id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.467 Rolnummer: A. 145655/XIV-18128 Zaak: Arrest 153467 - - 10/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-24 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 08:11 Fiche Arrest nr 153.467 van 10 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.467 van 10 januari 2006 in de zaak A. 145.655/XIV-18.128. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. DE POURCQ, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Nachtegaalstraat 47 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 7 december 1962 en van Marokkaanse nationaliteit, op 22 december 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 november 2003, waarbij haar aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet), zonder voorwerp wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 4 juli 2005 op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 8 juli 2005; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 1 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 oktober 2005 om 10.00 uur; XIV-18.128-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. AKTEPE die, loco Advocaat A. DE POURCQ, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. XXX dient op 20 januari 2000 een regularisatieaanvraag in op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatie- wet). 1.2. Op 17 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot verwerping van de aanvraag tot regularisatie, door zich aan te sluiten bij de overwegingen van de Commissie voor regularisatie. 1.3. Bij arrest nr. 116.318 van 24 februari 2003 van de XIVde kamer van de Raad van State wordt het beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing verworpen. 1.4. Op 17 juli 2003 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet. 1.5. Op 7 november 2003 heeft de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken voormelde aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet zonder voorwerp verklaard. Dit is de bestreden beslissing, die als volgt is gemotiveerd: “(...) In toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek zonder voorwerp is geworden. Betrokkene is ingeschreven bij de Regularisatiecommissie en heeft een negatieve beslissing gekregen inzake de aanvraag tot regularisatie op grond van de wet van 22/12/1999. Artikel 16 § 1 van deze wet verbiedt immers, wanneer de Regularisatiecommissie is gevat met een onderzoek (wat hier het geval i(n)(
- s)onder het nr. 20602000012000868), het indienen van een aanvraag tot verblijf krachtens art. 9 § 3/ van de wet van 15/12/1980. Dit verbod geldt niet tot een eventue(e)l(
- e)verwerping van een verzoek, maar zolang de genoemde wet van 22/12/1999 van kracht is. Betrokkene dient dus gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, haar betekend op 27/06/2001. XIV-18.128-2/5 (...).”. 2. Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat dient te worden nagegaan of verzoekster belang heeft bij het beroep tegen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 november 2003 waarbij de machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet zonder voorwerp wordt verklaard; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekster op 20 januari 2000 een regularisatieaanvraag heeft ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat deze aanvraag op 17 januari 2001 door de Minister van Binnenlandse Zaken werd verworpen; dat artikel 16 van de Regularisatiewet als volgt luidt: “(...) De indiening van een aanvraag op grond van artikel 2 verbiedt de aanvrager om een aanvraag in te dienen op grond van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De indiening, na de inwerkingtreding van deze wet, van een aanvraag op basis van artikel 9, derde lid van voornoemde wet van 15 december 1980 verbiedt de aanvrager om, gelijktijdig of daarna, een aanvraag in te dienen op grond van artikel 2. (...).”. Overwegende dat verzoekster in het beschikkend gedeelte van haar verzoekschrift tot nietigverklaring het volgende schrijft: “(...) Derhalve de beslissing d.d. 07.11.2003, ter kennis gebracht op 01.12.2003, nietig te verklaren; Desgevallend een nieuwe prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof; (...).”. Overwegende dat verzoekster in het beschikkend gedeelte van haar verzoekschrift tot schorsing het volgende schrijft: “(...) Derhalve de beslissing d.d. 07.11.2003, ter kennis gebracht op 01.12.2003, nietig te verklaren; Zeer ondergeschikt, een nieuwe prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof; (...).”. Overwegende dat het niet toekomt aan de Raad van State om zelf een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof, wanneer verzoekster nalaat de vraag te formuleren en evenmin de categorieën aanduidt waarmee wordt vergeleken, om de eventuele schending van het gelijkheidsbeginsel aan te tonen; XIV-18.128-3/5 Overwegende dat voorts wordt verwezen naar het arrest nr. 82.167 van 1 september 1999 van de VIIde kamer van de Raad van State, waarin uitgebreid wordt gemotiveerd waarom in bepaalde gevallen niet wordt overgegaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Arbitragehof; Overwegende dat de Raad van State overigens reeds eerder heeft overwogen dat de tekst van artikel 16 van de Regularisatiewet “duidelijk is en op het eerste gezicht geen beperking in de tijd stelt met betrekking tot het verbod om een latere regularisatieaanvraag in te dienen”, én dat het Arbitragehof, naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de Raad van State, in het arrest nr. 103/2003 van 22 juli 2003 overweegt dat: “(...) Het (...) juist (
- is)dat de vreemdeling wiens regularisatieaanvraag, ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, werd verworpen, nadien evenmin vermag een nieuwe procedure in te leiden op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, zelfs wanneer hij meent zich te kunnen beroepen op buitengewone omstandigheden die van die aard zijn dat zij kunnen verantwoorden dat hij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden niet heeft ingediend bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. Die onmogelijkheid is (...) het gevolg van een keuze inzake de te volgen procedure die door de vreemdeling zelf (...)(wordt) gemaakt en waarvan de gevolgen door de wet (...) (zijn) bepaald. De in artikel 16 besloten maatregel is van die aard dat hij een einde kan maken aan een voortdurende indiening van nieuwe verblijfsaanvragen op grond van artikel 9, derde lid. (...) Die bepaling kan (...) evenmin als onevenredig worden beschouwd. Enerzijds, verhindert niets immers de vreemdeling om, met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, een nieuwe verblijfsaanvraag in te dienen bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; anderzijds, indien de vreemdeling onwettig in België verblijft, wordt zijn toestand niet minder onwettig door het feit dat die toestand voortduurt. (...).”. Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat bij een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 november 2003, waarbij de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet zonder voorwerp wordt verklaard, de verwerende partij niets anders vermag dan opnieuw dezelfde beslissing te nemen; dat derhalve een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing verzoekster geen nut kan opleveren; dat verzoekster geen belang heeft bij de vorderingen; Overwegende dat het beroep onontvankelijk is bij gebrek aan het rechtens vereiste belang, BESLUIT: Artikel 1. XIV-18.128-4/5 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden onontvankelijk verklaard. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-18.128-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.467 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div