← België

Arrest 153473 - - 11/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.473 Rolnummer: A. 139796/VII-30404 Zaak: Arrest 153473 - - 11/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-26 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 08:11 Fiche Arrest nr 153.473 van 11 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 153.473 van 11 januari 2006 in de zaak A. 139.796/VII-30.404 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9120 BEVEREN, Grote Markt 34/b tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Liberiaanse nationaliteit, op 30 juli 2003 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 3 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 2 juli 2003; Gezien het beroep tot nietigverklaring; Gelet op de beschikking van 20 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op het administratief dossier; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 7, §2 van het hoger genoemde koninklijk besluit; VII-30.404-1/3 Gelet op de kennisgeving van dit voorlopig advies aan de partijen; Gelet op de beschikking van 9 november 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 14 december 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat P. BUYTAERT, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 2 juni 2003 en verklaarde zich op dezelfde dag vluchteling. 1.
  3. Op 3 juni 2003 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 27 juni 2003 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. Dit is de bestreden beslissing. 2.
  5. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat er ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot het moeilijk te herstellen nadeel stelt dat zij bij een terugkeer naar haar land van herkomst zonder twijfel VII-30.404-2/3 gearresteerd en opgesloten zal worden en dat, in geval van een terugkeer naar Gambia, zij onmiddellijk gearresteerd zal worden en serieuze problemen zal ondervinden; dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij België definitief heeft verlaten met bestemming Banjul (Gambia) met de vlucht SN 203 op 1 augustus 2003; dat de verzoekende partij het moeilijk te herstellen ernstig nadeel van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet aantoont aangezien zij vrijwillig naar Gambia is gereisd; dat de vordering tot schorsing dient te worden verworpen;
  7. Overwegende dat niet is voldaan aan een van de twee door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  9. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf januari tweeduizend en zes, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-30.404-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.473 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.