id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.633 Rolnummer: A. 81026/VII-17341 Zaak: Arrest 153633 - - 12/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-25 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 08:15 Fiche Arrest nr 153.633 van 12 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.633 van 12 januari 2006 in de zaak A. 81.026/VII-17.
- In zake : de n.v. GIJSBRECHTS, die woonplaats kiest bij Advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. BALLON, kantoor houdende te ANTWERPEN, Britselei
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. GIJSBRECHTS op 9 november 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 7 september 1998 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen het besluit van 5 februari 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende weigering van de vergunning aan de verzoekende partij om een inrichting aan de Oude Liersebaan 122 in Heist-op-den-Berg verder te exploiteren en te veranderen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 11 april 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting en de laatste memorie van de verzoekende partij; VII-17.341-1/11 Gelet op de beschikking van 7 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat H. VAN OPSTAL die, loco Advocaat M. BALLON verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden weergegeven : 1.
- Sinds meer dan dertig jaar exploiteert de verzoekende partij een inrichting aan de Oude Liersebaan in Heist-op-den-Berg (vroeger de gemeente Hallaar). In de loop der jaren groeide het bedrijf uit van een bescheiden handel in houtplaten tot een uitgebreide handel in houtproducten en aanverwante zaken met bijna vijftig werknemers. Volgens het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, ligt de inrichting in agrarisch gebied. 1.
- In 1992 vraagt de verzoekende partij een milieuvergunning ter regularisatie. Op 3 december 1993 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een milieuvergunning voor een termijn van vijf jaar. Op 3 november 1993 wordt de vergunning in beroep bevestigd. 1.
- Op 14 oktober 1997 dient de verzoekende partij een milieuvergun- ningsaanvraag in voor de verdere exploitatie en uitbreiding van de inrichting. 1.
- Op 5 februari 1998 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de vergunning omwille van de strijdigheid met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. VII-17.341-2/11 De verzoekende partij tekent administratief beroep aan. 1.
- Op 7 september 1998 wordt de bestreden beslissing genomen : de vergunning wordt geweigerd. Die beslissing, die thans wordt bestreden, is als volgt gemotiveerd : "Gelet op de ligging van de inrichting in agrarisch gebied volgens het gewestplan Mechelen (goedgekeurd bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976); Overwegende dat de inrichting volgens het voormelde gewestplan gelegen is op een afstand van ca. 300 m van woongebied met landelijk karakter; Overwegende dat er binnen een straal van 100 m twee woningen staan; Overwegende dat onderhavige aanvraag de verdere exploitatie betreft van een hout-, ijzerwaren- en wapenhandel en de verandering ervan door wijziging van de opslag van brandstoffen en de uitbreiding van verscheidene inrichtingen, waaronder lozing van bedrijfsafvalwater (100 m3/uur), stallen van 15 vrachtwa- gens, een werkplaats en opslag van gevaarlijke stoffen voor houtbehandeling; Overwegende dat het bedrijf reeds 34 jaar in agrarisch gebied is gevestigd; dat het inmiddels is uitgegroeid tot een bedrijf van ca. 6 ha met 48 werknemers; Overwegende dat de exploitatie in hoofdzaak een houthandel betreft met enkele bijkomende activiteiten zoals het verzagen en schaven van hout en platen voor de klanten; Overwegende dat er teneinde geluidshinder te reduceren geluidsdempende cabines geplaatst worden op de schaafmachines; dat het gebouw waarin deze machines staan omgeven wordt door andere gebouwen van hetzelfde bedrijf zodat mag aangenomen worden dat, zelfs gezien de ligging van het bedrijf in agrarisch gebied, aan de opgelegde normen wordt voldaan en dat de hinder buiten de inrichting verwaarloosbaar is; Overwegende dat een bouwvergunning werd verleend op 24 september 1991 voor een loods, die niet werd gerealiseerd; dat op 14 juli 1992 een andere loods, die echter niet aansluit bij de andere gebouwen, werd vergund; dat een derde bouwaanvraag dd. 25 mei 1993 voor een loods nog niet werd toegekend; Overwegende dat aan de voorwaarde van een groenscherm gekoppeld aan de hogervermelde bouwtoelating van 14 juli 1992 niet werd tegemoet gekomen; Overwegende dat voor verscheidene uitbreidingen en verbouwingen geen bouwvergunning werd verleend; Overwegende dat de inrichting niet verenigbaar is met de voor het terrein geldende planologische voorschriften, aangezien de inrichting gelegen is in agrarisch gebied volgens het gewestplan; Overwegende dat de exploitatie van de inrichting niet overeenstemt met de bestemmingsvoorschriften die van toepassing zijn voor het gebied waarin de inrichting is gelegen; dat in toepassing van artikel 43, §6 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bij het verlenen van een gunstig advies betreffende de milieuvergunning van deze voorschriften niet kan afgeweken worden; dat immers niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 43, §8, b van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, aangezien de milieuvergunningsaanvraag geen van de volgende bepalingen als voorwerp heeft : - het hernieuwen van een milieuvergunning van een inrichting; - het veranderen van de exploitatie van een inrichting, op voorwaarde dat de verandering geen vermeerdering van de oppervlakte of het volume voor gevolg heeft; - het exploiteren van een bestaande of nieuwe inrichting waarvoor op grond van artikel 42, §1, 7 en overeenkomstig artikel 43, §2 definitief een VII-17.341-3/11 bouwvergunning voor het wijzigen van het gebruik van een vergund gebouw is verleend; - het exploiteren van een bestaande of nieuwe inrichting waarvoor overeenkomstig artikel 43, §2 definitief een bouwvergunning voor het verbouwen, herbouwen of uitbreiden van een bedrijfsgebouw met een gebouw of vaste inrichting is verleend; Overwegende dat de aanvraag namelijk de hermachtiging en de uitbreiding van een houthandel tot voorwerp heeft waarvoor echter niet definitief een bouwvergunning werd verleend; Overwegende dat derhalve vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt niet verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de aanspraken en bezwaren aangehaald door de beroepsindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd : - het beroepen besluit steunt niet op het bezwaar van de omwonende ingediend bij het openbaar onderzoek; - vroeger verleende vergunningen, in het midden gelaten of deze al dan niet werden verleend in overeenstemming met alle toen geldende wettelijke bepalingen, doen geen recht ontstaan om een verlenging van de milieuvergunning te verkrijgen; - voor de gevraagde uitbreidingen gelden de beroepsargumenten inzake de verwijzing naar vroeger verleende vergunningen niet; Overwegende dat gesteld kan worden dat de binnen de inrichting uitgevoerde activiteiten niet in overeenstemming zijn met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen (...)";
- Beoordeling 2.1.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 43, §§ 6, 7 en 8 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, van artikel 5 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van het rechtszekerheidsbeginsel, van het vertrouwensbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel en van "de materiële motiveringsplicht als substantiële vormvereiste"; dat de verzoekende partij het middel als volgt verwoordt en toelicht : "Doordat het bestreden besluit de voorafgaandelijke aflevering van een bouwvergunning als voorwaarde stelt voor de aflevering van een milieuvergunning. terwijl overeenkomstig artikel 43, §7 van het Gecoördineerd Decreet betreffende de Ruimtelijke Ordening verwerende partij de verlening van de milieuvergunning enkel kon afhankelijk stellen van het vervuld zijn van de voorwaarden betreffende de ruimtelijke draagkracht van het gebied nu de te beoordelen aanvraag onmiskenbaar de hernieuwing van een milieuvergunning, resp. de verandering zonder vermeerdering van oppervlakte of volume tot voorwerp had. (...) VII-17.341-4/11 Uit artikel 5 van het Milieuvergunningsdecreet blijkt dat de voorafgaande aflevering van de bouw-, resp. milieuvergunning geen voorwaarde is voor de toekenning van de milieu-, resp. bouwvergunning. De onderlinge koppeling van deze beide vergunningen wordt uitdrukkelijk beperkt tot een opschorting van de uitvoerbaarheid van de ene vergunning tot op het ogenblik dat de andere vereiste vergunning zal zijn afgeleverd. Een voorafgaandelijke aflevering van een bouwvergunning als voorwaarde voor het kunnen toekennen van een milieuvergunning wordt als uitzondering voorzien in twee zeer specifieke gevallen. Met name wanneer de gevraagde milieuvergunning betrekking heeft op een zonevreemde inrichting en de aanvraag samengaat, ofwel met de gebruikswijziging van een vergund gebouw, ofwel met het verbouwen, herbouwen of uitbreiden van een bedrijfsgebouw met een gebouw of een vaste inrichting. In deze omstandigheden dient voor de vergunningsplichtige gebruikswijziging, resp. verbouwing, herbouwing of uitbreiding van de gebouwen van de zonevreemde inrichting definitief een bouwvergunning te zijn verleend (...). Aangezien het hier een uitzonderingsregeling betreft, dient deze restrictief te worden geïnterpreteerd en kan het voorafgaandelijk voorhanden zijn van een bouwvergunning slechts in deze specifieke gevallen als voorwaarde voor het verlenen van een milieuvergunning worden gesteld. De milieuvergunningsaanvraag van verzoekster betreft evenwel geen der voormelde gevallen, zodat niet op wettige wijze het niet-voorhanden zijn van een definitieve bouwvergunning als grond voor weigering van de milieuvergunning gesteld kan worden. Huidige milieuvergunningsaanvraag betreft de uitbating van een inrichting in de bedrijfsgebouwen zoals deze bij verzoekster ook bestonden op het ogenblik van de beoordeling van de in 1993 ingediende milieuvergunningsaanvraag. Het feit dat voor een deel van de gebouwen op heden geen bouwvergunning voorligt, kan niet als grond voor weigering van de milieuvergunning ingeroepen worden. Vooreerst niet omdat dit alleszins geen beletsel is geweest om bij toepassing van het mini-decreet in 1991 en 1992 aan verzoekster de vergunning te verlenen tot uitbreiding van het bedrijfsgebouw, zodat de overheid alleszins op dat moment - minstens impliciet - bekrachtigd heeft dat de bestaande bedrijfsgebouwen van verzoekster regelmatig vergund waren. Men kan bezwaarlijk regelmatig uitbreiden wat niet regelmatig bestaat! De vergunning tot uitbreiding en de motivering ervan wijst ontegensprekelijk naar de impliciete duidelijke vergunningserkenning. Maar vooral omdat huidige aanvraag van verzoekende partij, niettegenstaande de omschrijving als hernieuwing en uitbreiding van de milieuvergunning, niet gepaard gaat met een vergunningsplichtige gebruikswijziging, noch met een verbouwing, herbouwing of uitbreiding van het bedrijfsgebouw kan men onmogelijk de juridische grondslag bijtreden. De wijziging en uitbreiding waarvan sprake in de milieuvergunningsaanvraag hebben uitsluitend betrekking op (de praktische organisatie van) de exploitatie binnen de bestaande bedrijfsgebouwen. (...) Waar de gevraagde uitbreiding van de exploitatievergunning niet met een uitbreiding van de bedrijfsgebouwen gepaard gaat, moet dan ook de milieuvergunningsaanvraag van verzoekster omschreven worden als hebbende betrekking op de hernieuwing van de milieuvergunning, gekoppeld aan een verandering van de exploitatie door uitbreiding, zonder dat deze verandering een vermeerdering van de oppervlakte of het volume voor gevolg heeft. Zodoende heeft de milieuvergunningsaanvraag van verzoekende partij onmiskenbaar twee van de bepalingen tot voorwerp die in artikel 43, §8 van het Gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening als voorwaarde voor VII-17.341-5/11 toekenning van een milieuvergunning onder afwijking van de bepalingen van het ontwerp-gewestplan en het gewestplan gesteld worden. Het bestreden besluit schendt dan ook de voormelde bepalingen door de weigering van de milieuvergunning uitsluitend te baseren op de overweging dat de binnen de inrichting uitgevoerde activiteiten niet in overeenstemming zijn met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. (...)"; 2.1.
- Overwegende dat bij toepassing van artikel 43, § 7, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals het gold ten tijde van de bestreden beslissing, om af te wijken van de voorschriften van het gewestplan diende te worden voldaan aan de voorwaarden van artikel 43, § 8, b, dat als volgt luidde : "b) de milieuvergunningsaanvraag bedoeld in het voornoemde decreet van 28 juni 1985, moet één of meer van de volgende bepalingen als voorwerp hebben : -het hernieuwen van een milieuvergunning van een inrichting; -het veranderen van de exploitatie van een inrichting, zoals bedoeld in hoofdstuk V van het decreet van 28 juni 1985, op voorwaarde dat de verandering geen vermeerdering van de oppervlakte of het volume voor gevolg heeft, onverminderd hetgeen na de vierde gedachtestreep wordt bepaald; -het exploiteren van een bestaande of nieuwe inrichting waarvoor, op grond van artikel 42, §1, 7, en overeenkomstig artikel 43, § 2 definitief een bouwvergunning voor het wijzigen van het gebruik van een vergund gebouw is verleend; -het exploiteren van een bestaande of nieuwe inrichting waarvoor, overeenkomstig artikel 43, §2 definitief een bouwvergunning voor het verbouwen, herbouwen of uitbreiden van een bedrijfsgebouw met een gebouw of een vaste inrichting is verleend"; dat het vaststaat dat de bestaande infrastructuur gedeeltelijk stedenbouwkundig niet is vergund; dat de hierboven aangehaalde tekst inderdaad niet expliciet als voorwaarde oplegt dat de inrichting bedoeld in de gevallen onder het eerste en het tweede gedachtestreepje stedenbouwkundig vergund is; dat men echter de mogelijkheid om een milieuvergunning te bekomen niet los kan zien van de mogelijkheid om, in afwijking van het gewestplan, een bouwvergunning te bekomen; dat artikel 43, § 2, zesde lid, die mogelijkheid alleen openstelt voor vergunde gebouwen; dat dit ook blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de betrokken decretale teksten (decreet van 23 juni 1993, Parl. St. Vl. Raad, zitting 1992-93, st. 264 en 266); dat overigens een illegale situatie geen rechten zou kunnen doen ontstaan; dat bovendien, in de door de verzoekende partij voorgestane interpretatie, een milieuvergunning zou worden afgeleverd voor een inrichting waarvoor in beginsel een stedenbouwkundige vergunning nodig is; dat de milieuvergunning in dergelijk geval zou zijn geschorst zolang de stedenbouwkundige vergunning niet is verleend; dat de betrokken regeling inderdaad een uitzonderingsregeling is, maar dan wel een VII-17.341-6/11 regeling die toelaat af te wijken van de dwingende bestemmingsvoorschriften van het gewestplan; dat voor het overige de bestreden beslissing behoorlijk en afdoende met redenen is omkleed; dat de bestreden beslissing het feitelijk gegeven vermeldt dat voor een aantal bouwwerken geen vergunning voorhanden is, en - zoals gebleken is terecht - stelt dat daarom niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 43, §8, b; dat het middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 79 en 80 van de Stedenbouwwet, van de milieuvergunning van 3 november 1993, van de bouwvergunningen van 24 september 1991 en 14 juli 1992, van "het besluit van 13 juli 1993 van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Heist-op-den-Berg waarbij gunstig préadvies verleend werd aan de vraag van verzoekster tot uitbreiding van een bestaand bedrijf met een loods", van het rechtszekerheidsbeginsel en van het vertrouwensbeginsel, "Doordat verwerende partij besluit tot een onverenigbaarheid met de planologische voorschriften waarvan niet zou kunnen worden afgeweken om reden dat de inrichting van verzoekster niet definitief een bouwvergunning werd verleend. Terwijl aan verzoekster bij toepassing van het decreet van 28 juni 1984 (mini- decreet) bouwvergunningen voor uitbreiding van een bestaand bedrijf werden afgeleverd en er evenmin een beletsel was voor de aflevering van de milieuvergunning bij besluit van 3 november 1993 van verwerende partij, zodat door de overheid minstens impliciet erkend en bevestigd werd dat de inrichting van verzoekster inderdaad een bestaande inrichting is die op regelmatige wijze werd opgericht"; dat wordt uiteengezet dat de bewuste bouwvergunningen enkel mochten worden verleend wanneer de bestaande gebouwen vergund waren, zodat uit die vergunningen moet worden afgeleid dat de eerder reeds bestaande gebouwen bouwvergund waren; dat de verzoekende partij zegt enkel te hebben gebouwd na mondelinge toelating door de gemeente, en het ontbreken van "de formeel vereiste bouwvergunning" wijt aan "waar wanbeheer" door de gemeente, dat ook het gegeven dat nooit enig PV werd opgemaakt “(erop) wijst (...) dat het bedrijf van verzoekster door de overheid steeds als volledig regelmatig vergund werd beschouwd"; dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog het volgende doet gelden: "(...) Verwerende partij is alleszins gebonden door de beoordeling van de vergunningstoestand zoals die uit vroegere besluiten blijkt. Het is op grond van deze vroegere beoordelingen dat de huidige milieuvergunningsaanvraag moet beoordeeld worden. Door in tegenspraak met vroegere besluiten nu te VII-17.341-7/11 concluderen tot een planologische onverenigbaarheid worden wel degelijk de in het middel aangehaalde bepalingen geschonden"; 2.2.
- Overwegende dat de artikelen 79 en 80 van de Stedenbouwwet niet meer bestonden ten tijde van de bestreden beslissing en derhalve niet dienstig kunnen worden ingeroepen; dat de stedenbouwkundige vergunningen waarnaar in het middel wordt verwezen de eerdere bouwovertredingen niet hebben geregulariseerd; dat het vertrouwensbeginsel enkel zou kunnen zijn geschonden wanneer eenzelfde overheid op een niet te verantwoorden wijze haar beoordeling zou hebben gewijzigd; dat een beroep op het vertrouwensbeginsel nooit kan toelaten een dwingende wettelijke bepaling, zoals het gewestplan, terzijde te schuiven; dat het middel niet gegrond is; 2.3.
- Overwegende dat in een derde middel de schending wordt ingeroepen van de milieuvergunning van 3 november 1993, de Omzendbrief R.O. 93/1 van 10 november 1993 betreffende de BPA's welke afwijkingen inhouden ten opzichte van de gewestplannen, de Omzendbrief R.O. 97/01 van 27 februari 1997 in verband met het BPA zonevreemde bedrijven, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, "Doordat verwerende partij de milieuvergunning aan verzoekster weigert louter op grond van de overweging van stedenbouwkundige en ruimtelijke onverenigbaarheid van de inrichting van verzoekster, Terwijl de planologische toestand van de inrichting van verzoekster op heden identiek is aan de planologische toestand bij de beoordeling in 1993 en verwerende partij alsdan in het kader van haar beleid naar zonevreemde inrichtingen toe aan verzoekster de milieuvergunning heeft toegekend voor een periode van vijf jaar omwille van de verwachte regularisatie binnen deze periode, En terwijl de op heden nog steeds voortdurende onverenigbaarheid te wijten is aan omstandigheden die volledig vreemd zijn aan de wil van verzoekster, En terwijl verwerende partij op de hoogte is van het feit dat zeer vele gemeenten niet tot het opmaken van een BPA zonevreemde bedrijven zijn overgegaan, reden waarom verwerende partij een nieuwe beleidsimpuls heeft dienen te geven onder de vorm van de sectorale BPA’s, om alsnog op korte termijn te kunnen verhelpen aan de toestand van planologische onverenigbaarheid van zonevreemde bedrijven, zoals in casu verzoekster"; dat in de toelichting wordt uiteengezet dat de verwerende partij in 1993 bij het verlenen van de milieuvergunning rekening heeft gehouden met de in voorbereiding zijnde opmaak van een bijzonder plan van aanleg ; dat de verwerende partij met de eerste omzendbrief zelf de aanzet heeft gegeven tot de opmaak van dergelijke BPA’s, dat de verwerende partij blijkens de tweede omzendbrief wist dat de gemeenten onvoldoende gebruik maakten van deze mogelijkheid, en dat zij daarom de VII-17.341-8/11 gemeenten opnieuw aanzette tot het opmaken van specifieke BPA’s zonevreemde bedrijven, dat het niet aan de verzoekende partij te wijten is dat er nog geen BPA werd opgemaakt, en dat zij dan ook de verwachting had dat haar opnieuw een milieuvergunning zou worden verleend in afwachting van een BPA; 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop het volgende antwoordt : "(...) De aan verzoekster toegekende vergunning bij besluit van 3 november 1993 geschiedde onder de uitdrukkelijke voorwaarden dat hetzij een herlocalisatie zou geschieden dan wel de onverenigbaarheid met stedenbouwkundige en ruimtelijke voorschriften zou ophouden te bestaan, en dit alles enkel en alleen omwille van billijkheidsredenen. Verwerende partij heeft duidelijk geopteerd om haar inrichting niet te herlocaliseren, doch roept thans in dat de onverenigbaarheid te wijten is aan omstandigheden die haar volledig vreemd zijn. In weerwil van wat verzoekster voorhoudt wist zij reeds jaren dat haar inrichting gelegen is in een agrarisch gebied, wat na invoering van het gewestplan aanleiding zou geven tot problemen bij het afleveren van de nodige vergunningen. Tevens heeft de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Tewerkstelling bij de aflevering van de milieuvergunning dd. 3 november 1993 verzoekster duidelijk gesteld dat enkel om billijkheidsoverwegingen een in de tijd beperkte milieuvergunning kan afgeleverd worden (...) Het gaat derhalve niet op om te verwijzen naar de door verzoekster aangehaalde omzendbrieven waarbij wordt aangezet (tot) het opmaken van bijzondere plannen van aanleg en de haar op 3 december
(1993)toegekende milieuvergunning om te stellen dat zij er op redelijke wijze (
- op)mocht vertrouwen dat haar toestand zou geregulariseerd worden. De vergunningverlenende overheid heeft duidelijk voor verzoekster een overgangsfase voorzien om tegemoet te komen aan haar verzuchtingen, doch het kan haar niet ten kwade geduid worden dat na verloop van vijf jaren de toestand nog niet veranderd is, een toestand waaraan zij totaal vreemd is. Er weze opgemerkt dat voor diverse gebouwen waarin activiteiten gepland en aangevraagd zijn, tot op heden evenmin bouwvergunningen zijn afgeleverd"; 2.3.3. Overwegende dat de verzoekende partij daartegenover in de memorie van wederantwoord stelt dat "het geenszins buiten de wil van verwerende partij, maar integendeel volledig buiten de wil van verzoekende partij om (
- is)dat tot op heden geen BPA werd opgesteld. (...)"; 2.3.4. Overwegende dat de overheid ertoe gehouden is bij de beoorde- ling van milieuvergunningsaanvragen de dwingende bestemmingsvoorschriften van het gewestplan in acht te nemen; dat, zoals reeds is gebleken bij de beoordeling van het eerste middel, het omwille van het ontbreken van een bouwvergunning voor een gedeelte van de bedrijfsgebouwen onmogelijk was om toepassing te maken van de VII-17.341-9/11 regeling die toelaat af te wijken van het gewestplan; dat het bijgevolg niet mogelijk was om een milieuvergunning te verlenen in afwachting van een bijzonder plan van aanleg; dat het middel niet gegrond is; 2.4.1. Overwegende dat in het vierde middel de schending wordt aangevoerd van het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het consistentiebeginsel en van de "de materiële motiverings- verplichting als substantiële vormvereiste", "doordat de exploitatievergunning aan verzoekende partij geweigerd wordt op grond van de onverenigbaarheid met de planologische voorschriften, Terwijl de planologische toestand van de inrichting van verzoekende partij niet verschilt van de planologische toestand ten tijde van de beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag in 1993, zodat er onmiskenbaar een schending van het redelijkheids-, het rechtszekerheids-, het vertrouwens- en het consistentiebe- ginsel is nu desondanks een volledig tegengesteld besluit getroffen wordt zonder dat terzake enige motivering gegeven wordt"; 2.4.2. Overwegende dat hierboven reeds werd gesteld dat het niet mogelijk was om een milieuvergunning te verlenen wegens strijdigheid met de bindende voorschriften in het gewestplan en dat de ingeroepen beginselen de overheid niet toelaten een onwettige handeling te stellen; dat dit ook met zoveel woorden in de motivering van de bestreden beslissing staat; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173, 53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-17.341-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.341-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.633 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div