id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.578 Rolnummer: A. 163493/X-12350 Zaak: Arrest 153578 - - 12/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-24 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 08:12 Fiche Arrest nr 153.578 van 12 januari 2006 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.578 van 12 januari 2006 in de zaak A. 163.493/X-12.350. In zake : Walter VAN DEN BERGH, die woonplaats kiest bij Advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij Advocaat D. SOCQUET, kantoor houdende te 3080 TERVUREN, Merenstraat 28. tussenkomende partij : Daniël VANHOUTVINCK, die woonplaats kiest bij Advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Antwerpsesteenweg 18. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Walter VAN DEN BERGH op 21 juni 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 24 maart 2005 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij aan Daniël VANHOUTVINCK de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor "het opsplitsen van een perceel om een vrijstaande eengezinswoning te creëren, met aanpalend een lot te voegen bij deze kavel voor een perceel grond gelegen aan de Rillaarsebaan te Aarschot, kadastraal bekend afdeling 6, sectie B, nr. 51 M-N"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-12.350-1/20 Gelet op de beschikking van 5 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 oktober 2005; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2005 waarbij bovenvermelde beschikking wordt ingetrokken en de zaak in behandeling wordt genomen op de openbare terechtzitting van 14 oktober 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. BEELEN die loco Advocaat W. MERTENS verschijnt voor verzoeker, van Advocaat D. SOCQUET die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat T. RYCKALTS die loco Advocaat C. GYSEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat Daniël VANHOUTVINCK met een verzoekschrift van 8 juli 2005 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Aarschot bij afzonderlijke besluiten van 10 september 1979 met betrekking tot een aanvraag tot het verkavelen van een grond gelegen te Aarschot (Gelrode), Rillaarsebaan, kadastraal bekend Sectie B, nr. 51d, de verkavelingsvergunning heeft verleend voor de ontworpen kavels 4 en 5, respectievelijk de verkavelingsvergunning heeft geweigerd voor de ontworpen kavels 1, 2 en 3, op grond van de reden opgegeven in het erin overgenomen advies van de gemachtigde ambtenaar, luidend als volgt : "ONGUNSTIG voor de ontworpen kavel 1 tot en met 3 De aangevraagde kavels zijn volgens het gewestplan Aarschot-Diest vastgesteld bij K.B. 7.11.1978 voorzien buiten de woonzone in een agrarisch gebied (art. 11/4.1. van het K.B. van 28.12.1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen) Om bovenvermelde reden is het verder verkavelen (vormen van nieuwe kleinere bouwpercelen), strijdig met de verantwoorde stedenbouwkundige structurering van het grondgebied. X-12.350-2/20 Derhalve besluit ik tot de weigering van de vergunning. (1.V.147)."; dat Daniël VANHOUTVINCK op 14 april 2004 bij het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Aarschot een verkavelingsaanvraag heeft ingediend voor een grond gelegen te Aarschot (Gelrode), Rillaarsebaan, kadastraal bekend Sectie B, nrs. 51 M en 51 N, zijnde de kavels 2 en 3 waarvoor voormeld besluit van 10 september 1979 van het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Aarschot de verkavelingsvergunning had geweigerd; dat het ontwerp voorziet in een "kavel 1 : + 10a 16ca", volgens het bij de aanvraag gevoegde plan gelegen in "woongebied met landelijk karakter" en een naastliggend "te behouden deel te voegen bij kavel 1 : + 5a 19ca", volgens hetzelfde plan gelegen in "agrarisch gebied met landschappelijk waardevolle gebieden"; dat de gemachtigde ambtenaar op 24 juni 2004 een ongunstig advies heeft uitgebracht; dat het College van Burgemeester en Schepenen bij besluit van 29 juli 2004 de gevraagde verkavelingsvergunning heeft geweigerd; dat het College van Burgemeester en Schepenen zijn standpunt heeft gemotiveerd als volgt : "Stedenbouwkundige basisgegevens uit plannen van aanleg De bouwplaats is volgens het gewestplan Aarschot-Diest, vastgesteld bij KB 7 november 1978, gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. (...) Het openbaar onderzoek Een openbaar onderzoek werd gehouden van 14/04/04 tot en met 14/05/04. Tijdens het openbaar onderzoek werden 13 bezwaren ingediend. De bezwaren zijn gegrond en worden weerhouden. (...) Historiek Op 10/09/1979 werd door het College van Burgemeester en Schepenen een eerste verkavelingsaanvraag gedeeltelijk goedgekeurd voor de loten 4 en 5 gelegen in landelijk woongebied en geweigerd voor de loten 1, 2 en 3 gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De huidige aanvraag van verkaveling heeft betrekking op de geweigerde loten 2 en 3. Beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en het project De aanvraag betreft het verkavelen van een goed gelegen langs een uitgeruste openbare weg in 1 lot bestemd voor het oprichten van een ééngezinswoning in open verband. Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Het vormen van residentiële bouwpercelen, gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, is NIET in overeenstemming met de planologische voorschriften gevoegd bij het gewestplan Aarschot-Diest. Algemene conclusie Aldus ONGUNSTIG om bovenvernoemde redenen"; dat de aanvrager op 26 augustus 2004 beroep heeft ingesteld bij de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Vlaams-Brabant; dat de Bestendige Deputatie X-12.350-3/20 bij het bestreden besluit van 24 maart 2005 het beroep van de aanvrager heeft ingewilligd en "de stedenbouwkundige vergunning met tot doel het opsplitsen van een perceel om een vrijstaande eengezinswoning te creëren, met aanpalend een lot te voegen bij deze kavel voor een perceel grond aan de Rillaarsebaan te Aarschot, kadastraal bekend afdeling 6, sectie B, nr. 51M-N" heeft verleend; dat dit besluit is gemotiveerd als volgt : "• Wettelijke en reglementaire voorschriften Het perceel is niet gelegen binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde verkaveling. Voor het gebied waarin het perceel gelegen is, bestaat er geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg. De aanvraag heeft betrekking op samenvoeging van twee percelen die volgens de opmeting aan de straatzijde voor ca. 15,92m in het woongebied met landelijk karakter zijn gelegen. De strook in het woongebied zou verbreden tot ca. 35,47m op ca. 40m vanaf de straat. Het overige perceelsgedeelte is gelegen in het agrarisch gebied. De geplande bouwzone bevindt zich integraal binnen het gedeelte dat in woongebied is gelegen. Het betrokken landelijke woongebied is lintvormig afgebakend in functie van de Boonzakstraat, een kleine dwarsstraat van de Rillaarsebaan. Het nieuwe bouwlot is voorzien aan de Rillaarsebaan in het achterste gedeelte van het landelijke woongebied, bekeken vanaf de Boonzakstraat. Bij de afbakening van dit landelijke woongebied gebeurde de grafische weergave op een slordige manier. In principe zou de diepte van het landelijke woongebied vanaf de Boonzakstraat slechts 50m mogen bedragen, vanaf het oude tracé van deze weg werd echter een diepte van ruim 70m nabij de Rillaarsebaan opgetekend. Anderzijds werd het lint niet doorgetrokken tot pal tegen de Rillaarsebaan, maar kan een tussenliggende strook van ca. 15m in het agrarisch gebied vastgesteld worden. Aangaande de diepte van het landelijk woongebied in functie van de Boonzakstraat kan gesteld worden dat in deze gevallen, waarbij de grafische weergave méér terrein heeft doen ontstaan binnen het landelijk woongebied (ruim 70m diepte ipv.50m diepte) en er is geen morfologisch terreingegeven dat aangeeft waar de grens op het terrein behoorde te liggen, deze weergave gebruikelijk ten gunste van de eigenaar van de betreffende grond geïnterpreteerd wordt. De weergave van de zonegrens, zoals die door de aanvrager op het plan wordt weergegeven stemt ter hoogte van de achterste perceelsgrens overeen met de weergave op het gewestplan. Voortgaande op de plannen op schaal 1/10000 is het duidelijk dat de grens van dit landelijke woongebied werd opgetekend volgens de kruin van het (zwakke) talud langs de Rillaarsebaan, zoals die is weergegeven op de topografische onderlegger volgens het gewestplan. Hieruit blijkt duidelijk de intentie om het talud aan de Rillaarsebaan intact te laten en slechts in functie van de Boonzakstraat bebouwing toe te laten. Niettemin werd eerder een verkavelingsvergunning voor twee kavels in functie van de Rillaarsebaan afgeleverd, mits negatie van de tussenliggende strook agrarisch gebied, hierbij werd dit talud dan ook op het terrein opgenomen in een terrasvormige voortuinaanleg. Ook de voorliggende aanvraag wordt onterecht abstractie gemaakt van de tussenliggende strook agrarisch gebied aan de Rillaarsebaan. De betrokken eerder afgeleverde verkavelingsvergunning is niet in overeenstemming met de planologische visie, zoals uitgedrukt in de omzendbrief van 08/07/1997. Onterecht werd een strook landschappelijk waardevol agrarisch gebied aan de zijde van de Rillaarsebaan mee opgenomen in het residentieel bouwlot. De vergunningverlenende overheid heeft het recht, maar ook de plicht, X-12.350-4/20 om zodanig te beslissen dat de goede plaatselijke ordening wordt gevrijwaard. Luidens het arrest van de Raad van State van 13/12/1966, inzake Mampaey kunnen vroegere tekortkomingen of vergissingen op dat vlak, ook die van andere overheden, hen niet van die plicht ontslaan. De toekenning van een eerdere vergunning met miskenning van de eisen van de goede plaatselijke ordening kan een nieuwe vergelijkbare vergunning niet rechtvaardigen, noch kan het een recht doen ontstaan ten voordele van derden om, zelfs in dezelfde omstandigheden, ook vergunning te bekomen (...). De aanvraag kan aldus, voor wat betreft de diepte van het landelijk woongebied vanaf de Boonzakstraat, als correct beschouwd worden, maar niet voor wat betreft de afstand tot de Rillaarsebaan. Het betrokken bouwlot ligt voor minstens zowat de eerste strook van 15m in het agrarisch gebied. Het creëren van een bouwkavel kan slechts voor zover de zonegrenzen worden gerespecteerd in overeenstemming zijn met de planologische bepalingen voor het landelijk woongebied. Hier is een brede strook grond gelegen in het agrarisch gebied. Dit maakt dat het bebouwbare gedeelte van het perceel enkel via het agrarisch gebied toegankelijk zou kunnen gemaakt worden, het is duidelijk dat dit voorbijgaat aan de planologische opties van de plaats. Artikel 11 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen is van kracht. De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze integrerend deel uitmaakt van een leefbaar bedrijf en eveneens para-agrarische bedrijven. Het creëren van een bouwkavel voor het oprichten van een woning is strijdig met de planologische bepalingen voor het agrarisch gebied. Het betrokken landelijke woongebied is afgebakend in functie van de Boonzakstraat, het perceel is gelegen aan (
- de)Rillaarsebaan, die hier onder een scherpe hoek aansluit op de Boonzakstraat. Percelen die binnen deze landelijke woonzone zijn gelegen maar niet palen aan de straat waaraan het woongebied is afgebakend zijn hoekpercelen. Voor hoekpercelen bepaalt de coördinatie van 8 juli 1997 van het KB van 28 december 1978 dat de bebouwing evenzeer kan bekeken worden in functie van de straat die uitmondt op een weg waarlangs het woongebied is afgebakend. Hiertoe dienen dan de normale stedenbouwkundige criteria aangaande voldoende oppervlaktes, bouwvrije stroken enz... toegepast te worden. In principe kan het mogelijk zijn om bouwpercelen af te splitsen. Dit hangt samen met de verdere beoordeling inzake het voldoen aan de normale stedenbouwkundige criteria. Hoofdstuk II, afdeling 1, artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemeen waterbeleid (Belgisch Staatsblad 14 november 2003) legt bepaalde verplichtingen op, die de watertoets worden genoemd. Deze watertoets houdt in dat de eventuele schadelijke effecten van het innemen van ruimte ten koste van de watersystemen worden ingeschat. De aanvraag is niet gelegen binnen een overstromingsgevoelige zone. Gezien de aanvraag een toename van de bebouwde oppervlakte inhoudt en dus een vermindering van de infiltratiecapaciteit van de bodem, dient de afkoppeling van het hemelwater vooropgesteld te worden. Deze voorziening voor recuperatie en/of infiltratie van het hemelwater, in toepassing van de dan geldende verordeningen, kan bij een latere aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning worden weergegeven. In deze omstandigheden kan in alle redelijkheid verwacht worden dat er geen schadelijk effect wordt veroorzaakt in de plaatselijke waterhuishouding, noch dat dit mag verwacht worden ten aanzien van het eigendom in aanvraag. De betrokken percelen zijn momenteel bebost, ook op aanpalende percelen komt bebossing voor. Art. 99 § 1.2/ van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat niemand zonder voorafgaandelijk X-12.350-5/20 stedenbouwkundige vergunning mag ontbossen in de zin van bosdecreet van 13 juni 1990. Onder bossen worden alle met bomen begroeide oppervlakte(
- n)bedoeld, zoals vastgesteld in art. 3 van dit bosdecreet. Art. 3 § 1 van het bosdecreet bepaalt dat de bossen grondoppervlakte zijn waarvan bomen en houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken. In voorliggend geval is het perceel begroeid met een volwassen gemengd bos. Er is dus een vergunningsplicht. Gezien de aanvraag onder het art. 90bis van het bosdecreet valt, is wettelijk bepaald dat een bosbehoudsbijdrage dient betaald te worden. Een vergunning slechts kan bekomen worden onder voorbehoud van een compensatievoorstel voor de ontbossing in het kader van art. 90bis van het bosdecreet. In voorliggend geval heeft de afdeling Bos en Groen geen advies uitgebracht i.v.m. de aanvraag. Het ontbreken van een compensatievoorstel maakt dat de aanvraag niet voor vergunning vatbaar • Verenigbaarheid met een goede ruimtelijke ordening Situering & beschrijving omgeving : De aanvraag is gesitueerd aan de Rillaarsebaan, ten oosten van de kern van Gelrode. Het perceel is gelegen aan het einde van een woonlint dat is afgebakend in functie van de Boonzakstraat, een smallere plaatselijke zijstraat van de Rillaarsebaan. De Rillaarsebaan vormt hier een plaatselijke verbinding tussen een verbindingsweg Holsbeek-Aarschot en de weg tussen Rillaar en Nieuwrode, met een afrit van de A2. De Rillaarsebaan die vertrekt vanaf de rand van Gelrode, loopt hier vrijwel parallel met de A2, tot op enkele kilometers van de kern van Rillaar. De weg wordt gekenmerkt door verspreide groepjes woningen en nog lange open stukken. in functie van de Rillaarsebaan zelf werd geen enkel woongebied afgebakend. Meer gedetailleerde beschrijving van aanvraag/ontwerp : De aanvraag voorziet in de opsplitsing van een samenvoeging van twee kadastrale percelen die eerder buiten een verkaveling werd gesloten. Dit perceel is momenteel bebost en zou volgens de zonegrens, schuin over de beide percelen opgesplitst worden tot een bebouwbaar lot, met een woning op het rechtse perceelsgedeelte aansluitend bij twee eerder gerealiseerde bouwloten en een te behouden deel te voegen bij deze bouwkavel. Beoordeling : Uit een nauwkeurige opmeting en nameting blijkt dat de stelling van de aanvrager dat het te vormen perceel nog in het landelijk woongebied is ondergebracht vanaf de Boonzakstraat terecht. Het weigeringsmotief aangaande de planologische onverenigbaarheid om reden van de aangenomen diepte van dit gebied van 50m komt op deze manier te vervallen. Aangaande de afbakening van het woongebied in functie van de Rillaarsebaan tot aan de kruin van het talud kan verwezen worden naar de verbreding van de weg. Raadpleging van de Atlas de Buurtwegen toont aan dat er een verbreding en gedeeltelijke verlegging van de voorliggende buurtweg nr. 5 plaatsvond. Bij de opmaak van de gewestplannen werd uitgegaan van het oude wegtracé. Na de uitvoering van de werken is deze weg verbreed van 5m ter hoogte van de aanvraag tot ca. 15m. Ter hoogte van het betrokken perceel betekent dit dat ruim 5m van het initiële perceel werd prijsgegeven ten koste van de nieuwe weg, de rest werd aan de andere zijde van de weg ingenomen. De topografische onderlegger bij het gewestplan is een ruwe weergave van het initiële wegtracé, dat hier is weergegeven met een hoge berm aan weerszijden. Deze berm heeft ook een standaardweergave. De topografische optekening maakt abstractie van de reële weg en de bijhorende bermen. De Bestendige Deputatie is van oordeel dat de afbakening van het woongebied niet bedoeld was om tot de Boonzakstraat beperkt te blijven, of om de berm langs de Rillaarsebaan intact te laten. Door de verbreding van de weg, is de rand van de weg ter hoogte van het perceel met ruim 5m opgeschoven en X-12.350-6/20 is het talud aangetast. De weg reikt nu tot dichterbij de onzorgvuldig opgetekende zonegrens van het landelijk woongebied ter hoogte van de fictieve kruin van het talud. Dit heeft er tot geleid dat de reststrook tussen de rand van het landelijk woongebied en de rand van de weg met ca. 5m gereduceerd is. Bij een eerdere verkavelingsvergunning werd reeds toegestaan dat twee woningen in functie van de Rillaarsebaan werden opgericht, waarbij ook aangenomen werd dat het woongebied zich uitstrekte tot aan de Rillaarsebaan. Deze vergunning bevestigt het standpunt dat er geen intentie was het talud te respecteren. Dit talud is dan ook door de reeds afgeleverde vergunning niet meer aanwezig op het terrein. De Bestendige Deputatie besluit dat er geen planologische onverenigbaarheid kan worden vastgesteld, in het licht van de eerdere wegverbreding. Het voorstel betreft een hoekperceel. Het betrokken hoekperceel is een resterend gedeelte van een eerder gedeeltelijk goedgekeurde verkaveling voor twee loten ipv de gevraagde vijf loten uit 1979. Hierbij werd geoordeeld dat dit gedeelte van de grond buiten het landelijk woongebied is gelegen. Hoewel de onzorgvuldige grafische weergave van het landelijke woongebied maakt dat het nu voorgestelde bouwlot wél binnen de zonegrens is gelegen, kan niet worden voorbij gegaan aan de wenselijke ordening bij hoekpercelen. Het voorgestelde bouwperceel zou een breedte van ca. 15,92m aan de straat bezitten en een gemiddelde diepte van ca. 40m. Aan de achterzijde bezit de kavel een breedte van 35,47m. De perceelsoppervlakte zou ca. 10a 16ca bedragen. Er wordt een achteruitbouwstrook overeenkomstig de aanpalende woningen voorgesteld, een gangbare bouwdiepte van 15m en gangbaar bouwvrije stroken van 4m. Het verkavelingsvoorstel voldoet aan alle opvattingen omtrent een optimale perceelsinrichting en een goede plaatselijke ordening. Tijdens de procedures werd een compensatievoorstel voor de ontbossing (...) aan het dossier toegevoegd. Dit voorstel kan voor akkoord voorgelegd worden aan de afdeling Bos en Groen. Dit maakt dat het voorstel voor vergunning vatbaar is. De voorgaande overwegingen in acht genomen kan de bestendige deputatie het beroep inwilligen om volgende redenen : - het landelijk woongebied zoals opgemeten door de aanvrager in functie van de Boonzakstraat stemt overeen met de grafische optekening op het gewestplan. Het ontworpen lot is in overeenstemming met de planologische bepalingen voor de plaats. - de vroegere wegverbreding heeft tot het verdwijnen van het talud, zoals weergegeven op de topografische onderlegger bij het gewestplan geleid. De afbakening van het landelijk woongebied kan aangenomen worden tot aan de Rillaarsebaan, in da(
- t)licht werden dan ook reeds eerder twee bouwkavels in functie van deze weg voorzien. - de aanvraag betreft een hoekperceel, hoekpercelen kunnen aanvaard worden indien alle gangbare stedenbouwtechnische regels gerespecteerd worden, wat hier het geval is. - de bebouwing zal zich integreren bij de bestaande bebouwing. - een voorstel tot compensatie werd bij het dossier gevoegd en kan voor akkoord aan de afdeling Bos en Groen voorgelegd worden"; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen X-12.350-7/20 verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de eerste door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 2, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van de artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen en van het koninklijk besluit van 7 november 1978 houdende vaststelling van het gewestplan Aarschot-Diest evenals van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 53, § 3, van voormeld decreet betreffende de ruimtelijke ordening, en van het motiveringsbeginsel; dat verzoeker dit middel toelicht als volgt : "*Krachtens artikel 2 §1 van het DRO hebben de voorschriften van de plannen van aanleg dezelfde bindende kracht, ongeacht of zij grafisch zijn voorgesteld of niet en hebben de plannen verordenende kracht. In casu blijkt uit het dossier dat zowel het College van Burgemeester en Schepenen van Aarschot, als de gemachtigde ambtenaar van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Monumenten en Landschappen Vlaams-Brabant stellen dat het voorwerp van de aanvraag gelegen is in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, zoals vastgesteld in het gewestplan Aarschot - Diest bij KB van 7 november 1978. Het is onbetwist dat het voorwerp van de aanvraag, zijnde het bekomen van een verkavelingsvergunning voor één alleenstaande eengezinswoning in strijd is met de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied (...). Het voorwerp van de verkavelingaanvraag is immers een zuivere residentiële bebouwing, die niet toegelaten is in de landelijke gebieden krachtens artikel 11 en in casu meer bepaald 15 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp - gewestplannen en gewestplannen. * In het bestreden besluit werd 'met heel wat moeite' geargumenteerd dat het voorwerp van de aanvraag toch in landelijk woongebied zou gelegen zijn, quod non. Dit is een onjuiste motivering en derhalve een inbreuk op artikel 3 van de Motiveringswet en artikel 53 §3 DRO en het Motiveringsbeginsel. Uit het gewestplan blijkt duidelijk dat het woongebied met landelijk karakter niet grenst aan de Rillaarsebaan maar dat er duidelijk een strook grond is voorzien tussen de Rillaarsebaan en het begin van het woongebied met landelijk karakter dat tot stand is gebracht in functie van de Boonzakstraat. Niet alleen het gewestplan toont dit aan, maar zeker ook het plan op een grotere schaal dat ter inzage is op het stadhuis (...). Het bestreden besluit is op dat punt ook tegenstrijdig gemotiveerd. De Bestendige Deputatie aanvaardt enerzijds dat het woongebied met landelijk karakter, dat in de onmiddellijke omgeving ligt van het voorwerp van de aanvraag, afgebakend is in functie van de (achtergelegen) Boonzakstraat. In casu is het duidelijk dat het voorwerp van de alhier bestreden beslissing niet gesitueerd is naar de Boonzakstraat maar wel naar de Rillaarsebaan. In dat kader werd vroeger reeds een verkavelingvergunning geweigerd voor het betreffende perceel. Immers heeft op 10.09.1979 het College van Burgemeester en X-12.350-8/20 Schepenen van Aarschot een verkavelingaanvraag van het OCMW Aarschot geweigerd voor de ontworpen kavels 1 tot en met 3 omdat die kavels gelegen zijn buiten de woonzone en in een agrarisch gebied, waardoor het verder verkavelen strijdig is met de verantwoorde stedenbouwkundige voorschriften van het betreffend gebied. (...) Ook de gemachtigde ambtenaar heeft destijds (en ook nu nog) gesteld dat het betreffende perceel gelegen was in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, waarbinnen een verkaveling niet kon. Dit blijkt ook duidelijk uit het plan dat gevoegd is bij het bezwaarschrift van verzoekende partijen. (...) De Bestendige Deputatie van de Provincie Vlaams-Brabant stelt anderzijds dat voortgaande van een 'recente opmeting' deze loten herschikt worden volgens de zonegrens met een bebouwbaar en niet-bebouwbaar gedeelte. Een dergelijke opmeting - die meer dan waarschijnlijk opgesteld is 'pour les besoins de la cause' - kan echter geen afbreuk doen aan de bepalingen van het gewestplan. De opsteller van het verkavelingsaanvraagdossier heeft op foutieve en misleidende wijze de grens tussen landelijk woongebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied op het verkavelingsplan aangebracht. Uiteindelijk argumenteert de Bestendige Deputatie de vergunning door te stellen dat destijds bij de afbakening van dit landelijk woongebied de grafische weergave 'op een slordige manier' gebeurde. Voor zover die slordigheid bewezen zou zijn, quod non, is dit vanzelfsprekend nog geen argument om nu te gaan zeggen dat de grens anders ligt. Het is inderdaad juist dat in principe de diepte van het landelijk woongebied vanaf de Boonzakstraat slechts 50 meter zou mogen bedragen. Welnu, indien dit principe gevolgd wordt, dan valt het voorwerp van de alhier bestreden beslissing bijna volledig buiten het landelijk woongebied, met uitzondering van een driehoekig gedeelte aan de noord-oostzijde van het betreffende perceel, doch dat volledig buiten de inplantingszone van de woning valt. Ten onrechte stelt de Bestendige Deputatie dat het landelijk woongebied hier een diepte van ruim 70 meter zou bedragen. Waarop baseert de tegenpartij zich ? Het is inderdaad juist dat het lint van woongebied met landelijk karakter niet werd doorgetrokken tot pal tegen de Rillaarsebaan. De reden daarvan was dat men wilde vermijden dat men vanop de Rillaarsebaan toegang zou kunnen verkrijgen tot woningen. Het is ook in dat opzicht dat het perceel van verzoekende partij en het rechts naastgelegen perceel en het perceel dat daartegenover ligt aan de andere kant van de Boonzakstraat (=hoekperceel met Rillaarsebaan) weliswaar een bouwvergunning hebben bekomen, doch enkel op voorwaarde dat hun inrit voor voertuigen aan de Boonzakstraat zou genomen worden. (...) In dat kader is zelfs een erfdienstbaarheid voorzien op het perceel dat achter dat van verzoekende partij is gelegen (...) Op het gewestplan blijkt dus duidelijk dat het landelijk woongebied zich niet situeert tot aan de Rillaarsebaan. Dit wordt ook aanvaard in het bestreden besluit, doch ten onrechte aanvaardt het bestreden besluit dat de bebouwbare zone in de verkavelingsaanvraag zich situeert in de woonzone. Terecht zegt de Bestendige Deputatie dan ook dat het duidelijk is dat de grens van het landelijk woongebied werd opgetekend volgens de kruin van het zwakke talud langs de Rillaarsebaan, zoals die is weergegeven op de topografische onderlegger volgens het gewestplan. Daaruit blijkt inderdaad duidelijk de intentie om het talud aan de Rillaarsebaan intact te laten en slechts in functie van de Boonzakstraat bebouwing toe te laten. Door echter de alhier bestreden beslissing toe te staan, is de tegenpartij tegenstrijdig met dat standpunt, aangezien zij nu bebouwing in functie van de Rillaarsebaan toestaat door de alhier bestreden verkavelingvergunning af te leveren. Vanop het perceel waarop de bestreden vergunning betrekking heeft, X-12.350-9/20 is immers geen uitgang naar de Boonzakstraat mogelijk, vermits het perceel daar niet aan grenst. Het is dan nog meer opmerkelijk dat de Bestendige Deputatie op bladzijde 3 van het alhier bestreden besluit stelt dat de betrokken eerder afgeleverde verkavelingsvergunning (wellicht wordt bedoeld die van 10.09.1979) niet in overeenstemming is met de planologische visie, zoals uitgedrukt in de omzendbrief van 08.07.1997. Hoe kan een verkavelingsvergunning, die in 1979 is afgeleverd, al dan niet in overeenstemming zijn met een omzendbrief van bijna 20 jaar later ??? * Uiteindelijk stelt de Bestendige Deputatie op bladzijde 3 onderaan dat de verkavelingvergunning op het perceel van verzoekende partij niet had mogen afgeleverd worden. Daaruit leidt de Bestendige Deputatie af dat de vergunningverlenende overheid de plicht heeft om te beslissen dat de goede plaatselijke ordening wordt gevrijwaard en dat vroegere tekortkomingen of vergissingen op dat vlak, de overheid niet van die plicht kunnen ontslaan. De toekenning van een eerdere vergunning met miskenning van de eisen van de goede plaatselijke ordening kan een nieuwe vergelijkbare vergunning niet rechtvaardigen, noch kan het een recht doen ontstaan ten voordele van derden om, zelfs in dezelfde omstandigheden, ook vergunning te bekomen. Welnu, de Bestendige Deputatie geeft juist een verkavelingvergunning af. Dit is toch compleet tegenstrijdig met de (zeer moeilijk begrijpbare) argumentatie op bladzijde 3 onderaan en bladzijde 4 bovenaan het bestreden besluit. Bovendien zegt de Bestendige Deputatie op bladzijde 4 van het alhier bestreden besluit dat de verkavelingsaanvraag het bebouwbare gedeelte van het perceel enkel via agrarisch gebied toegankelijk maakt en dat dit duidelijk voorbijgaat aan de planologische opties van de plaats. Toch wordt de vergunning afgeleverd. Begrijpe wie begrijpe kan! * Volledig ten onrechte wordt gesteld dat het perceel, dat voorwerp is van de aanvraag, een hoekperceel zou zijn in de zin van het landelijk woongebied van de Boonzakstraat. Immers mondt het perceel dat voorwerp is van de alhier bestreden beslissing helemaal niet uit op een weg waarlangs het woongebied is afgebakend. Op bladzijde 5 benadrukt de Bestendige Deputatie nogmaals dat in functie van de Rillaarsebaan zelf geen enkel woongebied werd afgebakend. Het alhier bestreden besluit schendt dan ook de in het middel aangehaalde bepalingen en dient om proces-economische reden o.w.v. dit middel geschorst te worden, teneinde te vermijden dat in de toekomst voor dat perceel nog andere aanvragen zouden worden ingediend, die in strijd zijn met de gewestplanbestemming, en tot eventuele nieuwe procedures aanleiding zouden kunnen geven indien eventueel een ander middel zou aanvaard worden dat minder ingrijpend is."; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen antwoordt : "De verzoekende partij stelt in dit middel dat de verkavelingsvergunning niet had mogen worden toegekend om reden dat de desbetreffende percelen gelegen zijn in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en dientengevolge het creëren van een bouwkavel voor het oprichten van een woning strijdig is met de planologische bepalingen voor het agrarisch gebied. De vraag dewelke in dit dossier dient te worden onderzocht is te weten of het desbetreffende perceel al dan niet gelegen is in het agrarische gebied. De verkavelingsaanvraag werd ingediend, namens de eigenaars van het perceel, door de heer Daniel VANHOUTVINCK, beëdigd landmeter, waar het X-12.350-10/20 verkavelingsontwerp werd uitgewerkt door het Landmeetkundig studie- en expertisebureau BVBA FOQUÉ Jan. Hierbij werd door de aanvrager bijzondere aandacht besteed aan de afbakening van de desbetreffende planologische zones. Gegeven het feit dat de voorafgaande adviezen in dit dossier de bouwzone in agrarisch gebied plaatsen (cfr. standpunt gemachtigde ambtenaar en college van burgemeester en schepenen) en de aanvrager de bouwplaats in woongebied situeert, heeft de bestendige deputatie voorliggende rechtsvraag - te weten de juiste afbakening van het woongebied en het agrarisch gebied - in het bijzonder dienen te onderzoeken. Noch de gemachtigde ambtenaar, noch het college van burgemeester en schepenen van de stad hebben in deze enig onderzoek verricht, doch hebben enkel 'vastgesteld' dat het betreffende perceel gelegen zou zijn in agrarisch gebied. Er wordt hieromtrent geen enkele motivatie gegeven noch in het advies van de gemachtigde ambtenaar, zoals hiervoor integraal weergegeven, noch in het besluit van het college van burgemeester en schepenen. Het onderzoek van de verwerende partij heeft daarentegen geleid tot de vaststelling dat de zone waar de woning zal worden ingeplant wel degelijk integraal gelegen is in het woongebied, zoals uit het bijgevoegde uittreksel van het toepasselijke gewestplan (schaal 1/10000) duidelijk moge blijken, doch dat inderdaad uit de topografische onderlegger bij het gewestplan, zoals vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 7 november 1978, eveneens blijkt dat het woongebied niet werd doorgetrokken tot pal tegen de Rillaarsebaan, waar er een tussenliggende strook van ca. 15 m in het agrarisch gebied is gelegen. Het betrokken landelijk woongebied is lintvormig afgebakend in functie van de Boonzakstraat, een kleine dwarsstraat van de Rillaarsebaan. In het bestreden besluit wordt omstandig uiteengezet dat het destijds de bedoeling was om het talud aan de Rillaarsebaan - volgens de topografische onderlegger gelegen in agrarisch gebied - intact te laten en slechts in functie van de Boonzakstraat bebouwing toe te laten. Zowel bij de huidige aanvraag als bij de verkavelingsvergunning dewelke werd toegekend door het college van burgemeester en schepenen van de stad Aarschot op 10 september 1979 werd ten onrechte geen rekening gehouden met de tussenliggende strook agrarisch gebied aan de Rillaarsebaan. Dit heeft de verzoekende partij nochtans in de mogelijkheid gesteld om zijn woning te bouwen en te bereiken vanaf de Rillaarsebaan. Feit is aldus dat de bestendige deputatie dient vast te stellen dat de aanvraag voor wat betreft de diepte van het landelijk woongebied vanaf de Boonzakstraat als correct dient te worden beschouwd, maar niet voor wat betreft de afstand tot de Rillaarsebaan. Hierbij dient echter tevens te worden vastgesteld dat het betrokken landelijk woongebied is afgebakend in functie van de Boonzakstraat en het perceel gelegen is aan de Rillaarsebaan die onder een scherpe hoek aansluit op de Boonzakstraat. Percelen die binnen deze landelijke woonzone zijn gelegen maar niet palen aan de straat waaraan het woongebied is afgebakend zijn hoekpercelen; voor deze percelen kan de bebouwing evenzeer bekeken worden in functie van de straat die uitmondt op een weg waarlangs het woongebied is afgebakend. Hiertoe dienen dan de normale stedenbouwkundige criteria aangaande voldoende oppervlaktes, bouwvrije stroken en diens meer te worden toegepast. In principe kan het mogelijk zijn om bouwpercelen af te splitsen. Dit hangt samen met de verdere beoordeling inzake het voldoen aan de normale stedenbouwkundige criteria. Te dien einde bepaalt artikel 1.2.2.2. van de omzendbrief betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (B.S. 23 augustus 1997) : X-12.350-11/20 'Hoekpercelen bij een strook landelijk woongebied afgebakend in functie van de voorliggende weg. Percelen of perceelsgedeelten gelegen in een woongebied met landelijk karakter kunnen beschouwd worden niet alleen in functie van de voorliggende weg, waarlangs het landelijk woongebied is voorzien, maar evenzeer in functie van de straat, die hierop uitmondt. Deze bebouwingsmogelijkheid bestaat echter maar voor zover het betrokken perceel of perceelsgedeelte en de voorgestelde bebouwing beantwoordt aan de stedenbouwkundige criteria die normaliter gehanteerd worden in de betrokken zone. Dit betekent dat het perceel voldoende groot moet zijn, en een inplanting moet mogelijk laten die stedenbouwkundig verantwoord is, zoals voldoende diepte, voldoende achteruitbouw en bouwvrije zijdelingse stroken. De bebouwingsdichtheid moet in overeenstemming zijn met het karakter van de omgeving. De weg waarlangs gebouwd moet worden moet, gelet op de plaatselijke toestand voldoende zijn uitgerust. Geenszins kunnen gebouwen in tweede bouwzone aanvaard worden.'. Bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening is de bestendige deputatie dienvolgens tot de conclusie gekomen dat alle gangbare stedenbouwtechnische regels worden gerespecteerd en dat de bebouwing zich zal integreren bij de bestaande bebouwing. Te dien einde wordt in het bestreden besluit uitdrukkelijk overwogen : '(...)Uit een nauwkeurige opmeting en nameting blijkt dat de stelling van de aanvrager dat het te vormen perceel nog in het landelijk woongebied is ondergebracht vanaf de Boonzakstraat terecht. Het weigeringmotief aangaande de planologische onverenigbaarheid om reden van de aangenomen diepte van dit gebied van 50m komt op deze manier te vervallen. Aangaande de afbakening van het woongebied in functie van de Rillaarsebaan tot aan de kruin van het talud kan verwezen worden naar de verbreding van de weg. Raadpleging van de Atlas de(
- r)Buurtwegen toont aan dat er een verbreding en gedeeltelijke verlenging van de voorliggende buurtweg nr. 5 plaatsvond. Bij de opmaak van de gewestplannen werd uitgegaan van het oude wegtracé. Na de uitvoering van de werken is deze weg verbreed van 5m ter hoogte van de aanvraag tot ca. 15m. Ter hoogte van het betrokken perceel betekent dit dat ruim 5m van het initiële perceel werd prijsgegeven ten koste van de nieuwe weg, de rest werd aan de andere zijde van de weg ingenomen. De topografische onderlegger bij het gewestplan is een ruwe weergave van het initiële wegtracé, dat hier is weergegeven met een hoge berm aan weerszijden. Deze berm heeft ook een standaardweergave. De topografische optekening maakt abstractie van de reële weg en de bijhorende bermen. De Bestendige Deputatie is van oordeel dat de afbakening van het woongebied niet bedoeld was om tot de Boonzakstraat beperkt te blijven, of om de berm langs de Rillaarsebaan intact te laten. Door de verbreding van de weg, is de rand van de weg ter hoogte van het perceel met ruim 5m opgeschoven en is het talud aangetast. De weg reikt nu tot dichterbij de onzorgvuldig opgetekende zonegrens van het landelijk woongebied ter hoogte van de fictieve kruin van het talud. Dit heeft er tot geleid dat de reststrook tussen de rand van het landelijk woongebied en de rand van de weg met ca. 5m gereduceerd is. Bij een eerdere verkavelingvergunning werd reeds toegestaan dat twee woningen in functie van de Rillaarsebaan werden opgericht, waarbij ook aangenomen werd dat het woongebied zich uitstrekte tot aan de Rillaarsebaan. Deze vergunning bevestigt het standpunt dat er geen intentie was het talud te respecteren. Dit talud is dan ook door de reeds afgeleverde vergunning niet meer aanwezig op het terrein. De Bestendige Deputatie besluit dat er geen planologische onverenigbaarheid kan worden vastgesteld, in het licht van de eerdere wegverbreding. Het voorstel betreft een hoekperceel. Het betrokken hoekperceel is een resterend gedeelte van een eerder gedeeltelijk goedgekeurde verkaveling voor X-12.350-12/20 twee loten i.p.v. de gevraagde vijf loten uit 1979. Hierbij werd geoordeeld dat dit gedeelte van de grond buiten het landelijk woongebied is gelegen. Hoewel de onzorgvuldige grafische weergave van het landelijke woongebied maakt dat het nu voorgestelde bouwlot wél binnen de zonegrens is gelegen, kan niet worden voorbijgegaan aan de wenselijke ordening bij hoekpercelen. Het voorgestelde bouwperceel zou een breedte van ca. 15,92m aan de straat bezitten en een gemiddelde diepte van ca. 40m. Aan de achterzijde bezit de kavel een breedte van 35,47m. De perceelsoppervlakte zou ca. 10a 16ca bedragen. Er wordt een achteruitbouwstrook overeenkomstig de aanpalende woningen voorgesteld, een gangbare bouwdiepte van 15m en gangbaar bouwvrije stroken van 4m. Het verkavelingvoorstel voldoet aan alle opvattingen omtrent een optimale perceelsinrichting en een goede plaatselijke ordening (...)'; Dat de in dit middel aangehaalde bepalingen en beginselen dan ook geenszins werden geschonden"; dat de nota voorts de hiervoor reeds vermelde "beoordeling" van de goede ruimtelijke ordening aanhaalt op grond waarvan het beroep van de aanvrager werd ingewilligd; Overwegende dat de tussenkomende partij verwijst naar de motivering van het bestreden besluit om te besluiten dat "na een nauwkeurige opmeting kwam (...) vast te staan dat de aanvraag zich situeert in landelijk woongebied", "dat schijnbaar ook de gemachtigde ambtenaar, wegens het ontbreken van enige actie tegen de afgeleverde vergunning, zich akkoord verklaart met deze opmeting", en dat dit bovendien een feitelijke beoordeling uitmaakt; Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn; dat uit deze bepalingen volgt dat alleen met de in het bestreden besluit vermelde redengeving rekening kan worden gehouden; dat artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze wet "slechts van toepassing is op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen"; dat uit een en ander volgt dat wat de motiveringsverplichting betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is; X-12.350-13/20 Overwegende dat artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, aan de Bestendige Deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat deze beslissingen derhalve niet onder de toepassing vallen van laatstgenoemde wet; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uitsluitend uit de schending van artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; Overwegende dat artikel 2, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalt : "§ 1. De Vlaamse regering verleent bindende kracht aan de streek-, gewest- en gemeenteplannen. Alle voorschriften van de plannen van aanleg hebben dezelfde bindende kracht, ongeacht of zij grafisch zijn voorgesteld of niet. De plannen hebben verordenende kracht. Zij blijven gelden totdat zij door andere plannen kunnen worden vervangen na een herziening. Er mag alleen van worden afgeweken in de gevallen en in de vormen door dit decreet bepaald. Bij het onderzoek van bouw- of verkavelingsaanvragen, andere dan voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare diensten, kan geen toepassing worden gemaakt van de regelen in verband met de inrichting en de toepassing van ontwerpgewestplannen en gewestplannen die de mogelijkheid scheppen om van deze plannen af te wijken of uitzonderingen toe te laten waardoor kan worden gebouwd of verkaveld. (...)"; Overwegende dat in de motivering van het bestreden besluit zelf onder "X. Bespreking / Wettelijke en reglementaire voorschriften" uitdrukkelijk wordt gesteld : "(...) Bij de afbakening van dit landelijk woongebied gebeurde de grafische weergave op een slordige manier. In principe zou de diepte van het landelijke woongebied vanaf de Boonzakstraat slechts 50 m mogen bedragen, vanaf het oude tracé van deze weg werd echter een diepte van ruim 70 m nabij de Rillaarsebaan opgetekend. Anderzijds werd het lint niet doorgetrokken tot pal tegen de Rillaarsebaan, maar kan een tussenliggende strook van ca. 15m in het agrarisch gebied vastgesteld worden. (...) Voortgaande op de plannen op schaal 1/10000 is het duidelijk dat de grens van dit landelijke woongebied werd opgetekend volgens de kruin van het (zwakke) talud langs de Rillaarsebaan, zoals die is weergegeven op de topografische onderlegger volgens het gewestplan. Hieruit blijkt duidelijk de X-12.350-14/20 intentie om het talud aan de Rillaarsebaan intact te laten en slechts in functie van de Boonzakstraat bebouwing toe te laten. (...) Ook in de voorliggende aanvraag wordt onterecht abstractie gemaakt van de tussenliggende strook agrarisch gebied aan de Rillaarsebaan (...) De aanvraag kan aldus, voor wat betreft de diepte van het landelijk woongebied vanaf de Boonzakstraat, als correct beschouwd worden, maar niet voor wat betreft de afstand tot de Rillaarsebaan. Het betrokken bouwlot ligt voor minstens zowat de eerste strook van 15m in het agrarisch gebied. Het creëren van een bouwkavel kan slechts voor zover de zonegrenzen worden gerespecteerd (
- en)in overeenstemming zijn met de planologische bepalingen voor het landelijk woongebied. Hier is een brede strook grond gelegen in het agrarisch gebied. Dit maakt dat het bebouwbare gedeelte van het perceel enkel via het agrarisch gebied toegankelijk zou kunnen gemaakt worden, het is duidelijk dat dit voorbijgaat aan de planologische opties van de plaats. Artikel 11 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen is van kracht. De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze integrerend deel uitmaakt van een leefbaar bedrijf en tevens para-agrarische bedrijven. Het creëren van een bouwkavel voor het oprichten van een woning is strijdig met de planologische bepalingen voor het agrarisch gebied."; dat in dezelfde motivering dan weer onder de "Beoordeling" van de "Verenigbaarheid met een goede ruimtelijke ordening" wordt gesteld : "(...) Aangaande de afbakening van het woongebied in functie van de Rillaarsebaan tot aan de kruin van het talud kan verwezen worden naar de verbreding van de weg. Raadpleging van de Atlas der Buurtwegen toont aan dat er een verbreding en gedeeltelijke verlegging van de voorliggende buurtweg nr. 5 plaatsvond. Bij de opmaak van de gewestplannen werd uitgegaan van het oude wegracé. Na de uitvoering van de werken is deze weg verbreed van 5m ter hoogte van de aanvraag tot ca. 15m. Ter hoogte van het betrokken perceel betekent dit dat ruim 5m van het initiële perceel werd prijsgegeven ten koste van de nieuwe weg, de rest werd aan de andere zijde van de weg ingenomen. (...) De Bestendige Deputatie is van oordeel dat de afbakening van het woongebied niet bedoeld was om tot de Boonzakstraat beperkt te blijven, of om de berm langs de Rillaarsebaan intact te laten. Door de verbreding van de weg, is de rand van de weg ter hoogte van het perceel met ruim 5m opgeschoven en is het talud aangetast. De weg reikt nu tot dichterbij de onzorgvuldig opgetekende zonegrens van het landelijk woongebied ter hoogte van de fictieve kruin van het talud. Dit heeft er toe geleid dat de reststrook tussen de rand van het landelijk woongebied en de rand van de weg met ca. 5m gereduceerd is. Bij een eerdere verkavelingsvergunning werd reeds toegestaan dat twee woningen in functie van de Rillaarsebaan werden opgericht, waarbij ook aangenomen werd dat het woongebied zich uitstrekte tot aan de Rillaarsebaan. Deze vergunning bevestigt het standpunt dat er geen intentie was het talud te respecteren. Dit talud is dan ook door de reeds afgeleverde vergunning niet meer aanwezig op het terrein. De Bestendige Deputatie besluit dat er geen planologische onverenigbaarheid kan worden vastgesteld, in het licht van de eerdere wegverbreding. X-12.350-15/20 (...) De voorgaande overwegingen in acht genomen kan de bestendige deputatie het beroep inwilligen om volgende redenen : - het landelijk woongebied zoals opgemeten door de aanvrager in functie van de Boonzakstraat stemt overeen met de grafische optekening op het gewestplan. Het los is in overeenstemming met de planologische bepalingen voor de plaats. - de vroegere wegverbreding heeft tot het verdwijnen van het talud, zoals weergegeven op de topografische onderlegger bij het gewestplan geleid. De afbakening van het landelijk woongebied kan aangenomen worden tot aan de Rillaarsebaan, in dat licht werden dan ook reeds twee bouwkavels in functie van deze weg voorzien."; Overwegende dat voormelde motivering zichzelf op het eerste gezicht tegenspreekt door enerzijds bij het onderzoek naar de overeenstemming van de aanvraag met de geldende wettelijke en reglementaire voorschriften te stellen dat "de voorliggende aanvraag (...) ten onrechte abstractie (maakt) van de tussenliggende strook agrarisch gebied aan de Rillaarsebaan", dat het betrokken bouwlot "voor minstens zowat de eerste strook van 15m in het agrarisch gebied (ligt)", en dat het bebouwbare gedeelte van het perceel enkel via het agrarisch gebied toegankelijk zou kunnen gemaakt worden, zodat "het creëren van een bouwkavel voor het oprichten van een woning strijdig (
- is)met de planologische bepalingen voor het agrarisch gebied", en anderzijds bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening te stellen dat "de rand van de weg ter hoogte van het perceel met ruim 5m opgeschoven (
- is)en het talud aangetast (is)" waardoor "de weg (
- nu)tot dichterbij de onzorgvuldig opgetekende zonegrens van het landelijk woongebied (reikt)" om te besluiten dat "geen planologische onverenigbaarheid kan worden vastgesteld, in het licht van de eerdere wegverbreding"; dat daarenboven, zelfs aangenomen dat ingevolge de doorgevoerde wegverbreding de strook landschappelijk waardevol agrarisch gebied langsheen de Rillaarsebaan -die volgens de eigen bevindingen van de bestendigde deputatie 15m bedraagt- met 5m is gereduceerd, moet worden vastgesteld dat er nog steeds een strook van ca. 10m agrarisch gebied overblijft tussen de Rillaarsebaan en het betrokken woongebied met landelijk karakter; dat de Bestendige Deputatie zich dit blijkbaar realiseert waar ook zij stelt dat de weg nu "tot dichterbij" de "onzorgvuldig opgetekende zonegrens van het landelijk woongebied" reikt, en dat dit ertoe "geleid (heeft) dat de reststrook tussen de rand van het landelijk woongebied en de rand van de weg met ca. 5m gereduceerd is"; dat zoals bepaald door het hiervoor aangehaalde artikel 2, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de op de plannen grafisch aangeduide zonegrenzen bindende en verordenende kracht hebben, en er alleen van mag worden afgeweken in de gevallen en in de vormen door dit decreet bepaald; dat X-12.350-16/20 aldus de argumenten dat de zonegrens "onzorgvuldig" zou zijn vastgesteld, dat er geen intentie was het talud te respecteren en dat dit zou zijn verdwenen, en dat reeds twee bouwkavels in functie van de Rillaarsebaan zouden zijn voorzien, op het eerste gezicht niet dienstig kunnen worden ingeroepen om, in strijd met de eigen vaststellingen, van de grafisch aangeduide zonegrens tussen het landschappelijk waardevol agrarisch gebied en het woongebied met landelijk karakter af te wijken en te besluiten dat "kan aangenomen worden" dat "de afbakening van het landelijk woongebied" is gelegen "tot aan de Rillaarsebaan"; dat het middel in de aangegeven mate ernstig is; Overwegende, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, dat verzoeker aanvoert dat hij eigenaar is van de kavel 4 van de verkavelingsvergunning verleend op 10 september 1979, dat het voorwerp van de bestreden beslissing betrekking heeft op de oorspronkelijke kavel 3 en een deel van de oorspronkelijke kavel 2 van de verkavelingsaanvraag, dat de verkavelingsvergunning van 10 september 1979 uitdrukkelijk bebouwing op deze kavels heeft verboden, dat hij zijn eigendom destijds bewust gekocht heeft en er een huis heeft gebouwd in de overtuiging dat hij het laatste perceel kocht dat kon bebouwd worden voor het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, dat hij ten westen naast zijn eigendom geen huis meer zou moeten verwachten en hij derhalve zou kunnen blijven genieten van de natuurlijke bosbegroeiing ofwel van landbouwgewassen en of van weiden indien de gewestplanbestemming in concreto zou worden gerealiseerd, dat de specifieke ligging van zijn perceel duidelijk blijkt uit de neergelegde stukken, dat het bestreden besluit de mogelijkheid schept om een woning naast zijn perceel te bouwen die zijn zicht ernstig zal aantasten en ook het verdwijnen van de bosbegroeiing die duidelijk te zien is op de bijgebrachte foto's tot gevolg zal hebben, dat door het bestreden besluit de mogelijkheid wordt gecreëerd om bouwwerken toe te laten die het verdwijnen van een groene zone tot gevolg zullen hebben, waardoor het uitgesproken open karakter ten zuiden en westen van zijn eigendom, waar hij een prachtig uitzicht heeft op uitgestrekte weiden en bossen, ernstig wordt aangetast en aldus zijn leefomgeving ernstig wordt in het gedrang gebracht, dat het toelaten van de bouw van een woning op het betrokken perceel ook zijn privacy zal in het gedrang zal brengen en dat hij inkijk zal krijgen van op dat perceel, dat het in casu duidelijk is dat de verkavelingsvergunning enkel is goedgekeurd met het oog op het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning, waarover in het beschikkend gedeelte van dat besluit overigens reeds sprake is, en dat er dus een ernstig risico bestaat dat de stedenbouwkundige vergunning zal X-12.350-17/20 worden afgegeven voor bouwprojecten waartegen verzoeker zich verzet omdat zij niet bestaanbaar en niet verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving, en dat het om proces-economische redenen noodzakelijk is het bestreden besluit te schorsen teneinde te vermijden dat nieuwe procedures moeten worden aanhangig gemaakt tegen de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning; Overwegende dat het bestreden besluit de vergunning verleent voor het afsplitsen van een gedeelte van twee naast elkaar gelegen kadastrale percelen tot één "kavel 1" bestemd voor woningbouw, en het samenvoegen van het overige gedeelte van deze twee percelen om als "te behouden deel te voegen bij kavel 1", zodat de facto één enkel perceel ontstaat; dat "kavel 1" paalt aan verzoekers eigendom, en op deze kavel de inplanting van een woning met een bouwdiepte van 15 m en maximum twee bewoonbare niveaus wordt voorzien op 4 m van de grens met diens eigendom; dat uit zowel de vaststellingen in het bestreden besluit als de door verzoeker neergelegde foto's blijkt dat de betrokken percelen thans bebost zijn; dat het aannemelijk is dat het verdwijnen van dit bos en het in de plaats ervan komen van een woning, verzoekers uitzicht en leefomgeving ernstig in het gedrang kan brengen; dat het al dan niet voorhanden zijn van een compensatievoorstel voor het rooien van dat bos aan voormelde vaststelling geen afbreuk doet; dat, gelet op het hiervoor ernstig bevonden eerste middel, verzoeker evenmin kan worden tegengeworpen dat hij zich aan residentiële bebouwing en dus het verdwijnen van het bos had mogen verwachten gelet op de gewestplanbestemming van het betrokken gebied; dat voormeld nadeel zijn rechtstreekse oorzaak vindt in het bestreden besluit, aangezien het de rechtsgrond vormt voor het gebruik van de betrokken gronden overeenkomstig de stedenbouwkundige voorschriften van de vergunning en de vergunningverlenende overheid hierdoor gebonden is; dat verzoekers uiteenzetting voldoende concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat is voldaan aan de door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te bevelen; BESLUIT: Artikel 1. X-12.350-18/20 Het verzoek tot tussenkomst van Daniël VANHOUTVINCK in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel 2. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 24 maart 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij aan Daniël VANHOUTVINCK de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor "het opsplitsen van een perceel om een vrijstaande eengezinswoning te creëren, met aanpalend een lot te voegen bij deze kavel voor een perceel grond gelegen aan de Rillaarsebaan te Aarschot, kadastraal bekend afdeling 6, Sectie B, nr. 51 M-N". Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-12.350-19/20 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari 2006, door : de H.. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-12.350-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.578 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.102 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div