id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.762 Rolnummer: A. 83725/IX-1792 Zaak: Arrest 153762 - - 16/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-19 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 08:20 Fiche Arrest nr 153.762 van 16 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.762 van 16 januari 2006 in de zaak A. 83.725/IX-
- In zake : Marc LIEVENS, wonende te BREDENE, Lodewijk Paretlaan 42 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc LIEVENS op 23 april 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 12 februari 1999 betreffende de bevordering van sommige ambtenaren van de afzonderlijke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 28 mei 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-1792-1/8 Gelet op de beschikking van 21 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 januari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VAN HYFTE, die loco advocaat J. VANDEN EYNDE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- Krachtens het koninklijk besluit van 18 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de ontbinding van de Regie voor Maritiem Transport in uitvoering van artikel 3, § 1, 6/, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, wordt de Regie voor Maritiem Transport met ingang van 1 maart 1997 in vereffening gesteld. Artikel 12 van voornoemd koninklijk besluit bepaalt dat de statutaire personeelsleden die niet behoren tot de Dienst Bijstand aan het Loodswezen van ambtswege naar het ministerie van Verkeerswezen en Infrastructuur worden overgedragen op de datum en op de wijze bepaald door de Koning. Artikel 13 voorziet in de mogelijkheid om statutaire personeelsleden ter beschikking te stellen van vennootschappen in de sector van het maritiem transport en het havenbeheer, of van niet federale openbare diensten. IX-1792-2/8 1.
- Bij koninklijk besluit van 12 februari 1999 wordt een afzonderlij- ke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur vastgesteld. Deze personeelsformatie is als volgt ingedeeld : - permanente cel (artikel 2); - betrekkingen voor personeelsleden ter beschikking gesteld van een vennootschap die bedrijvig is in het maritiem transport van en naar België (artikel 3); - betrekkingen voor personeelsleden ter beschikking gesteld van een vennootschap die belast is met het beheer van een Belgische haven (artikel 4); - betrekkingen voor personeelsleden ter beschikking gesteld van de Dienst Bos en Groen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (artikel 5); - betrekkingen voor personeelsleden ter beschikking gesteld van de Dienst Mobiliteit van het ministerie van Ambtenarenzaken (artikel 6); - betrekkingen voor personeelsleden die een verlof voorafgaand aan de pensionering bekomen hebben (artikel 7). Artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit bepaalt dat de betrekkingen opgenomen in de artikelen 4, 5, 6 en 7 worden afgeschaft bij het vertrek van de titularis ervan. 1.
- Het koninklijk besluit van 18 februari 1997 houdende diverse maatregelen ten gunste van de statutaire personeelsleden van de Regie voor Maritiem Transport (hierna RMT), regelt het verlof voorafgaand aan de pensionering (hoofdstuk I), de mobiliteit van de personeelsleden van de RMT (hoofdstuk II), de terbeschikkingstelling van sommige personeelsleden (hoofdstuk III) en de bevordering van de personeelsleden (hoofdstuk IV). Artikel 24 van dit besluit luidt als volgt : “Het personeelslid dat krachtens Hoofdstuk II wordt gebezigd of krachtens Hoofdstuk III ter beschikking wordt gesteld, mag zijn aanspraken op bevordering bij de RMT doen gelden of, na de overdracht bedoeld in artikel 12 van voornoemd koninklijk besluit van (18 februari 1997) binnen de afzonderlijke IX-1792-3/8 formatie die naar aanleiding van deze overdracht bij het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur zal worden gecreëerd. Te dien einde bekomt hij de nodige dienstvrijstellingen voor deelname aan vormingscursussen en loopbaanexamens. Bij het definitieve vertrek van de titularis van een bevorderingsbetrekking, mag de vacante betrekking worden ingevuld bij wijze van bevordering overeenkomstig de regels die van kracht zijn bij de RMT of bij het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur voor de betrekkingen van de afzonderlijke formatie bedoeld in het eerste lid. De Minister van Vervoer bepaalt jaarlijks, met het akkoord van de Minister van Ambtenarenzaken en de Minister van Begroting, de betrekkingen van de formatie die in aanmerking komen voor bevorderingen overeenkomstig dit artikel. Geen enkele van deze betrekkingen mag worden toegekend bij wege van mobiliteit”. 1.
- Door het thans bestreden koninklijk besluit van 12 februari 1999 betreffende de bevordering van sommige ambtenaren van de afzonderlijke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur, worden de bijzondere voorwaarden voor bevordering vastgesteld “voor de respectievelijke ambtenaren van de Permanente Cel en de ambtenaren ter beschikking gesteld van een vennootschap die bedrijvig is in het maritiem transport van en naar België, zoals die in de afzonderlijke personeelsformatie van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur zijn opgenomen” (artikel 1). Artikel 4 bepaalt dat dit besluit in werking treedt op 28 februari
- 1.
- Verzoeker is statutair ambtenaar met de graad van eerste luitenant bij de Regie voor Maritiem Transport ( RMT). Op 20 februari 199
(7)dient verzoeker een aanvraag in om, zodra hij de leeftijd van 55 jaar zal hebben bereikt (dit is op 1 oktober 2000), verlof voorafgaand aan de pensionering te verkrijgen. Intussen wordt hij verder voorlopig tewerkgesteld bij de RMT in vereffening en wordt hij ingezet bij de groep personeelsleden die instaan voor de bewaking van de schepen. IX-1792-4/8 Vanaf 1 september 1998 wordt hij gebezigd in de graad van eerste luitenant op een vacante betrekking van zeevaartinspecteur (dek) bij het ministerie van Verkeer en Infrastructuur - Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart. Bij koninklijk besluit van 28 februari 1999 wordt verzoeker op 1 maart 1999 ambtshalve overgeplaatst naar de afzonderlijke personeelsformatie van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur, in een betrekking bestemd voor de personeelsleden die een verlof voorafgaand aan de pensionering bekomen hebben. Bij ministerieel besluit van 28 april 1999 wordt aan verzoeker een verlof voorafgaand aan de pensionering, ingaande op 1 maart 2001, toegestaan.
- Over de rechtspleging. Overwegende dat de verwerende partij op 10 maart 2000 een aanvullende memorie heeft ingediend; dat dergelijke memorie niet voorzien is in het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, en derhalve uit de debatten moet worden geweerd;
- Over de ontvankelijkheid. 3.
- Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat verzoeker niet langer belang heeft bij zijn annulatieberoep, onder meer omdat hij voor een verlof voorafgaand aan het pensioen geopteerd heeft; 3.
- Overwegende dat verzoeker daarop repliceert dat, ongeacht zijn aanvraag tot verlof voorafgaand aan het pensioen, het behoud van zijn aanspraken op bevordering door artikel 24 van het koninklijk besluit van 18 februari 1997 gewaarborgd was; IX-1792-5/8 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie betoogt dat hij tot 1 maart 2001, datum waarop zijn verlof voorafgaand aan het pensioen is ingegaan, zijn rechten op bevordering had behouden en dat hij bovendien ook na 1 maart 2001 zijn belang heeft behouden bij zijn annulatieberoep aangezien een gebeurlijke vernietiging “op nuttige wijze kan aangewend worden bij een eventuele burgerlijke vordering”; dat hij bovendien verwijst naar het arrest nr. 117/99 van 10 november 1999 van het Arbitragehof waarbij het Hof oordeelde dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet mogen worden geschonden bij het beoordelen van het belang in toepassing van artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in die zin dat de verzoekende partijen bij het aanvechten van een benoeming niet verschillend mogen worden behandeld naargelang zij al of niet gepensioneerd zijn; 3.
- Overwegende dat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 117/99 van 10 november 1999 heeft geoordeeld dat de artikelen 19 en 24 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in die zin geïnterpreteerd dat de ambtenaar die een benoeming aanvecht, zijn belang bij het beroep tot nietigverklaring verliest wanneer hij in de loop van de procedure op pensioen wordt gesteld, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, maar dat dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat de ambtenaar die een benoeming aanvecht, zijn belang bij het beroep tot nietigverklaring niet noodzakelijk verliest wanneer hij in de loop van de procedure op pensioen wordt gesteld, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden; dat hetgeen het Arbitragehof veroordeelt als strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet is dat de oppensioenstelling automatisch leidt tot het verlies van het belang; dat het Arbitragehof daarentegen niet uitsluit dat de Raad van State het voortbestaan van het belang onderzoekt en integendeel stelt dat “Het (...) aan de Raad van State (staat) te oordelen of de verzoekers die een zaak voor de Raad brengen, doen blijken van een belang bij hun beroep” en dat “ Het (...) de Raad van State ook toe(komt) na te gaan of het belang van een verzoekende partij moet worden gehandhaafd tijdens de gehele duur van de rechtspleging”; IX-1792-6/8 Overwegende dat bij ministerieel besluit van 28 april 1999 aan verzoeker een verlof voorafgaand aan de pensionering is toegestaan met ingang van 1 maart 2001; dat krachtens artikel 1, juncto artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 18 februari 1997 houdende diverse maatregelen ten gunste van de statutaire personeelsleden van de Regie voor Maritiem Transport, de statutaire personeelsleden verlof voorafgaand aan de pensionering kunnen aanvragen en dat dit verlof onomkeerbaar is; dat krachtens artikel 5 het personeelslid dat een verlof geniet voorafgaand aan de pensionering niet langer recht heeft op een bevordering door verhoging in graad, noch op een bevordering door verhoging in weddeschaal; dat uit die bepalingen blijkt dat de ambtenaar aan wie een verlof voorafgaand aan de pensionering wordt toegekend uit vrije wil aan zijn aanspraken op verdere bevorderingen verzaakt; Overwegende dat het belang van verzoeker moet blijven voortbestaan tot aan de uitspraak over zijn beroep; dat verzoeker sinds 1 maart 2001 niet meer voor een bevordering in aanmerking komt zodat hij uit de gebeurlijke vernietiging van het bestreden besluit niet langer het door hem nagestreefde voordeel kan halen om zich kandidaat te stellen voor bevordering; dat het voordeel dat verzoeker thans nog nastreeft, niet verder reikt dan het onwettig horen verklaren van de bestreden beslissing om desgevallend op grond van deze met gezag van gewijsde beklede uitspraak een vordering tot schadevergoeding voor de gewone rechter beter te kunnen ondersteunen; dat dergelijk belang geen belang is dat verbonden is aan de nietigverklaring van de bestreden beslissing of aan het doen verdwijnen van de bestreden akte uit de rechtsorde, maar een belang dat er uitsluitend in bestaat een middel gegrond te horen verklaren; dat een dusdanig belang een onrechtstreeks belang is; dat het beroep niet meer ontvankelijk is, IX-1792-7/8 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien januari 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1792-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.762 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div