← België

Arrest 153481 - - 11/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.481 Rolnummer: A. 135930/VII-34866 Zaak: Arrest 153481 - - 11/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-25 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 08:11 Fiche Arrest nr 153.481 van 11 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 153.481 van 11 januari 2006 in de zaak A. 135.930/VII-34.866 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat D. RYCKAERT, kantoor houdende te 1831 DIEGEM, Berkenlaan 8A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, afkomstig uit voormalig Joegoslavië, op 25 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij betekend per aangetekend schrijven verzonden op 31 maart 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 9 november 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 14 december 2005; VII-34.866-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. RYCKAERT, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 25 april 1999 en verklaarde zich op 28 april 1999 vluchteling. 1.
  3. Op 16 oktober 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 27 maart 2003 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een etnisch Albanese afkomstig uit het dorp Jagode, gemeente Klinë, Kosovo (Servië-Montenegro). Na de escalatie van het interetnisch conflict in Kosovo (begin 1998) zijn Servische ordetroepen op 5 maart 1999 uw dorp binnengevallen. Ze verjoegen u uit uw woning en zeiden dat jullie naar Albanië moesten gaan. Uw echtgenoot protesteerde en werd door de Serviërs gedood. U heeft samen met uw minderjarige zoon en andere dorpelingen Jagode verlaten. Uw schoonouders zijn achtergebleven in uw dorp. Samen met andere vluchtelingen bent u naar Tropojë (Albanië) vertrokken. Na twee dagen bent u verder gereisd naar Shkodër en Vlorë (Albanië). Op 25 april 1999 bent u samen met uw minderjarige zoon aangekomen in België, waar u op 26 april 1999 asiel hebt aangevraagd. U wil momenteel niet terugkeren naar Kosovo omdat u daar niets meer heeft en omdat u goed geïntegreerd bent in België. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat u helemaal niet aannemelijk heeft gemaakt daadwerkelijk afkomstig te zijn uit Kosovo. Zo bent u niet in het bezit van documenten die uw afkomst of identiteit kunnen staven en heeft u blijkbaar geen enkele poging ondernomen om dergelijke stukken te bekomen, ofschoon dit in uw geval wel VII-34.866-2/5 redelijkerwijs verwacht kan worden aangezien uw ouders, luidens uw verklaringen, momenteel in Klinë wonen en u bovendien nog recent telefonisch contact hebt gehad met hen. Voorts (her)kende u de in Kosovo courant gebruikte Servische benaming voor identiteitskaart niet (verhoorverslag CGVS, p. 4). Bovendien verwees u naar een identiteitskaart met het Albanese woord ‘certificate’ (verhoorverslag CGVS, p. 5), een term die enkel in Albanië bovenaan een geboorteakte vermeld staat, maar niet gebruikt wordt in Kosovo. Uw geboorteakte noemde u dan weer foutief een “posat” en u verklaarde dat dit document drievierde van een A4-blad groot is en een foto bevat (verhoorverslag CGVS, p. 5), terwijl een geboorteakte in Kosovo een volledig A4-blad groot is en geen foto bevat. U herkende de in Kosovo courant gebruikte Servische term voor geboorteakte ook niet en beweerde dat dit de naam van een dorp is (verhoorverslag CGVS, p. 4). Verder bleef u het antwoord schuldig op een aantal elementaire kennisvragen omtrent de gemeente Klinë en de omgeving ervan, waar u nochtans uw hele leven (tot maart 1999) zou gewoond hebben. Zo kende u Polane, Vide, Potogan, Budisallo blijkbaar helemaal niet (verhoorverslag CGVS, p. 4), terwijl deze vier dorpen binnen een straal van minder dan tien kilometer van uw beweerde woonplaats liggen. Specifiek gevraagd naar Pejë en Deçan - twee steden gelegen op ongeveer 25 km van de stad Klinë - verklaarde u dat Deçan een dorp was dat u verder niet kon situeren en dat Pejë een dorp in de gemeente Klinë was (verhoorverslag CGVS, p. 4). Als dorpen rond Klinë noemde u Zllogocan, Perlin, Grebenik en Grabonik (verhoorverslag CGVS, p. 4), waarbij Zllogocan niet terug te vinden is op de op het Commissariaat- generaal beschikbare land- en stafkaarten van Kosovo en u Perlin helemaal niet kon situeren ten opzichte van Klinë. De dorpen Grebenik en Grabonik zijn evenmin terug te vinden op voornoemde land- en stafkaarten, enkel het dorp Grabanicë behoort tot de gemeente Klinë. Gevraagd naar steden rond de stad Klinë noemde u Prishtinë, Gjakovë en Mitrovicë (verhoorverslag CGVS p. 4), terwijl enkel Gjakovë een aangrenzende gemeente is en de twee andere op ongeveer 50 km. van Klinë liggen. Daarenboven kon u hoe dan ook geen enkel dorp opnoemen dat gelegen is tussen Klinë en deze door u zelf genoemde steden (verhoorverslag CGVS p. 4). Bovendien moet ook worden vastgesteld dat u het Servisch helemaal niet machtig bent aangezien u zelfs courant gebruikte Servische woorden zoals kind, huis, straat en oorlog niet kende (verhoorverslag CGVS, p. 5-6). Gevraagd naar politieke partijen van etnische Albanezen in Kosovo beweerde u - volkomen ten onrechte - dat er zo maar één partij is, met name de PDC (Christelijke Democratische Partij). Voorts beweerde u Adem Jashari te kennen als een held die bij het "Kosovaars Bevrijdingsleger" heeft gestreden en tijdens de oorlog gestorven is. U wist echter niet precies wanneer. Gevraagd naar de aanleiding van de escalatie van het interetnische conflict in Kosovo wist u hierop het antwoord niet en sprak u enkel over een conflict in de mijn van Srepca in 1998 (verhoorverslag CGVS, p. 5-6). Het is echter algemeen geweten dat het interetnische conflict in Kosovo geëscaleerd is na de moord door Servische ordetroepen op Adem Jashari en zijn familie begin
  5. Gelet op bovenstaande vaststellingen kan geen enkel geloof gehecht worden aan uw beweerde afkomst noch aan uw vluchtmotieven. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing. VII-34.866-3/5
  6. Overwegende dat in een enig middel de schending wordt ingeroepen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het recht op een behoorlijke rechtsbedeling en van het recht van verdediging; dat de verzoekende partij stelt dat het verhoorverslag van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen juiste weergave is van hetgeen zij daadwerkelijk heeft verklaard tijdens het verhoor; dat zij tevens aanvoert dat van een geschoolde vrouw niet mag verwacht worden dat zij overweg kan met gedetailleerde landkaarten en dat vrouwen in haar streek van herkomst geen toegang krijgen tot officiële administratieve documenten en weinig bewegingsvrijheid genieten; Overwegende dat de overheid, bevoegd om over een asielaanvraag te beslissen, in de eerste plaats moet nagaan of degene die zich vluchteling verklaart werkelijk afkomstig is uit het land dat hij beweert te zijn ontvlucht; dat het niet onredelijk is dat die overheid, wanneer de asielzoeker geen documenten kan overleggen waaruit zijn herkomst blijkt, tracht de kennis van betrokkene over de streek te toetsen; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal aan de verzoekende partij terzake de gegevens heeft gevraagd die in de bestreden beslissing zijn aangehaald; dat de commissaris- generaal uit het aldus aangetoonde gebrek aan kennis van die streek in redelijkheid mocht afleiden dat de verzoekende partij niet het bewijs leverde van haar beweerde herkomst; Overwegende dat de commissaris-generaal in deze in laatste aanleg uitspraak doet over de feitelijke elementen van de zaak; dat uit de bewoordingen van de bestreden beslissing blijkt dat de commissaris-generaal in het eerste deel van die beslissing op uitgebreide wijze én uiterst gedetailleerd de verklaringen die de verzoekende partij tijdens de diverse verhoren in het kader van de asielprocedure heeft afgelegd, uiteenzet; dat vervolgens de bevindingen worden weergegeven van het onderzoek van deze verklaringen; dat de commissaris-generaal aan de hand van deze vaststellingen ten slotte concludeert dat de asielaanvraag van betrokkene bedrieglijk is; dat van een kandidaat-vluchteling mag verwacht worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig, op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, bevoegd om kennis te nemen van de asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er in hoofde van de kandidaat-vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de commissaris-generaal in het huidige geval vaststelt dat geen geloof kan worden gehecht aan de herkomst van de verzoekende partij omwille van de redenen vermeld in de bestreden beslissing; dat de verzoekende partij haar gebrekkige relaas poogt te verklaren door het feit dat zij ongeschoold is; dat echter ook van personen die geen opleiding hebben genoten redelijkerwijze mag worden verwacht dat zij essentiële vragen in verband met hun land kunnen beantwoorden; dat het betoog van de verzoekende partij VII-34.866-4/5 betreffende de weergave van haar verklaringen niet kan worden bijgetreden nu uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat zij hieromtrent geen enkele opmerking heeft gemaakt alhoewel het verslag aan haar werd voorgelezen; dat het recht van verdediging niet van toepassing is op administratieve beslissingen genomen in het raam van de Vreemdelingenwet; dat het oordeel van de commissaris-generaal om de asielaanvraag van de verzoekende partij als bedrieglijk te bestempelen niet kennelijk onredelijk is;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf januari tweeduizend en zes, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-34.866-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.481 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.