari 2006 in de zaak A. 115.604/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat G. VERGAUWE, kantoor houdende te 9940 EVERGEM, Belzeelsestraat 40 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 10 april 1983 en van Armeense nationaliteit, op 15 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 december 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 november 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gelet op het arrest nr. 111.575 van 16 oktober 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de beschikking van 27 november 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag d.d. 2 december 2004 opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, overgemaakt aan de bevoegde kamer op 6 december 2004; XIV-8129-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 1 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 oktober 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. VERGAUWE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  5. De verzoekende partij komt België binnen op 27 oktober 2001 en verklaart zich vluchteling op 6 november
  6. 1.
  7. Op 8 november 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 17 december 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, van Armeense origine en staatsburgerschap, verklaart omwille van de problemen van uw vader, V. (O.V.5.026.714) naar België te zijn gevlucht. U kent de exacte aanleiding van zijn problemen niet. Op 6 oktober 2001 vertrok uw vader. Twee dagen later kwamen twee politieagenten bij u langs met de vraag waar uw vader zich bevond. Uw moeder, A. (O.V.5.026.714), zei dat ze niet wist waar hij was. Twee dagen later kwamen ze terug en na XIV-8129-2/6 hetzelfde antwoord te hebben gekregen werden u en uw moeder geïntimideerd. Een week later werd er op straat door twee mannen in een wagen een poging ondernomen u te ontvoeren. Uw moeder en u schreeuwden om hulp waardoor de mannen vertrokken. Een week later werd er op uw deur geklopt met de vraag waar uw vader was. Door het kabaal kwamen de buren buiten waarop de belagers opnieuw vertrokken maar ze zegden eerst dat ze jullie ooit te pakken zouden krijgen. Uw moeder en u verspreidden overal het gerucht dat jullie naar Georgië zouden vertrekken. Hierna vertrokken jullie naar het dorp Aragats bij familie vanwaaruit jullie naar België vluchtten. Op 27 oktober 2001 kwam u met uw moeder in België aan waar u op 6 november 2001 een asielaanvraag indiende. Uit uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt de aard van uw asielaanvraag reeds voldoende. Bijgevolg acht ik het niet nodig u opnieuw te horen in het kader van uw Dringend Beroep. Aangezien uw problemen kennelijk voortvloeien uit de problemen van uw vader, en aangezien in diens hoofde reeds een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen omwille van het bedrieglijke karakter van zijn asielaanvraag, kan wat u betreft geen andere beslissing worden genomen. De door u voorgelegde documenten (geboorteakte, diploma) wijzigen niets aan bovenstaande beslissing aangezien ze enkel identiteitsgegevens bevatten. (...)”.
  9. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  10. Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en de hoorplicht; dat de Commissaris- generaal tot foutieve en onaanvaardbare gevolgtrekkingen is gekomen op basis van foutief geïnterpreteerde gegevens en dat hij verzoeksters procedure “zelfstandig” diende af te handelen zonder verwijzing naar de procedure van haar ouders; 2.
  11. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet dat verzoekster haar asielrelaas volledig baseert op de problemen die haar vader ondervond; dat uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat de Commissaris-generaal in dit geval een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren wanneer het naaste familielid, op wiens verklaringen het asielmotief is gebaseerd, geen gegevens aanbrengt die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging; dat verzoekster de motieven van de beslissing genomen in hoofde van haar vader kent aangezien zij deze inhoudelijk aanvalt; dat verzoekster enkel de tegenstrijdigheden in het relaas van haar ouders betwist maar ze niet weerlegt; dat, wanneer verzoekster aanvoert dat haar ouders niet werden gehoord op het Commissariaat-generaal, zij voorbijgaat aan het feit dat het dringend beroep een administratieve beroepsprocedure is, zodat de Commissaris-generaal niet verplicht is verzoekers te horen en dat hij bovendien in de bestreden beslissingen vermeldt waarom hij een verhoor niet noodzakelijk achtte; dat verzoekster de kans kreeg op de Dienst Vreemdelingenzaken om haar asielrelaas uiteen te zetten en zij geen enkel concreet element aanhaalt dat erop wijst dat een interview door de Commissaris-generaal noodzakelijk is; dat de besteden beslissing genomen in hoofde van verzoekster niet vernietigd kan worden op basis van het feit dat haar ouders niet werden gehoord; dat de tweede verwerende partij zich aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 2.
  12. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord volhardt in haar annulatievordering en betoogt dat zij verrast was dat de Commissaris- XIV-8129-3/6 generaal zijn beslissing nam zonder haar te horen, waardoor zij het bijkomend bewijsmateriaal waarover zij beschikte, niet kon overhandigen; 2.
  13. Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken kan bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen op grond van het feit dat verzoekster haar asielrelaas volledig baseert op het vluchtrelaas van haar vader, de heer V. terwijl er ten aanzien van hem een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf werd genomen omwille van het bedrieglijk karakter van zijn asielaanvraag; dat de XIVde Kamer van de Raad van State bovendien het door verzoeksters vader ingediende beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing heeft afgewezen in het arrest nr. 153.463 van 10 januari 2006; dat de Commissaris-generaal bijgevolg op goede gronden tot de ongegrondheid van verzoeksters asielrelaas besloot; Overwegende dat verzoekster aanvoert dat het niet volstaat dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing verwijst naar de beslissingen genomen ten aanzien van haar ouders, omdat zij niet op de hoogte was van de inhoud van die beslissingen en zij verwacht dat de Commissaris-generaal haar procedure “zelfstandig” behandelt; Overwegende dat de Commissaris-generaal zijn beslissing motiveert door te verwijzen naar de beslissing genomen ten aanzien van verzoeksters vader; dat dit erop wijst dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag van verzoekster individueel heeft onderzocht; dat de Commissaris-generaal zijn gemotiveerde beslissingen aan de door haar ouders gekozen woonplaats toestuurde; dat verzoekster bovendien op hetzelfde adres verbleef als haar ouders en zij bijgevolg kon kennis nemen van de inhoud van deze beslissingen; dat bovendien uit het inleidend verzoekschrift blijkt dat zij de motieven van deze beslissingen kent aangezien zij in het middel deze motieven inhoudelijk bespreekt; dat verzoekster niet aantoont dat de bestreden beslissing in rechte en in feite onvoldoende is gemotiveerd; Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat niettegenstaande de gangbare praktijk van een verhoor door het Commissariaat-generaal, er geen wettelijke verplichting bestaat om de kandidaat-vluchteling te horen alvorens een beslissing te nemen; dat de Commissaris-generaal telkens individueel beslist of een verhoor dienstig en onmisbaar is voor het nemen van zijn beslissing; dat hij van een verhoor kan XIV-8129-4/6 afzien indien hij van oordeel is dat hij voldoende ingelicht is omtrent de gegevens van de zaak om een gemotiveerde beslissing te kunnen nemen; dat enkel vereist is dat de kandidaat- vluchteling nuttig voor zijn rechten en belangen kan opkomen; dat verzoekster bij het indienen van haar dringend beroep de mogelijkheid had haar relaas uitvoerig schriftelijk uiteen te zetten; dat uit het administratief dossier blijkt dat zij van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt; dat het haar bovendien vrij stond een schriftelijke verklaring aan het Commissariaat-generaal over te maken alsook hem de bewijsstukken waarover zij beschikte te bezorgen; dat de Commissaris-generaal derhalve op grond van de stukken die zich in het administratief dossier bevinden zijn beslissing kon nemen zonder verzoekster te horen; dat de Commissaris-generaal bovendien in de bestreden beslissing motiveert waarom hij van een verhoor heeft afgezien; dat verzoekster niet aantoont welke verklaringen zij had wensen af te leggen tijdens een verhoor op het Commissariaat-generaal en op welke wijze deze verklaringen de bestreden beslissing in positieve zin hadden kunnen ombuigen; dat uit wat voorafgaat blijkt dat de Commissaris-generaal op goede gronden heeft geoordeeld dat een verhoor niet vereist was om tot een gemotiveerde beslissing te komen; 2.
  14. Overwegende dat de bestreden beslissing werd genomen in overeenstemming met de motiveringsplicht, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissing kan dragen en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; dat het redelijkheidsbeginsel niet werd geschonden; dat het enig middel ongegrond is, XIV-8129-5/6 BESLUIT: Artikel
  15. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-8129-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.464 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.