← België

Arrest 153634 - - 12/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.634 Rolnummer: A. 80719/VII-17259 Zaak: Arrest 153634 - - 12/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-24 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 08:15 Fiche Arrest nr 153.634 van 12 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.634 van 12 januari 2006 in de zaak A. 80.719/VII-17.

  1. In zake : de n.v. ERTSENMAALDERIJ DE BRUYN, die woonplaats kiest bij Advocaat L. VAN HOUT, kantoor houdende te BERLAAR, Markt 78 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ERTSENMAALDERIJ DE BRUYN op 16 oktober 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 19 augustus 1998 houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen het besluit van 5 februari 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen, houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan de verzoekende partij om een inrichting aan de Zaatstraat 36 in Schoten in bedrijf te houden en te veranderen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 26 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2005; VII-17.259-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. VAN HOUT, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat F. DE BISSCHOP die, loco Advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden weergegeven : 1.
  4. De verzoekende partij is sedert 1898 gevestigd te Schoten. Het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, plaatst het bedrijf in een gemengd woon- en industriegebied. 1.
  5. Met een ministerieel besluit van 14 juli 1997 wordt aan de verzoekende partij een vergunning verleend voor het verder exploiteren en veranderen van haar inrichting. De vergunning wordt verleend voor een termijn verstrijkend op 6 oktober
  6. 1.
  7. Op 3 oktober 1997 dient de verzoekende partij een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in voor een periode van tien jaar. 1.
  8. Op 5 februari 1998 verleent de bestendige deputatie een vergunning voor de verdere exploitatie, voor een termijn tot 5 februari
  9. De gemeente Schoten en de verzoekende partij tekenen administratief beroep aan. Dit beroep leidt tot de thans bestreden beslissing die als volgt is gemotiveerd : "Gelet op de ligging van de inrichting in een gemengd woon- en industriege- bied, volledig omringd door woongebied, volgens het gewestplan Antwerpen goedgekeurd bij koninklijk besluit van 03 oktober 1979; VII-17.259-2/7 Overwegende dat de bestemmingsvoorschriften voor voormelde gebieden zijn bepaald door het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen; Overwegende dat de gebieden die als zijn aangeduid bestemd zijn voor wonen en voor de andere in artikel 5.1.
  10. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen bedoelde functies alsmede voor de instandhouding en de gerechtvaardigde uitbreiding van de bedrijven die er gevestigd zijn; dat wanneer die bedrijven hun huidige bedrijfsactiviteit niet meer voortzetten en geen andere activiteiten die tot dezelfde bedrijfssector behoren, uitoefenen, het betrokken gebied uitsluitend en definitief de bestemming van woongebied krijgt; Overwegende dat huidige vergunningsaanvraag het hernieuwen en licht wijzigen betreft, voor een periode van maximum 10 jaar (volgens bijlage 3.2 van de aanvraag) van een inrichting voor : • het behandelen (drogen, zeven, koelen, mengen, ontstoffen, opzakken, e.d.) van chromietzand en soortgelijke zanden; • het vervaardigen van vormzand (zandomhulling) uitgaande van zand en harsen; • de op- en overslag en herverpakking (distributie) van minerale keramische silicaten (Ca-silicaat), straalgrit, e.d.); Overwegende dat de grondstoffen bestaan uit minerale delfstoffen zoals chromiethoudend zand, kwartszand, natuurlijke silicaten als wollastoniet en gesmolten silicaten als straalgrit; dat de eindproducten hoofdzakelijk bestaan uit : • straalgrit dat gebruikt wordt in gritstraalinstallaties; • gedroogd chromietzand dat aangewend wordt in staalgieterijen en als grondstof voor vuurvaste producten; • omhuld zand dat aangewend wordt in metaalgieterijen ter vervaardiging van gietkernen en vormen; Overwegende dat het bedrijf gelegen is op een terrein gelegen langs de Kempische Vaart, op de hoek van de Zaatstraat en de Fluitbergstraat; dat in een straal van 100 m rond de perceelsgrenzen meerdere woningen liggen, hoofdza- kelijk in noord- en noordoostelijke richting, dus windafwaarts ten opzichte van de overheersende winden; (...) Overwegende dat de N.V. Ertsenmaalderij De Bruyn zich volledig bewust is van de bestaande beperkte mogelijkheden ter plaatse (oude gebouwen) om nieuwe investeringen te doen; dat een nieuwe termijn van 10 jaar voor hermachtiging gevraagd werd; Overwegende dat uit de vaststellingen in het verleden (PV's) en uit de standpunten vertolkt in eerste aanleg blijkt dat de milieuhinder op volgende vlakken een ernstig probleem vormt voor de nabije woonomgeving : • stofhinder, door het opslag van het zwarte chromietzand, de vrij grote stapelhoogte en de onvoldoende maatregelen om in droge periodes de hinder te beperken; op de hoorzitting werd immers toegegeven dat bij zeer winderig weer problemen kunnen optreden; • geurhinder door het gebruik van fenol en de typische onaangename geur; de aanwezige gaszuivering garandeert blijkbaar niet dat de immissieconcentraties voldoende beperkt worden om geurhinder te beperken; de plannen om nog een naverbrander te plaatsen zoals in de loop van de procedure was aangehaald, zijn volgens exploitant afgelast; • verkeershinder, onder andere bij de aanvoer van het chromietzand per schip van 6.000 ton en dan verder vervoer met vrachtwagens van 30 ton over de weg, om de 3 maand; VII-17.259-3/7 Overwegende dat de exploitant reeds in 1993 een vergunning voor slechts 5 jaar vroeg en verkreeg; dat het laatste ministerieel besluit de vergunning verleende op basis van deze verbintenis van de exploitant; dat reeds lang duidelijk is gemaakt dat de herlokalisatie van een dergelijk hinderlijk bedrijf dicht bij woningen wenselijk is; dat immers onder meer bij extreme weersomstandig- heden stofhinder, onvermijdelijk is; Overwegende dat betrokken exploitant op de Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie duidelijk heeft gesteld dat opnieuw concrete plannen bestaan inzake herlokalisatie; dat de overwegingen uit het beroepen besluit die hebben geleid tot het verlenen van een vergunning voor een beperkte termijn tot 5 februari 2000, kunnen bijgetreden worden gezien deze termijn haalbaar is om de nodige vergunningen te kunnen verkrijgen op een andere locatie en de herlokalisatie door te voeren". 1.
  11. Op 10 februari 1999 dient de verzoekende partij een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in ter hernieuwing van de vergunning. Op 24 juni 1999 weigert de bestendige deputatie de gevraagde vergunning. Na een administratief beroep vanwege de verzoekende partij wordt deze weigering op 31 december 1999 bevestigd. De verzoekende partij dient een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in, die wordt verworpen bij arrest nr. 85.126 van 7 februari 2000, omdat de aangevoerde middelen niet ernstig werden bevonden. Het annulatieberoep is nog hangende;
  12. Betreffende de vraag tot samenvoeging Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie vraagt dat huidige zaak zou worden samengevoegd met het beroep tot nietigverkla- ring tegen hogervermeld besluit van 24 juni 1999; Overwegende dat het hier gaat om onderscheiden besluiten waarvan de verknochtheid niet wordt aangetoond; dat de onwettigheid van het ene niet noodzakelijk de onwettigheid van het andere tot gevolg heeft; dat niet wordt ingegaan op de vraag tot samenvoeging;
  13. De ontvankelijkheid 3.
  14. Overwegende dat met een brief van 31 maart 2005 het auditoraat aan de verzoekende partij volgende vraag heeft gesteld : "(...) Na de in deze zaak bestreden beslissing is een nieuwe vergunningsaanvraag gevolgd, die heeft geleid tot een nieuw annulatieberoep, met bijhorend een VII-17.259-4/7 vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Deze vordering tot schorsing werd verworpen bij arrest nr. 85.126 van 7 februari
  15. Kunt U mij laten weten wat de huidige situatie is? Wordt de inrichting nog op dezelfde locatie geëxploiteerd? Heeft de verzoekende partij nog nieuwe milieuvergunningsaanvragen ingediend, en wat was daarvan desgevallend het resultaat? Wat is er gebeurd bij het verstrijken van de milieuvergunning op 5 februari 2000? Mag ik U in elk geval vragen of uw cliënte meent nog een actueel belang te hebben bij haar annulatieberoep in bovenvermelde zaak, en kunt U mij desgevallend dat actueel belang toelichten? (...)"; dat met een brief van 26 april 2005 de verzoekende partij daarop het volgende heeft geantwoord : "(...) Verzoekende partij werd (...) enerzijds op 7 mei 2002 geconfronteerd met een schrijven van de gemeente SCHOTEN met het formeel verzoek om een schriftelijk sluitingsplan voor te leggen binnen 30 dagen na betekening van de desbetreffende schriftelijke aanmaning en zulks onder de dreiging van de in VLAREM voorziene dwangmaatregelen en anderzijds met brieven van de Procureur des Konings te Antwerpen d.d. 2 juni 2003 en 19 maart 2004 waarin onder niet mis te verstane bewoordingen (dreiging met gevangenisstraf en zelfs dreiging met verbeurdverklaring) de vermeende onwettige exploitatie van verzoekende partij werd aangekaart. In de gegeven omstandigheden is het uiteraard begrijpelijk dat verzoekende partij heeft moeten buigen voor de door de Overheid beoogde gedwongen herlocalisatie en zag zij zich zelfs omwille van het uitblijven van uitspraken van de Raad van State en ingevolge financiële moeilijkheden genoodzaakt haar onroerende goederen te Schoten te verkopen. Van verzoekende partij, zoals overigens van elke andere rechtzoekende in gelijkaardige omstandigheden, kan bezwaarlijk toch het belang - zowel van morele als van financiële aard - worden ontzegd om op te komen tegen de bestreden beslissingen die haar er hebben toe gebracht om, onder de grootste mogelijke druk, gedwongen te herlocaliseren. Het blijvende actuele belang in hoofde van verzoekende partij staat dan ook buiten kijf. (...)"; 3.
  16. Overwegende dat daar in de laatste memorie het volgende wordt aan toegevoegd : "Verzoekende partij doet verder opmerken en gelden dat de zgn. herlocalisatie van haar inrichting in werkelijkheid initieel strekte tot de ontwikkeling van nieuwe activiteiten in de haven met overbrenging van een gedeelte van de activiteiten te Schoten en bijgevolg met behoud van het overblijvende gedeelte van de activiteiten te Schoten. Verzoekende partij werd uiteindelijk evenwel gedwongen om al zijn activiteiten te Schoten over te brengen naar de haven te Antwerpen. Verzoekende partij doet terzake opmerken en gelden dat onder de gegeven omstandigheden bezwaarlijk het belang kan worden ontzegd bij de vordering tot nietigverklaring. VII-17.259-5/7 Verzoekende partij doet tenslotte opmerken en gelden dat de heer Auditeur weliswaar terecht opmerkt dat 3.
  17. Overwegende dat de verplaatsing van de inrichting zo goed als voltooid was eind december 2002 en dat de verkoop van de bedrijfsterreinen is gebeurd bij notariële akte van 2 augustus 2002; dat de verwerende partij na de gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing enkel zou kunnen vaststellen dat de vergunningsaanvraag geen voorwerp meer heeft, en dat zij onmogelijk nog de gevraagde vergunning kan verlenen; dat de "niet mis te verstane bewoordingen (dreiging met gevangenisstraf en zelfs dreiging met verbeurdverklaring)" waarmee "de vermeende onwettige exploitatie van verzoekende partij werd aangekaart", in werkelijkheid betrekking hebben op een voorstel tot het betalen van een minnelijke schikking van 5.000 euro, waardoor verdere strafrechtelijke vervolging voor het toen reeds beëindigde exploiteren zonder vergunning zou vervallen; dat het belang dat louter gelegen is in het verkrijgen van een arrest waarin erga omnes de onwettigheid van een bestuurshandeling wordt vastgesteld geen rechtstreeks belang betreft dat verbonden is aan de finaliteit van het vernietigingscontentieux die erin bestaat onwettige rechtshandelingen ex tunc uit de rechtsorde te doen verdwijnen; dat het belang dat erin bestaat een titel te bekomen om voor de "gewone" rechter schadevergoeding te vorderen, niet rechtstreeks is verbonden aan het uit het rechtsverkeer verwijderen van een onwettige bestuurshandeling, maar aan het gegrond horen verklaren van een middel; dat de "gewone" rechter in een procedure tot schadevergoeding de onwettigheid van een bestuurshandeling kan vaststellen; dat de gemotiveerde vaststelling door de rechter dat een vordering niet ontvankelijk is geen rechtsweigering uitmaakt; dat de verzoekende partij niet meer doet blijken van het rechtens vereiste belang; dat het beroep bijgevolg moet worden verworpen, BESLUIT: VII-17.259-6/7 Artikel
  18. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  19. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.259-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.634 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.