id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.761 Rolnummer: A. 91584/IX-2373 Zaak: Arrest 153761 - - 16/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-27 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 08:20 Fiche Arrest nr 153.761 van 16 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.761 van 16 januari 2006 in de zaak A. 91.584/IX-
- In zake : Robert VAN DEN EEDE, wonende te BRUGGE, Maalse steenweg 153/3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit, die woonplaats kiest bij advocaat J. TEMMERMAN, kantoor houdende te GENT, Sint-Martensstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Robert VAN DEN EEDE op 26 april 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 21 januari 2000 waarbij André BILLIET, Ronald STEENACKER, Rodolf VANAGT, Eric STORM, Redgy POTTIER en Jean RAMAKERS worden bevorderd tot de graad van commandant bij de afzonderlijke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur, en van het koninklijk besluit van 21 januari 2000 waarbij Walter MILLE wordt bevorderd tot de graad van commandant bij de afzonderlijke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-2373-1/9 Gelet op de beschikking van 18 september 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 21 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 januari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat G. VAN GASSEN, die loco advocaat J. TEMMERMAN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- Krachtens het koninklijk besluit van 18 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de ontbinding van de Regie voor Maritiem Transport ter uitvoering van artikel 3, § 1, 6/, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, wordt de Regie voor Maritiem Transport met ingang van 1 maart 1997 in vereffening gesteld. IX-2373-2/9 Artikel 12 van voornoemd koninklijk besluit bepaalt dat de statutaire personeelsleden die niet behoren tot de Dienst Bijstand aan het Loodswezen van ambtswege naar het ministerie van Verkeerswezen en Infrastructuur worden overgedragen op de datum en op de wijze bepaald door de Koning. Artikel 13 voorziet in de mogelijkheid om statutaire personeelsleden ter beschikking te stellen van vennootschappen in de sector van het maritiem transport en het havenbeheer, of van niet federale openbare diensten. 1.
- Bij koninklijk besluit van 12 februari 1999 wordt een afzonderlij- ke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur vastgesteld. Deze personeelsformatie is als volgt ingedeeld: - permanente cel (artikel 2); - betrekkingen voor personeelsleden ter beschikking gesteld van een vennootschap die bedrijvig is in het maritiem transport van en naar België (artikel 3); - betrekkingen voor personeelsleden ter beschikking gesteld van een vennootschap die belast is met het beheer van een Belgische haven (artikel 4); - betrekkingen voor personeelsleden ter beschikking gesteld van de Dienst Bos en Groen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (artikel 5); - betrekkingen voor personeelsleden ter beschikking gesteld van de Dienst Mobiliteit van het ministerie van Ambtenarenzaken (artikel 6); - betrekkingen voor personeelsleden die een verlof voorafgaand aan de pensionering bekomen hebben (artikel 7). Artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit bepaalt dat de betrekkingen opgenomen in de artikelen 4, 5, 6 en 7 worden afgeschaft bij het vertrek van de titularis ervan. 1.
- Door het koninklijk besluit van 12 februari 1999 betreffende de bevordering van sommige ambtenaren van de afzonderlijke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur, worden de bijzondere voorwaarden IX-2373-3/9 voor bevordering vastgesteld “voor de respectievelijke ambtenaren van de Permanente Cel en de ambtenaren ter beschikking gesteld van een vennootschap die bedrijvig is in het maritiem transport van en naar België, zoals die in de afzonderlijke personeelsformatie van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur zijn opgenomen” (artikel 1). Verzoeker heeft een annulatieberoep ingesteld tegen dit koninklijk besluit (zaak 83.730/IX-1793). 1.
- Verzoeker is statutair ambtenaar met de graad van eerste luitenant bij de Regie voor Maritiem Transport ( RMT). Op 27 februari 1997 dient verzoeker een aanvraag in om, zodra hij de leeftijd van 55 jaar zal hebben bereikt (dit is op 1 augustus 2000), verlof voorafgaand aan de pensionering te verkrijgen. Intussen wordt hij verder voorlopig tewerkgesteld bij de RMT in vereffening en wordt hij ingezet bij de groep personeelsleden die instaan voor de bewaking van de schepen. Vanaf 1 september 1998 wordt hij gebezigd in de graad van eerste luitenant op een vacante betrekking van zeevaartinspecteur (dek) bij het ministerie van Verkeer en Infrastructuur - Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart. Bij koninklijk besluit van 28 februari 1999 wordt verzoeker op 1 maart 1999 ambtshalve overgeplaatst naar de afzonderlijke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur, in een betrekking bestemd voor de personeelsleden die een verlof voorafgaand aan de pensionering bekomen hebben. IX-2373-4/9 Bij ministerieel besluit van 28 april 1999 wordt aan verzoeker een verlof voorafgaand aan de pensionering, ingaande op 1 augustus 2000, toegestaan. 1.
- Bij aangetekende brieven van 28 september 1999 worden de personeelsleden die ter beschikking werden gesteld van de private firma Holyman- Sally en die voor bevordering in aanmerking komen, uitgenodigd om zich kandidaat te stellen voor de vacante betrekkingen van commandant, voorzien op de afzonderlijke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur; 1.
- Na een onderzoek naar de beroepsgeschiktheid worden eerste luitenants André BILLIET, Ronald STEENACKER, Rodolf VANAGT, Eric STORM, Redgy POTTIER en Jean RAMAKERS voorgesteld om bij wijze van graadverandering tot de graad van commandant te worden benoemd. Na een bekwaamheidsproef wordt luitenant Walter MILLE voorgesteld om bij wijze van overgang naar een hoger niveau tot de graad van commandant te worden benoemd. 1.
- Met een aangetekende brief van 9 november 1999 dient verzoeker bezwaar in tegen deze bevorderingsvoorstellen. Dit bezwaar wordt bij brief van 28 januari 2000 verworpen.
- Over de ontvankelijkheid. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat verzoeker geen belang heeft bij zijn annulatieberoep, onder meer omdat hij voor een verlof voorafgaand aan het pensioen geopteerd heeft en hij derhalve geen recht meer kan doen gelden op enige bevordering; 2.
- Overwegende dat verzoeker onder verwijzing naar het arrest nr. 117/99 van 10 november 1999 van het Arbitragehof repliceert dat het verlof voorafgaand aan het pensioen zijn belang niet automatisch aantast, maar dat hij een moreel en materieel belang behoudt bij de vernietiging van de beslissing die hem heeft IX-2373-5/9 belet de door hem geambieerde functie van commandant te bekleden; dat een vernietiging hem bovendien zou vergemakkelijken om de fout van de benoemende overheid aan te tonen voor de burgerlijke rechter; dat verzoeker er tevens op wijst dat hij eveneens de vernietiging heeft gevorderd van het koninklijk besluit van 12 februari 1999 betreffende de bevordering van sommige ambtenaren van de afzonderlijke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur en dat dit besluit de directe rechtsgrond is van de thans bestreden bevorderingen; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie betoogt dat hij tot 1 augustus 2000, datum waarop zijn verlof voorafgaand aan het pensioen is ingegaan, zijn rechten op bevordering had behouden en dat hij bovendien ook na 1 augustus 2000 zijn belang heeft behouden bij zijn annulatieberoep aangezien een gebeurlijke vernietiging “op nuttige wijze kan aangewend worden bij een eventuele burgerlijke vordering”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie betoogt dat verzoeker ten onrechte meent dat hij tot 1 augustus 2000 zijn rechten op bevordering had behouden, aangezien hij reeds op 27 februari 1997 een aanvraag had ingediend voor het verkrijgen van een verlof voorafgaand aan het pensioen met kennis van de onomkeerbare gevolgen op het vlak van de toekomstige bevorderingsmogelijkheden; dat verzoeker evenmin een moreel belang kan laten gelden; dat de bestreden besluiten niet van aard zijn om zijn morele integriteit, faam of eer in het gedrang te brengen en dat de niet-benoeming van een kandidaat geen afkeuring impliceert van die kandidaat; dat tenslotte het materieel belang dat er enkel in bestaat om op grond van een met gezag van gewijsde beklede uitspraak een vordering tot schadevergoeding voor de gewone rechter beter te ondersteunen, geen belang is dat verbonden is aan het doen verdwijnen van een akte uit de rechtsorde; 2.
- Overwegende dat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 117/99 van 10 november 1999 heeft geoordeeld dat de artikelen 19 en 24 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in die zin geïnterpreteerd dat de ambtenaar die een benoeming aanvecht, zijn belang bij het beroep tot nietigverklaring verliest wanneer IX-2373-6/9 hij in de loop van de procedure op pensioen wordt gesteld, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden maar dat dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat de ambtenaar die een benoeming aanvecht, zijn belang bij het beroep tot nietigverklaring niet noodzakelijk verliest wanneer hij in de loop van de procedure op pensioen wordt gesteld, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden; dat hetgeen het Arbitragehof veroordeelt als strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet is dat de oppensioenstelling automatisch leidt tot het verlies van het belang; dat het Arbitragehof daarentegen niet uitsluit dat de Raad van State het voortbestaan van het belang onderzoekt en integendeel stelt dat “Het (...) aan de Raad van State (staat) te oordelen of de verzoekers die een zaak voor de Raad brengen, doen blijken van een belang bij hun beroep” en dat “ Het (...) de Raad van State ook toe(komt) na te gaan of het belang van een verzoekende partij moet worden gehandhaafd tijdens de gehele duur van de rechtspleging”; Overwegende dat bij ministerieel besluit van 28 april 1999 aan verzoeker een verlof voorafgaand aan de pensionering is toegestaan met ingang van 1 augustus 2000; dat krachtens artikel 1, juncto artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 18 februari 1997 houdende diverse maatregelen ten gunste van de statutaire personeelsleden van de Regie voor Maritiem Transport, de statutaire personeelsleden verlof voorafgaand aan de pensionering kunnen aanvragen en dat dit verlof onomkeerbaar is; dat krachtens artikel 5 van voornoemd koninklijk besluit het personeelslid dat geniet van een verlof voorafgaand aan de pensionering niet langer recht heeft op een bevordering door verhoging in graad, noch op een bevordering door verhoging in weddeschaal; dat uit die bepalingen blijkt dat de ambtenaar aan wie een verlof voorafgaand aan de pensionering wordt toegekend uit vrije wil aan zijn aanspraken op verdere bevorderingen verzaakt; Overwegende dat het belang van verzoeker moet blijven voortbestaan tot aan de uitspraak over zijn beroep; dat verzoeker sinds 1 augustus 2000 niet meer voor een bevordering in aanmerking komt zodat hij uit de gebeurlijke vernietiging van het bestreden besluit niet langer het door hem nagestreefde voordeel kan halen om zich kandidaat te stellen voor bevordering; dat verzoeker echter van IX-2373-7/9 oordeel is dat hij een moreel en materieel belang bij de gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissingen heeft behouden; dat in zoverre zijn materieel belang bestaat in het onwettig horen verklaren van de bestreden beslissing om op grond van deze met gezag van gewijsde beklede uitspraak een vordering tot schadevergoeding voor de gewone rechter beter te kunnen ondersteunen, dergelijk belang geen belang is dat verbonden is aan de nietigverklaring van de bestreden beslissing of aan het doen verdwijnen van de bestreden akte uit de rechtsorde, maar een belang dat er uitsluitend in bestaat een middel gegrond te horen verklaren; dat een dusdanig belang een onrechtstreeks belang is en niet volstaat om een ontvankelijk annulatieberoep in te stellen; dat bovendien niet duidelijk blijkt waarin verzoekers moreel belang bestaat; dat het feit dat verzoeker ingevolge de bepalingen van het koninklijk besluit van 12 februari 1999 betreffende de bevordering van sommige ambtenaren van de afzonderlijke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur niet voor de bevordering tot commandant heeft kunnen meedingen, niet van die aard is dat de morele integriteit, eer of faam van verzoeker erdoor wordt aangetast; dat het beroep niet langer ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-2373-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien januari 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2373-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.761 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.