id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.739 Rolnummer: A. 164747/X-12412 Zaak: Arrest 153739 - - 13/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 08:18 Fiche Arrest nr 153.739 van 13 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.739 van 13 januari 2006 in de zaak A. 164.747/X-12.
- In zake :
- Noël BROUCKAERT,
- Koen DENOO, die woonplaats kiezen bij Advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- tussenkomende partij : de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SENERGHO, die woonplaats kiest bij Advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Noël BROUCKAERT en Koen DENOO op 29 juli 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 3 juni 2005 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Hooglede tegen de beslissing van 4 november 2004 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van West-Vlaanderen houdende afgifte van een voorwaardelijke vergunning aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SENERGHO voor het bouwen van een loods met silo's voor biomethanisatie van biomassa, energieproductie, verwerking en droging van het einddigestaat aan de Driewegenstraat te Hooglede, op een perceel kadastraal bekend Sectie C, nr. 4 f2; Gezien de nota van de verwerende partij; X-12.412-1/7 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. VEKEMAN die loco Advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS verschijnt voor de verzoekers, van Advocaat F. TEMMERMAN die loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat K. ROELANDT die loco Advocaat J. GHYSELS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SENERGHO met een op 23 augustus 2005 ter post aangetekend verzoekschrift heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
- Overwegende dat de tussenkomende partij een varkensfokkerij exploiteert te Gits (Hooglede); dat zij een aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een loods met silo's voor biomethanisatie van biomassa, energieproductie, verwerking en droging van het einddigestaat; dat de aanvraag betrekking heeft op een perceel gelegen te Gits (Hooglede), Driewegenstraat 21, kadastraal bekend onder Hooglede, 2de afdeling, Sectie C, nr. 4 f2; dat dit perceel gesitueerd is naast de bestaande varkensfokkerij; Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar op 26 januari 2004 een gunstig advies heeft gegeven; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Hooglede bij besluit van 11 februari 2004 de vergunning geweigerd heeft; dat, op het beroep van de tussenkomende partij, de Bestendige Deputatie van X-12.412-2/7 de Provincieraad van West-Vlaanderen bij besluit van 4 november 2004 de gevraagde vergunning heeft verleend, mits voldaan wordt aan de voorwaarde dat het dak wordt toegedekt in zwarte materialen en dat het groenaanplantingsplan wordt uitgevoerd; dat het beroep van het college van burgemeester en schepenen tegen die beslissing is verworpen door de Vlaamse Minister van Ruimtelijke Ordening, bij besluit van 3 juni 2005; dat dit laatste besluit het voorwerp vormt van de voorliggende vordering; Overwegende dat de verzoekers wonen recht tegenover het bestaande bedrijf, en schuin tegenover het perceel waarop de bestreden vergunning betrekking heeft;
- Overwegende dat de tussenkomende partij voor de uitbreiding van het bestaande varkensbedrijf met een mest- en afvalverwerkingsinstallatie, te exploiteren in de op te richten gebouwen, bij besluit van de Vlaamse Minister van Leefmilieu van 10 augustus 2004 een milieuvergunning heeft verkregen; dat tegen dit besluit een beroep tot vernietiging en een vordering tot schorsing zijn ingesteld, onder meer door de verzoekers in de thans voorliggende procedure; dat de Raad van State bij arrest nr. 140.760 van 17 februari 2005 de vordering tot schorsing verworpen heeft; dat het beroep tot vernietiging thans nog aanhangig is (zaak A. 156.572/VII-32.990);
- Overwegende dat de tussenkomende partij tegen de vordering twee excepties van onontvankelijkheid opwerpt, afgeleid uit het ontbreken van een belang, minstens een wettig belang, in hoofde van de verzoekers; Overwegende dat uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing; dat het in die omstandigheden niet nodig is om de opgeworpen excepties te onderzoeken;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; X-12.412-3/7
- Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat de verzoekers in de eerste plaats aanvoeren dat de geplande inrichting aanleiding zal geven tot verkeershinder, onder meer door zwaar vrachtverkeer; dat aldus gevaarlijke verkeerssituaties zullen ontstaan, doordat de lokale wegen niet geschikt zijn voor zwaar verkeer, dat er een bijkomende geluidshinder zal zijn, ten gevolge van het aan- en afrijden van vrachtwagens en het laden en lossen met kranen, en dat er een aanmerkelijke verstoring van de rust zal zijn; dat de verzoekers voorts aanvoeren dat de exploitatie aanleiding zal geven tot stofhinder, met name door het drukke vrachtverkeer, en tot een bijkomende visuele aantasting van de schoonheidswaarde van het omliggende landschap; dat zij er in dit laatste verband op wijzen dat een loods en vier silo's zullen worden opgericht, met een totale lengte van 89,2 m en een breedte van 37 m, en dat een dergelijke imposante constructie onesthetisch is, leidt tot een verdichting van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en elk gevoel van de open, vrije ruimte in de Driewegenstraat, in het bijzonder voor de verzoekers, wegneemt; dat de verzoekers ten slotte aanvoeren dat, ook al zijn zij zich ervan bewust dat de tolerantiedrempel in een agrarisch gebied hoger ligt dan in bijvoorbeeld een woongebied, zulks niet wegneemt dat de aard en de omvang van de ontworpen constructie een belangrijke hypotheek zullen leggen op de leefbaarheid van de volledige omgeving en dat het landschappelijk waardevolle karakter volledig teniet zal worden gedaan; dat de verzoekers, als omwonenden in een agrarisch gebied, zich niet dienen te verwachten aan de inplanting van een grootschalig bedrijf, door middel van stelselmatige uitbreidingen; Overwegende, wat de verkeershinder en de daarmee verbonden stofhinder betreft, dat deze soorten hinder voortvloeien uit de exploitatie van de inrichting; dat de Raad van State in zijn voornoemd arrest nr. 140.760 van 17 februari 2005, over de vordering tot schorsing van de milieuvergunning, met betrekking tot die hinder geoordeeld heeft als volgt : "Zelfs aangenomen dat er effectief zou moeten worden rekening gehouden met zes vrachtbewegingen (= 3 vrachtwagens) per dag in plaats van vier zoals in de bestreden beslissing (van 10 augustus 2004) wordt vooropgesteld kan er bezwaarlijk sprake zijn van een 'vrij druk vrachtverkeer'. Uit de zowel door de verzoekende als door de tussenkomende (partijen) neergelegde stukken blijkt bovendien dat de wegen waarlangs het vervoer dient te gebeuren in niets verschillen van de normale verharde landbouwwegen in landbouwgebied, waarlangs dus aan- en afvoer van vee, mest, veevoeder en dergelijke meer via vrachtverkeer mogelijk is. Er wordt dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het vrachtverkeer aanleiding zal geven tot gevaarlijke verkeerssituaties, ernstige geluids- en stofhinder en een 'aanmerkelijke' verstoring van de rust. Wat betreft de aangevoerde hinder veroorzaakt door de rijbewegingen op het terrein zelf door kranen en bulldozers, waarmee in het bestreden besluit geen X-12.412-4/7 rekening zou zijn gehouden, blijkt uit de motivering van het bestreden besluit dat de mest gelost wordt 'binnen in de loods in de ondergrondse mestopslag en dat het hele proces van laden en lossen gebeurt in een gesloten luchtdichte ruimte'. Dienvolgens zal de vergunde exploitatie niet leiden tot het gebruik van kranen en bulldozers op het terrein zelf. Eventuele rijbewegingen op het terrein zijn aldus reeds afkomstig van de bestaande exploitatie en vloeien niet voort uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing"; Overwegende dat de verzoekers geen gegevens aanbrengen die de Raad van State ertoe kunnen brengen om thans met betrekking tot de bedoelde hinder tot een andere beoordeling te komen; Overwegende, wat de visuele aantasting van de schoonheidswaarde van het omliggende landschap betreft, dat uit de door de verzoekers en de tussenkomende partij neergelegde foto's blijkt dat de twee verzoekers vooraan uitkijken op de bedrijfswoning van de tussenkomende partij (nr. 21), en zij recht vóór hun woning dus geen zicht hebben op een open ruimte; dat hun vooraanzicht naar links weliswaar uitgeeft op een grasveld, waarop de toegestane constructies zullen worden opgericht; dat hun zicht langs die kant echter beperkt wordt door een woning gelegen op het volgende perceel, naast het grasveld (nr. 19), en vooral door een reeks serres van een bestaand tuinbouwbedrijf op datzelfde perceel; dat er langs die kant dus evenmin een zicht is op een open ruimte; dat, daargelaten de vraag of de ontworpen constructies al dan niet afbreuk doen aan het landschappelijk waardevol karakter van het gebied, wat het voorwerp uitmaakt van het tweede onderdeel van het eerste middel, de verzoekers niet aannemelijk maken dat het zicht op de ontworpen constructies voor hen persoonlijk een hinder meebrengt die als ernstig beschouwd moet worden; Overwegende, wat de aantasting van de leefbaarheid van de omgeving betreft, dat het voor het bewijs van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet volstaat om te wijzen op de aantasting van het landschappelijk waardevol karakter van de omgeving; dat, daargelaten de vraag of aan het landschappelijk waardevol karakter van de hele omgeving inderdaad afbreuk wordt gedaan, wat zoals gezegd het voorwerp uitmaakt van het tweede onderdeel van het eerste middel, de verzoekers geen gegevens aanbrengen waaruit zou moeten blijken dat zij persoonlijk, door de aantasting van de omgeving, een nadeel lijden dat ernstig is; dat hun uiteenzetting op dit punt niet betrokken is op hun eigen leefsituatie; X-12.412-5/7 Overwegende dat het risico van een ernstig nadeel aldus niet bewezen is;
- Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SENERGHO in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-12.412-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien januari 2006, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.412-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.739 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.920 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.