id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.465 Rolnummer: A. 115610/XIV-8133 Zaak: Arrest 153465 - - 10/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 08:11 Fiche Arrest nr 153.465 van 10 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.465 van 10 januari 2006 in de zaak A. 115.610/XIV-
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat G. VERGAUWE, kantoor houdende te 9940 EVERGEM, Belzeelsestraat 40 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 4 oktober 1955 en van Armeense nationaliteit, op 15 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 december 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 november 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gelet op het arrest nr. 111.574 van 16 oktober 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de beschikking van 27 november 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag d.d. 2 december 2004 opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, overgemaakt aan de bevoegde kamer op 6 december 2004; XIV-8133-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 1 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 oktober 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. VERGAUWE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 27 oktober 2001 en verklaart zich vluchteling op 6 november
- 1.
- Op 12 november 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 17 december 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, van Armeense origine en staatsburgerschap, verklaarde problemen te hebben gekend door de activiteiten van uw echtgenoot, H. V.. Uw man werkte in een fabriek die ten tijde van de oorlog in Nagorno-Karabach wapens produceerde en stelde met uw schoonbroer een illegale XIV-8133-2/6 handel in wapens vast. Uw man diende klacht in tegen zijn overste, M.. Er werd echter niets ondernomen omdat de nieuwe politiecommissaris banden had met M.). Op 6 juni 1995 werd uw schoonbroer vermoord nadat hij M., die kandidaat was bij de parlementsverkiezingen, in een slecht daglicht had geplaatst bij de bevolking. Ondanks een klacht bij de politie werd niets ondernomen tegen M.. Uw man werd zelfs door de politiecommissaris bedreigd. Op 15 mei 1996 gaf uw man een toespraak op een betoging tegen de president waarin hij zei dat M. apensmokkelaar was en dat de president hiertegen niets ondernam. Na de betoging werd hij door aanhangers van de president opgepakt. Hij werd ergens in Jerevan drie dagen vastgehouden, geslagen en mishandeld. Na drie dagen werd hij thuisgebracht en bedreigd niets meer te ondernemen. De gezondheid van uw man verslechterde hierdoor. Eind juni 1996 werd er op straat op uw man geschoten. U vertrok vervolgens met uw man naar Polen waar u tot januari 1999 bleef. U kwam terug omwille van de gezondheid van uw dochter. Uw man kocht twee winkels in Etchmiadzin maar werd door de politie lastiggevallen. In de zomer van 2000 werd uw man door de politie opgepakt en beschuldigd zonder factuur te verkopen. Na drie dagen werd uw man vrijgelaten. De politie bedreigde hem Armenië te verlaten. De politie kwam vaak langs. De gezondheid van uw man ging achteruit. Ondanks een klacht bij de president gebeurde er niets. Op 6 oktober 2000 verliet uw man opnieuw Armenië. Na zijn vertrek kwam de politie tweemaal langs en dreigde(n) ermee uw dochter te ontvoeren. Op 16 oktober 2000 was er een poging uw dochter te ontvoeren. Door uw geschreeuw werd deze poging verijdeld. Later die maand werd ’s nachts op uw deur geklopt. U vertrok eerst naar het dorp Aragats en vervolgens naar België. Op 27 oktober 2001 kwam u in België aan met uw dochter H. M. waar u op 6 november 2001 een asielaanvraag indiende. Uit uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt het bedrieglijk karakter van uw asielaanvraag reeds duidelijk. Daarom acht ik het niet nodig u opnieuw te horen in het kader van uw Dringend Beroep. De volgende ernstige tegenstrijdigheden dienen immers te worden opgemerkt tussen uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken en deze van uw man. Naar aanleiding van de moord op zijn broer en zijn klacht werd volgens de beweringen van uw man M. gearresteerd (Dienst Vreemdelingenzaken man, vraag 42). U zei daarentegen dat er geen maatregelen werden getroffen (Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 42). U zei eveneens dat uw man werd bedreigd door de politiecommissaris (Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 42), terwijl in de versie van uw man de politiecommissaris toen een broer van een vriend van hem was en er geen sprake is van dreigementen (Dienst Vreemdelingenzaken man, vraag 42). U zei verder dat uw man op 15 mei 1996 tijdens een betoging tegen de president een toespraak hield over de praktijken van M. waarna hij werd opgepakt, drie dagen vastgehouden en geslagen (Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 42). Uw man zei hier echter niets over. Hij sprak wel over een arrestatie vóór zijn vertrek naar Polen op 30 juni 1996 omtrent zijn handelsactiviteiten, waarbij hij drie dagen werd vastgehouden maar niet geslagen werd (Dienst Vreemdelingenzaken man, vraag 42). Hij antwoordde daarenboven op de expliciete vraag naar aanslagen op zijn lichamelijke integriteit, dat hij niet werd geslagen (Dienst Vreemdelingenzaken man, vraag 45). U zei daarnaast nog dat er eind juni 1996 op straat op uw man werd geschoten (Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 42). Uw man zei hier opnieuw niets over. Na zijn terugkeer in Armenië zei u dat hij opnieuw werd gearresteerd en drie dagen vastgehouden (Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 42). Opnieuw vermeldde uw man deze belangwekkende feiten niet in zijn uitgebreide verklaring. Omwille van deze ernstige tegenstrijdigheden kan verder geen geloof worden gehecht aan uw beweringen. De door u voorgelegde documenten (geboorteakte, huwelijksakte en diploma) wijzigen niets aan bovenstaande beslissing aangezien ze enkel identiteitsgegevens bevatten. (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht, van het redelijkheidsbeginsel en van de hoorplicht; dat de Commissaris-generaal tot foutieve en onaanvaardbare gevolgtrekkingen is gekomen op basis van foutief geïnterpreteerde gegevens; 2.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord uiteenzet dat het niet volstaat dat verzoekster enkel de tegenstrijdigheden ontkent maar haar bewering niet onderbouwt met concrete gegevens; dat het dringend beroep een administratieve beroepsprocedure is waarbij de Commissaris-generaal niet verplicht is verzoekster te horen en dat hij bovendien in de bestreden beslissing vermeldt waarom hij XIV-8133-3/6 een verhoor niet noodzakelijk achtte; dat verzoekster en haar echtgenoot voldoende de kans kregen om hun asielrelaas schriftelijk toe te lichten en zij geen enkel concreet element aanhalen waarom een verhoor op het Commissariaat-generaal noodzakelijk was; dat de tweede verwerende partij zich aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 2.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord volhardt in haar annulatievordering en betoogt dat zij verrast was dat de Commissaris- generaal zijn beslissing nam zonder haar te horen, waardoor zij het bijkomend bewijsmateriaal waarover zij beschikte, niet kon overhandigen; 2.
- Overwegende dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten op grond van het feit dat er ernstige tegenstrijdigheden werden vastgesteld tussen de verklaringen van verzoekster en die van haar echtgenoot, V. H., afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken: - verzoeksters echtgenoot verklaarde dat de directeur van de fabriek waar hij werkte werd gearresteerd naar aanleiding van de moord op zijn broer en zijn klacht hierover, terwijl verzoekster verklaarde dat er geen maatregelen werden genomen; - verzoekster verklaarde dat haar echtgenoot werd bedreigd door de politiecommissaris, terwijl haar echtgenoot verklaarde dat de politiecommissaris de broer was van een vriend en hij geen dreigementen ontving; - verzoekster verklaarde dat haar echtgenoot na een toespraak over de praktijken van de directeur werd opgepakt en drie dagen werd vastgehouden en geslagen, dat hij werd beschoten op straat en dat hij na zijn terugkeer in Armenië opnieuw werd gearresteerd en drie dagen vastgehouden, terwijl verzoeksters echtgenoot enkel vermeldde dat hij werd gearresteerd, omwille van zijn handelsactiviteiten, vóór zijn vertrek naar Polen op 30 juni 1996 en bevestigde dat hij niet werd geslagen; Overwegende dat verzoekster betwist dat er tegenstrijdige verklaringen werden afgelegd door haar en haar echtgenoot; dat zij stelt dat de door de Commissaris- generaal vastgestelde tegenstrijdigheden het gevolg zijn van een nuanceverschil in de vertaling door de tolken tijdens de verhoren op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat verzoekster aanvoert dat de Commissaris-generaal tot foutieve en onaanvaardbare gevolgtrekkingen komt op basis van door hem foutief geïnterpreteerde gegevens; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster noch haar echtgenoot, bij hun verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken opmerkingen hebben geformuleerd over eventuele vertaalproblemen en dat zij, nadat hen het verslag werd voorgelezen, wijzigingen hadden kunnen laten aanbrengen, wat zij niet deden; dat verzoekster bijgevolg akkoord ging met de inhoud van het verhoorverslag; dat verzoekster bij het Commissariaat-generaal haar asielrelaas schriftelijk kon uiteenzetten, maar deze kans XIV-8133-4/6 niet benutte; dat, wanneer verzoekster in het inleidend verzoekschrift aanvoert dat “twee verschillende tolken (...) ook twee verschillende nuances in een bepaalde zin of een bepaald woord (kunnen) aanbrengen”, zij voorbijgaat aan het feit dat uit het administratief dossier blijkt dat de verklaringen van verzoekster en die van haar echtgenoot door dezelfde tolk werden vertaald; dat verzoekster bijgevolg niet aantoont dat haar verklaringen niet correct werden vertaald, genoteerd of geïnterpreteerd; dat de Commissaris-generaal op goede gronden, op basis van de door hem vastgestelde tegenstrijdigheden, tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielrelaas kon besluiten; Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat niettegenstaande de gangbare praktijk van een verhoor door het Commissariaat-generaal, er geen wettelijke verplichting bestaat om de kandidaat-vluchteling te horen alvorens een beslissing te nemen; dat de Commissaris-generaal telkens individueel beslist of een verhoor dienstig en onmisbaar is voor het nemen van zijn beslissing; dat hij van een verhoor kan afzien indien hij van oordeel is dat hij voldoende ingelicht is omtrent de gegevens van de zaak om een gemotiveerde beslissing te kunnen nemen; dat enkel vereist is dat de kandidaat- vluchteling nuttig voor zijn rechten en belangen kan opkomen; dat verzoekster bij het indienen van haar dringend beroep de mogelijkheid had haar relaas uitvoerig schriftelijk uiteen te zetten; dat uit het administratief dossier blijkt dat zij van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt; dat het haar bovendien vrij stond een schriftelijke verklaring aan het Commissariaat-generaal over te maken alsook hem de bewijsstukken waarover zij beschikte te bezorgen; dat de Commissaris-generaal derhalve op grond van de stukken die zich in het administratief dossier bevinden zijn beslissing kon nemen zonder verzoekster te horen; dat de Commissaris-generaal bovendien in de bestreden beslissing motiveert waarom hij van een verhoor heeft afgezien; dat verzoekster niet aantoont welke verklaringen zij had wensen af te leggen tijdens een verhoor op het Commissariaat-generaal en op welke wijze deze verklaringen de bestreden beslissing in positieve zin hadden kunnen ombuigen; dat uit wat voorafgaat blijkt dat de Commissaris-generaal op goede gronden heeft geoordeeld dat een verhoor niet vereist was om tot een gemotiveerde beslissing te komen; 2.
- Overwegende dat de bestreden beslissing werd genomen in overeenstemming met de motiveringsplicht, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissing kan dragen en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; dat verzoekster er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal, en de gevolgtrekkingen die hij daaruit in rechte afleidt, onwettig zijn; dat het redelijkheidsbeginsel niet werd geschonden; dat het enig middel ongegrond is, XIV-8133-5/6 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-8133-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.465 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.