id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.771 Rolnummer: A. 163943/X-12369 Zaak: Arrest 153771 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 08:21 Fiche Arrest nr 153.771 van 16 januari 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.771 van 16 januari 2006 in de zaak A. 163.943/X-12.369. In zake : 1. Bartholomeus DE GROOF, 2. Albert DEN OUDEN, 3. Petrus TERLINGEN, 4. Guido MERTENS, 5. Roger MESTDAGH, 6. Joannes MILJOEN, 7. Maria FABRI, 8. Hilde DE GROOF, die woonplaats kiezen bij Advocaat J. DE LAT, kantoor houdende te 2200 HERENTALS, Lierseweg 238 tegen : 1. het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg 160, 2. de gemeente OUD-TURNHOUT, die woonplaats kiest bij Advocaten L. SCHUERMANS en J. SURMONT, kantoor houdende te 2300 TURNHOUT, de Merodelei 112. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Bartholomeus DE GROOF, Albert DEN OUDEN, Petrus TERLINGEN, Guido MERTENS, Roger MESTDAGH, Joannes MILJOEN, Maria FABRI en Hilde DE GROOF op 5 juli 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van, eensdeels, het besluit van 6 april 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg "Engelstraat" genaamd, van de gemeente Oud-Turnhout, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan met bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 9 mei 2005, en anderdeels, van de gemeenteraadsbeslissing van 27 mei 2004 houdende definitieve aanvaarding van het bijzonder plan van aanleg "Engelstraat"; Gezien de nota's van de verwerende partijen; X-12.369-1/11 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 november 2005; Gelet op de beschikking van 8 november 2005 waarbij bovenvermelde beschikking wordt ingetrokken en de zaak in behandeling wordt genomen op de openbare terechtzitting van 25 november 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. DE LAT die verschijnt voor de verzoekers, van Advocaat J. CLAES die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat L. JANSEN die loco Advocaten L. SCHUERMANS en J. SURMONT verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; 1. Overwegende dat de voorliggende vordering de schorsing beoogt van de uitvoerbaarheid van het bijzonder plan van aanleg "Engelstraat" van de gemeente Oud-Turnhout; dat dit plan betrekking heeft op een gebied dat volgens de terzake geldende verkavelingsvergunning 093/038 bestemd is voor een feestzalencomplex met bijhorende het bedoelde plangebied bij het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 30 september 1977, opgenomen is deels in een natuurgebied en deels in een woonpark; dat het plangebied thans grotendeels is ingenomen door het bestaande, vergunde restaurant met feestzaal "Alta Ripa"; dat het bijzonder plan van aanleg voorziet in de mogelijkheid tot X-12.369-2/11 uitbreiding van het bestaande complex, en daarbij onder meer voorziet in een afwijking van het gewestplan en in een herziening van de verkavelingsvergunning; Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek over het voorlopig vastgestelde bijzonder plan van aanleg 319 bezwaren zijn ingediend; Overwegende dat de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (GECORO) op 8 maart 2004 een gunstig advies heeft gegeven, mits aan de volgende voorwaarden zou worden voldaan : "- de noodzakelijke maatregelen ter beperking van geluids- en parkeeroverlast dienen genomen te worden; - bij het vergunnen van de milieuvergunningsaanvraag kunnen bijzondere voorwaarden worden opgelegd m.b.t. geluidsoverlast; - het opstellen van tenten na het verlenen van de bouwvergunning (
- is)verboden (...); - de bouw- en milieuvergunning moet gekoppeld worden aan het evenementenvervoersplan; - het plan moet zo worden opgesteld dat de verkeersoverlast van toekomende en vertrekkende wagens tot een minimum wordt beperkt (eventueel aangevuld met een politiereglement); - de onderlinge verwevenheid tussen de BPA’s Hertoginnenpark, Rhoode, Engelstraat en de beleidsvisie Zwaneven - Rooise Loop moet blijven bestaan; - er moet worden toegezien op het respecteren van de bouwvergunningen, milieuvergunningen en politieverordeningen"; Overwegende dat de gemeenteraad van de tweede verweerster het bijzonder plan van aanleg "Engelstraat" op 27 mei 2004 definitief heeft aangenomen; dat de gemeenteraad in verband met het advies van de GECORO het volgende heeft overwogen : "De Gemeenteraad oordeelt dat aan de voorwaarde inzake maatregelen ter beperking van geluids- en verkeersoverlast voldaan werd door de expliciete opname van de bepalingen van het ondertussen aangepaste en uitgebreide evenementenvervoersplan in het BPA, waardoor de verkeersoverlast tot een minimum kan beperkt worden. De Gemeenteraad oordeelt dat de voorwaarden inzake bijzondere voorwaarden m.b.t. geluidsoverlast, het koppelen van vergunningen aan het evenementenvervoersplan, het al dan niet toestaan van tenten, het toezien op het respecteren van vergunningen en politieverordeningen tot de bevoegdheid van de respectievelijke vergunningverlenende en toezichthoudende overheden behoren, als zodanig van openbare orde zijn en bijgevolg niet hoeven opgenomen te worden in het BPA zelf. De Gemeenteraad oordeelt dat de verwevenheid tussen de verschillende BPA’s en de beleidsvisie Zwaneven - Rooise Loop het expliciete uitgangspunt is van de huidige procedure en voldoende blijkt uit de memorie van toelichting van het BPA"; X-12.369-3/11 Overwegende dat de memorie van toelichting bij het bijzonder plan van aanleg o.m. een evenementenvervoersplan bevat (hoofdstuk 7); dat dit plan is opgesteld door een studiebureau, op verzoek van de exploitant van de feestzaal Alta Ripa, en aangeeft "hoe de verkeershinder en de parkeerproblematiek zal beperkt worden om zodoende te voldoen aan het zgn. standstill-principe"; dat in het plan achtereenvolgens worden beschreven: de huidige toestand (inventarisatie van bestaande informatie over evenementen die hebben plaatsgevonden in de periode van september 1999 tot augustus 2000, aangevuld met een aantal gegevens uit de periode 2001-2003), de toekomstige toestand (aantal parkeerplaatsen volgens het bestemmingsplan van het bijzonder plan van aanleg), een definiëring van de probleempunten, en een "actieplan", bevattende een reeks maatregelen die de exploitant voorstelt om aan de probleempunten tegemoet te komen; Overwegende dat de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen op 7 oktober 2004 een ongunstig advies heeft gegeven; Overwegende dat de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening bij besluit van 6 april 2005 het bijzonder plan van aanleg heeft goedgekeurd; dat het besluit o.m. de volgende overwegingen bevat : "Overwegende dat de voorziene aanpassing van de bestemmingsvoorschriften toelaat om de bestaande vergunde toestanden beter in te richten, met name door een betere ontsluiting, bijkomende parkeervoorzieningen voor het normaal functioneren van het bedrijf, aanleg bufferzones en afbraak van een oude manege; Overwegende dat gelet op de bestaande en vergunde toestand de impact van het ontwerp-BPA op het woonpark eerder beperkt is omdat het plangebied in de buitenrand van het woonpark gelegen is; dat het ontwerpplan ook voorziet in een bijkomende ontsluiting van het plangebied via de aanpalende Nieuwe Staatsbaan; dat deze baan volgens het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk structuurplan een lokale verzamelweg type II is, die ontsluiting geeft naar gemeentelijke en bovengemeentelijke verbindingswegen; Overwegende dat de gemeente bijkomend een aantal maatregelen voorziet voor het beperken van de hinder voor het aanpalende woonpark, in het bijzonder voor de beperking van de verkeershinder en het waarborgen van extra uitwijkparkings; dat zulke maatregelen tot de bevoegdheid van de gemeente behoren, maar niet in dit ontwerp-BPA kunnen vastgelegd worden, ofwel omdat ze steunen op andere wetgeving, ofwel omdat ze gronden betreffen die niet binnen het plangebied gelegen zijn"; 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en X-12.369-4/11 dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3. Overwegende dat de verzoekers onder meer een eerste middel inroepen, waarvan het vijfde onderdeel is afgeleid uit de schending van het beginsel van behoorlijk bestuur van de zorgvuldigheid in de besluitvorming, doordat de gemeente en de minister, die het belang van het verkeersprobleem en het parkeerprobleem onderkend hebben (precies daarom wordt verwezen naar andere private parkings buiten het plangebied), onvoldoende voorzorgen hebben genomen om dit probleem op afdoende wijze te regelen, terwijl de parkeer- en verkeersproblemen binnen de planomtrek moeten worden geregeld door ofwel publieke parkings met voldoende capaciteit, ofwel private parkings door de exploitant van de feestzalen; door dit niet te doen, de gemeente en de minister een belangrijk aspect van het BPA ongeregeld laten binnen de planomtrek zelf, en terwijl, zelfs indien men aanneemt dat verwezen mag worden naar buiten het plangebied gelegen parkings, er dan voldoende garanties moeten zijn dat deze parkings voldoende dicht bij de feestzalen gelegen zijn (dat is wandelafstand, anders gaan de gebruikers toch proberen, wild te parkeren in de buurt van de feestzalen), ze voldoende capaciteit hebben, en in voldoende mate gegarandeerd is dat deze capaciteit ter beschikking staat van de gebruikers van de feestzalen; aan geen van deze punten is voldaan; de gemeente en de minister onzorgvuldig hebben gehandeld; Overwegende dat uit artikel 14, eerste lid, 2/ en 4/, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, volgt dat een bijzonder plan van aanleg ertoe strekt voor het ganse beheersingsgebied ervan een gedetailleerde bestemming vast te stellen, met inbegrip van de voorschriften betreffende de plaatsing, de grootte en de welstand van de gebouwen en afsluitingen, de binnenplaatsen en tuinen; Overwegende dat de vaststelling van de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg dient te steunen op een beoordeling van de goede plaatselijke ordening; dat het bijzonder plan van aanleg alle elementen moet bevatten die het mogelijk moeten maken om de gedetailleerde bestemming van het gebied te realiseren; X-12.369-5/11 Overwegende dat de bevoegde overheden voor de concrete inrichting van het betrokken gebied in voorkomend geval de belangen van de onderscheiden eigenaars, zoals die tijdens het openbaar onderzoek aan het licht zijn gekomen, dienen af te wegen tegen het algemeen belang; dat, indien de gemeenteraad vaststelt dat een ontworpen bijzonder plan van aanleg ernstige problemen doet rijzen vanuit het oogpunt van de hinder voor bepaalde eigenaars, hij in het betrokken plan zelf de nodige voorschriften dient op te nemen om de hinder binnen aanvaardbare grenzen te houden; dat het aan de minister staat om zich ervan te vergewissen dat het aan hem voorgelegde plan aan dat vereiste voldoet; dat de genoemde overheden aan de op hen rustende zorgvuldigheidsplicht tekortkomen, indien zij wel vaststellen dat het plan aanleiding kan geven tot het ontstaan van hinder, doch nalaten daarvoor op een rechtszekere manier een oplossing te bieden; Overwegende dat de gemeenteraad te dezen uitdrukkelijk verwijst naar het advies van de GECORO, waarin onder meer gewezen wordt op "geluids- en parkeeroverlast" ten gevolge van de uitbreiding van het feestzalencomplex die door het bijzonder plan van aanleg mogelijk wordt gemaakt, en waarin aangedrongen wordt op het nemen van de noodzakelijke maatregelen ter beperking van die overlast; dat de gemeenteraad van oordeel is dat de nodige maatregelen ter beperking van geluids- en verkeersoverlast genomen worden, met name door de expliciete opname van de bepalingen van het evenementenvervoersplan in het bijzonder plan van aanleg, waardoor de verkeersoverlast tot een minimum kan worden beperkt; dat de gemeenteraad voorts oordeelt dat bijzondere voorwaarden opgelegd kunnen worden door de vergunningverlenende overheden, en dat op de naleving van de vergunningen toezicht uitgeoefend kan worden door de daartoe bevoegde overheden; dat de minister overweegt dat de gemeente, naast de ontsluiting van het plangebied via de aanpalende Nieuwe Staatsbaan, bijkomend voorziet in een aantal maatregelen voor het beperken van de hinder voor het aanpalende woonpark, gericht op het beperken van de verkeershinder en het waarborgen van extra uitwijkingsparkings, maar dat die maatregelen niet in het bijzonder plan van aanleg vastgesteld kunnen worden; Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat de verweerders zich bewust zijn van het bestaan van een probleem inzake geluids- en verkeersoverlast en van de noodzaak om maatregelen te nemen ter beperking van die overlast; dat zij evenwel van oordeel zijn dat het bedoelde probleem niet opgelost hoeft te worden, of niet opgelost kan worden, in het bijzonder plan van aanleg zelf; dat zij zich ertoe beperken te verwijzen naar het evenementenplan dat de huidige exploitant van de X-12.369-6/11 feestzaal voornemens is naar aanleiding van een uitbreiding van de feestzaal ten uitvoer te leggen, alsmede naar de voorwaarden die opgelegd kunnen worden in de vergunningen die de exploitant alsdan zal moeten aanvragen; dat de vaststelling van de noodzakelijke voorschriften voor de realisatie van de bestemming van het plangebied aldus gedeeltelijk wordt onttrokken aan het besluitvormingsproces dat door de decreetgever voor een bijzonder plan van aanleg is geconcipieerd, en verschoven wordt naar het ogenblik waarop de exploitant van de feestzaal een aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning zal indienen; dat de beoordeling van de goede plaatselijke ordening aldus gedeeltelijk lijkt te worden overgelaten aan de vergunningverlenende overheid, terwijl deze beoordeling juist vooraf dient te gaan aan de vaststelling van de stedenbouwkundige voorschriften van het bijzonder plan van aanleg; dat het in het plan van aanleg gevolgde procédé tot gevolg lijkt te hebben dat de betrokken belanghebbenden, waarvan erkend wordt dat zij hinder kunnen ondervinden ten gevolge van de mogelijk gemaakte uitbreiding van het feestzalencomplex, in het ongewisse gelaten worden over de uiteindelijke concrete inrichting van het betrokken gebied; dat het bijzonder plan van aanleg zich niet op definitieve wijze lijkt uit te spreken over het bestaan van maatregelen die de hinder voor de belanghebbenden binnen aanvaardbare perken kunnen houden, laat staan dat het zulke maatregelen ook effectief als dwingende voorschriften oplegt; dat het bijzonder plan van aanleg aldus niet met de nodige zorgvuldigheid tot stand lijkt te zijn gekomen; Overwegende dat het eerste middel in zijn vijfde onderdeel ernstig is; 4. Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat de verzoekers aanvoeren dat zij eigenaar zijn van percelen die onmiddellijk palen aan het plangebied of in de onmiddellijke omgeving ervan liggen; dat de nadelen die zij inroepen, betrekking hebben op het hele gebied dat door het BPA ingrijpend zal worden gewijzigd; dat de tweede, de zesde en de zevende verzoeker, die aanpalend zijn, zeker visuele hinder zullen ondervinden; dat ook de andere verzoekers visuele hinder zullen ondervinden, gelet op de vrije hoogte van 7 m volgens de bouwvoorschriften in het BPA; dat alle verzoekers voorts morele hinder, verkeershinder en burenhinder zullen ondervinden; dat de voorziene uitbreiding ook een invloed heeft op het uitzicht; dat het wildparkeren in de omliggende straten door het BPA fel zal toenemen, terwijl de gemeente geen maatregelen heeft genomen om ongewenst verkeer buiten het gebied te houden; dat door het feit dat een deel van het X-12.369-7/11 BPA de bestemming natuurgebied heeft, het nadeel dat de verzoekers aanvoeren zeker en vast niet alleen pecuniair is; dat het natuurgebied, voorwerp van het BPA, mede met de omgeving een prachtig groengebied vormt; dat de bescherming en het behoud van dit groene natuurgebied een bijzondere beleving van de eigendom van de verzoekers scheppen, en aan de verzoekers een enorme morele voldoening schenken; dat deze manifeste landschapsverontreiniging, waardoor ook de volledige omgeving van het plangebied zal worden aangetast (waarbinnen de verzoekers wonen), niet alleen een moreel nadeel schept, doch tevens visuele hinder, geluidshinder en hinder door de geplande intense verkeersgenererende uitbating; dat dit laatste des te prangender is, gelet op het feit dat er wel degelijk problemen zullen bestaan inzake de toevloed van gasten die onvoldoende parkeerplaatsen zullen vinden op het terrein van Alta Ripa en die dus hun voertuigen overal in de aanpalende straten, waar de verzoekers wonen, wild zullen parkeren op ongeoorloofde manieren en hinder zullen veroorzaken voor de omwonenden, die nog meer in het midden van de nacht gewekt zullen worden door vertrekkende feestvierders; dat het voor de verzoekers wraakroepend is dat hun landelijke omgeving, palend aan een beschermd natuurgebied, opgeofferd wordt voor de uitbreiding van een feestzalencomplex dat een gastencapaciteit tot 1500 personen moet ondersteunen; dat met het BPA het vereiste planningskader wordt geschapen waardoor een deel natuurgebied onherroepelijk zal verdwijnen ten voordele van een grote uitbreiding van een feestzalencomplex, dat daarmee afmetingen zal verkrijgen waardoor het, volgens zijn eigen zeggen, uniek (o.a. naar omvang) in België en Nederland wordt; dat het voor zich spreekt dat de kans quasi nihil is dat een door de onderneming gevraagde concrete rooivergunning en stedenbouwkundige vergunning voor uitbreiding geweigerd zullen worden; dat dit voor de verzoekers dan ook meteen het moeilijk te herstellen karakter van hun ernstig nadeel vormt: een waardevol natuurgebied (aldus door de opstellers van het gewestplan beoordeeld) kan uiteraard niet meer hersteld worden van zodra de rooiing en de bebouwing en de toegelaten activiteiten een feit zijn; dat, zelfs indien er in het kader van compensatie elders in bijkomend natuurgebied wordt voorzien, dit uiteraard nooit het nadeel kan herstellen dat de verzoekers in hun onmiddellijke leefkwaliteit lijden door het verdwijnen van het natuurgebied en door de voorgenomen uitbreiding van het feestzalencomplex met daarbij horende activiteiten; dat indien het BPA thans niet geschorst wordt, de verzoekers effectief een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zullen lijden, in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat zonder het planningskader dat in het BPA onwettig geschapen wordt, een rooiing van het natuurgebied, de bebouwing en de geplande activiteiten onmogelijk zouden zijn; dat X-12.369-8/11 de onderneming zeer snel te werk zal gaan, wat blijkt uit haar diverse bouwaanvragen in het verleden en uit haar eigen publiciteit; Overwegende dat de verzoekers het aldus beschreven nadeel verder toelichten, en daarbij herhalen dat de verkeersoverlast ten gevolge van de bouw van een grootschalig feestzalencomplex zal leiden tot een aanzienlijke drukte van honderden aanrijdende en ‘s nachts wegrijdende wagens, stijgende lawaaihinder en toenemende verkeersonveilige situaties en luchtpollutie (meer uitstoot van uitlaatgassen); dat zij ten slotte aanvoeren dat ook de waarde van de eigendommen in hun residentiële woonbuurt een belangrijke devaluatie zal kennen; Overwegende dat voor de beoordeling van het aangevoerde nadeel enkel rekening kan worden gehouden met het nadeel dat het gevolg zou zijn van de uitbreiding van het bestaande feestzalencomplex, welke bij het bestreden bijzonder plan van aanleg mogelijk gemaakt wordt; Overwegende dat uit de door de verzoekers neergelegde stukken blijkt dat de exploitant van het feestzalencomplex plannen heeft voor de uitbreiding van het feestzalencomplex tot een capaciteit van 1500 personen; dat ook de tweede verweerster het in haar nota heeft over de uitbreiding van de capaciteit tot 1500 personen; dat volgens het door de exploitant opgestelde evenementenplan, opgenomen in de memorie van toelichting bij het bijzonder plan van aanleg, het aantal parkeerplaatsen binnen de daartoe voorziene zone ten gevolge van het bijzonder plan van aanleg uitgebreid zal kunnen worden van ongeveer 375 tot 410; dat die 410 plaatsen volgens het evenementenplan moeten volstaan voor feesten tot ongeveer 800 bezoekers, zonder busgebruik, of tot ongeveer 1100 bezoekers, met busgebruik; dat er voor feesten met meer bezoekers in bijkomende maatregelen moet worden voorzien, om de parkeerproblematiek op te vangen; Overwegende dat het aannemelijk is, zoals door de verzoekers wordt gesteld, dat de uitbreiding van de capaciteit van het feestzalencomplex, zonder dienovereenkomstige uitbreiding van de parkeercapaciteit, aanleiding geeft tot hinder; dat, zoals uit de bespreking van het ernstig bevonden middel blijkt, zowel de gemeenteraad als de minister zich trouwens bewust waren van het ontstaan van hinder; dat de verzoekers, die in de omgeving van het feestzalencomplex wonen, kunnen vrezen dat zij de bijkomende hinder in hun onmiddellijke omgeving zullen ondervinden; dat, zoals uit de bespreking van het ernstig bevonden middel blijkt, het X-12.369-9/11 bestreden bijzonder plan van aanleg geen dwingende voorschriften bevat ter beperking van de geluids- en verkeersoverlast; Overwegende dat de verzoekers aldus, en in die mate, het bestaan van het risico op een ernstig nadeel, rechtstreeks voortvloeiend uit het bestreden bijzonder plan van aanleg, aannemelijk maken; dat het feit dat de exploitant in het evenementenplan maatregelen voorstelt om de te verwachten problemen op te lossen, niet afdoet aan het feit dat de hinder ten gevolge van het bijzonder plan van aanleg kan ontstaan; dat de schorsing van een bestuurshandeling er precies toe strekt om het ontstaan zelf van een ernstig nadeel te voorkomen; Overwegende dat het bedoelde nadeel, dat geleden zal worden telkens als het aantal bezoekers de beschikbare parkeercapaciteit overtreft, bovendien moeilijk te herstellen is; 5. Overwegende dat is voldaan aan de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te bevelen; BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 6 april 2005 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg "Engelstraat" van de gemeente Oud-Turnhout, bestaande uit een plan van de bestaande toestand en een bestemmingsplan met bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften, en van het besluit van 27 mei 2004 van de gemeenteraad van de gemeente Oud-Turnhout houdende definitieve aanneming van het genoemde bijzonder plan van aanleg. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het eerste geschorste besluit. X-12.369-10/11 Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien januari 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.369-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.771 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.723 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div