id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.763 Rolnummer: A. 45937/IX-142 Zaak: Arrest 153763 - - 16/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-27 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 08:20 Fiche Arrest nr 153.763 van 16 januari 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.763 van 16 januari 2006 in de zaak A. 45.937/IX-
- In zake : Paul DUBUISSON, wonende te BRUSSEL, p/a Wetstraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Eerste Minister. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul DUBUISSON, eerste adviseur bij de Kanselarij van de Eerste Minister, op 4 februari 1992 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 26 september 1991 waarbij Eddy VAN PAEMEL, eveneens eerste adviseur bij de Kanselarij, bevorderd wordt tot inspecteur-generaal bij deze dienst met ingang van 1 maart 1991 en van de impliciete weigering hem te bevorderen in die graad. Gelet op het arrest nr. 73.826 van 25 mei 1998 waarbij de debatten worden heropend en waarbij het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het opmaken van een aanvullend verslag; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur-generaal M. ROELANDT; Gelet op de beschikking van 1 februari 1999 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; IX-142-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 4 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 december 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat J. UYTTERSPROT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Met dienstorder nr. 541 van 11 januari 1991 wordt een betrekking van inspecteur-generaal (rang 15) vacant verklaard bij de besturen die onder het gezag van de Eerste Minister zijn geplaatst, te begeven bij wijze van bevordering door verhoging in graad. 1.
- Op 6 februari 1991 onderzoekt de directieraad de kandidaturen en stelt de volgende rangschikking voor :
- P. DUBUISSON
- E. VAN PAEMEL
- M. DE TRAZEGNIES IX-142-2/7
- G. PARMENTIER. 1.
- Het college van de vijf leden van de directieraad die tot de Kanselarij behoren, stelt evenwel de volgende rangschikking voor :
- E. VAN PAEMEL
- P. DUBUISSON
- M. DE TRAZEGNIES
- G. PARMENTIER. 1.
- Bij koninklijk besluit van 26 september 1991 wordt Eddy VAN PAEMEL door verhoging in graad bevorderd tot inspecteur-generaal bij de Kanselarij van de Eerste Minister.
- Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat verzoeker ook beoogt de impliciete weigering van de overheid om hem te bevorderen in de graad van inspecteur-generaal te horen vernietigen; dat hij evenwel niet aantoont dat de overheid de rechtsplicht had hem te benoemen; dat dit onderdeel van zijn vordering dan ook als niet-ontvankelijk moet worden afgewezen;
- Over de gegrondheid van de vordering. 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord een nieuw middel aanvoert; dat hij in dat middel betoogt dat het motiveringsbeginsel is geschonden; dat hij in zijn laatste memorie er aan toevoegt dat hij in zijn inleidend verzoekschrift onmogelijk dit middel kon ontwikkelen omdat hij niet kon weten of de benoemende overheid een “eigenhandige” evaluatie en vergelijking van de verdiensten van de kandidaten had gemaakt en dat hij zulks slechts te weten kon komen na inzage van het administratief dossier; IX-142-3/7 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie antwoordt dat de motieven van haar beslissing “duidelijk tot uiting (komen) in de beoordelingselementen vervat in de notulen van de vergadering van 6 februari 1991 en dat het “(vanzelf spreekt) dat de benoemende overheid in dit geval haar beslissing genomen heeft op grond van de aangebrachte argumenten en de rangschikking waarvoor door de opperambtenaren van de kanselarij van de Eerste Minister eenparig werd gekozen, waarbij deze overheid ervan uitging dat deze opperambtenaren het best geplaatst waren om te bepalen welke de beste oplossing was in het belang van het bestuur”; dat zij om die redenen van oordeel is dat het middel niet ontvankelijk en ongegrond is; 3.
- Overwegende dat de bestreden beslissing als volgt luidt : “Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, inzonderheid op de artikelen 70, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 september 1969 en 72, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 september 1969 en 10 maart 1989; Gelet op het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het Rijkspersoneel, inzonderheid op Titel II, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1964 en inzonderheid gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 september 1969 en 28 februari 1986; Gelet op het koninklijk besluit van 29 januari 1985 tot oprichting van afsluitingen betreffende de bevordering door verhoging in graad of door overgang naar het hogere niveau en de verandering van graad tussen of binnen de besturen die onder het gezag van de Eerste Minister zijn geplaatst, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 augustus 1989; Gelet op het koninklijk besluit van 22 december 1989 houdende vaststelling van de personeelsformatie van de Kanselarij van de Eerste Minister; Gelet op het koninklijk besluit van 9 januari 1990 tot vaststelling van de taalkaders voor de Kanselarij van de Eerste Minister; Gelet op het ministerieel besluit van 22 februari 1985 houdende bijzondere bepalingen ter uitvoering van het statuut van het Rijkspersoneel wat betreft de besturen die onder het gezag van de Eerste Minister zijn geplaatst, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 24 november 1988, 22 december 1989 en 24 januari 1990; Gelet op het gemotiveerd advies van de Directieraad van de besturen die onder het gezag van de Eerste Minister zijn geplaatst (....)”; IX-142-4/7 dat het besluit aldus gemotiveerd wordt met verwijzing naar het “gemotiveerd advies van de Directieraad van de besturen die onder het gezag van de Eerste Minister zijn geplaatst”; dat in dat advies, na geheime stemming “om een keuze te maken tussen de HH. DUBUISSON en VAN PAEMEL” voor de eerste plaats in de rangschikking” verzoeker 9 stemmen verkrijgt en VAN PAEMEL 5 stemmen; dat hetzelfde advies vervolgt : “De rangschikking van de kandidaten ziet er dus als volgt uit:
- de heer DUBUISSON P.
- de heer VAN PAEMEL E.
- de heer DE TRAZEGNIES M.
- de heer PARMENTIER G. Tot besluit stelt de Raad aan de overheid die de macht om te benoemen uitoefent voor, de heer DUBUISSON P. te bevorderen tot de graad van inspecteur-generaal bij de Kanselarij van de Eerste Minister ingeval van benoeming van een Nederlandstalig ambtenaar en -bij gebrek aan andere kandidaten van de Franse taalrol- van de heer PARMENTIER G. ingeval van benoeming van een Franstalig ambtenaar”; 3.
- Overwegende dat, zo verzoeker kennis kon hebben van dat advies, hij er mocht van uitgaan dat de benoemende overheid nog een andere evaluatie en vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten had verricht om tot een andere voorkeur te besluiten; dat hij bijgevolg slechts na inzage van het administratief dossier kon vaststellen dat het bestreden besluit niet steunde op een deugdelijk motief; dat het middel dienvolgens op een ontvankelijke wijze is aangevoerd; 3.
- Overwegende dat het bestreden besluit in zijn enig motief uitdrukkelijk en uitsluitend steunt op voornoemd advies van de directieraad, zodat de verwerende partij bezwaarlijk op grond van alleen dat advies, een andere keuze vermocht te maken dan verzoeker; dat de omstandigheid dat de leden van de directieraad die tot de Kanselarij behoren een andere keuze voorgesteld hebben, daaraan geenszins afbreuk doet; dat de in het besluit gevoerde motief derhalve niet dienstig is om tot de bevordering van Eddy VAN PAEMEL te kunnen besluiten; dat het middel bijgevolg gegrond is, IX-142-5/7 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 26 september 1991 waarbij Eddy VAN PAEMEL, eveneens eerste adviseur bij de Kanselarij, bevorderd wordt tot inspecteur-generaal bij deze dienst met ingang van 1 maart
- Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- Dit arrest zal in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-142-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien januari 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-142-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.763 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.73.826 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.