← België

Arrest 153772 - - 16/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.772 Rolnummer: A. 165886/X-12477 Zaak: Arrest 153772 - - 16/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-23 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 08:21 Fiche Arrest nr 153.772 van 16 januari 2006 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.772 van 16 januari 2006 in de zaak A. 165.886/X-12.

  1. In zake :
  2. Victor PEETERS,
  3. Josephina DE VIL, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat C. MARINOWER, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Consciencestraat
  4. tussenkomende partij : de naamloze vennootschap AQUAFIN, die woonplaats kiest bij Advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN, kantoor houdende te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Victor PEETERS en Josephina DE VIL op 9 september 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 4 juli 2005 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte van de stedenbouwkundige vergunning aan de naamloze vennootschap AQUAFIN voor de aanleg van de collector Tisselt (project nr. 20.683) op percelen kadastraal bekend 2de afdeling, Sectie C, 1ste blad, 2de deel, 5de afdeling, Sectie A, 1ste en 2de blad, 5de afdeling, Sectie C, 1ste blad, 1ste deel, 5de afdeling, Sectie D, 2de blad; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-12.477-1/11 Gelet op de beschikking van 14 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. JONGBLOET die verschijnt voor de verzoekers, van Advocaat K. BOSMANS die loco Advocaat C. MARINOWER verschijnt voor de verwerende partij en van Advocaat L. DE SMET die loco Advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Overwegende dat de naamloze vennootschap AQUAFIN met een op 29 september 2005 ter post aangetekend verzoekschrift heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
  7. Overwegende dat de tussenkomende partij een aanvraag heeft ingediend, ontvangen op 8 april 2003, strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor de aanleg van een collector te Tisselt (Willebroek); dat het tracé volgens het ontwerp onder meer de wegenis van de Jozef De Blockstraat volgt; dat ter hoogte van het kruispunt van die straat met de Sleperlaan een overstort geplaatst zal worden, en dat de bestaande leiding die nu rechtstreeks loost in de Bosbeek, na realisatie van het project als overstortleiding zal worden gebruikt; dat ter hoogte van deze overstort een bijkomend wachtbekken van 1250 m2 zal worden ingeplant, om het meerdebiet ten opzichte van de bestaande toestand te bufferen, voordat het overtollige water in de Bosbeek stroomt; dat dit bufferbekken een open constructie is, die wordt aangelegd op een perceel toebehorend aan de verzoekers, kadastraal gekend onder Willebroek, 5de afdeling, sectie A, nr. 390 d; Overwegende dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek op 22 juli 2003 een gunstig advies gegeven heeft; dat de X-12.477-2/11 gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van de Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen (AROHM) Antwerpen bij besluit van 4 juli 2005 de gevraagde vergunning heeft verleend, voor een inmiddels gewijzigde aanvraag; dat dit laatste besluit het voorwerp van de voorliggende vordering vormt; Overwegende dat de tussenkomende partij ondertussen, bij ministerieel besluit van 21 februari 2005, ook gemachtigd is om, met het oog op het aanleggen van het genoemde bufferbekken, het genoemde perceel van de verzoekers te onteigenen; dat de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen bij vonnis van 19 oktober 2005 de vordering tot onteigening, ingesteld door de tussenkomende partij, ontvankelijk heeft verklaard, de onteigeningsformaliteiten vervuld heeft verklaard, en de provisionele vergoeding heeft vastgesteld; Overwegende dat de verzoekers wonen aan de oostkant van de Jozef De Blockstraat, ongeveer ter hoogte van de overstort; dat de aanleg van het wachtbekken voorzien is aan de overzijde (westkant) van de straat, achter percelen waarop andere woningen zijn gebouwd;
  8. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  9. Overwegende dat de verzoekers een eerste middel inroepen, afgeleid uit de schending van het koninklijk besluit van 5 augustus 1976 houdende definitieve vaststelling van het gewestplan Mechelen, de artikelen 11 en 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; doordat het bestreden besluit de oprichting vergunt van een open bufferbekken met een oppervlakte van 16 a 82 ca, voor de opvang van overtollig industrieel en huishoudelijk afvalwater, op het perceel kadastraal gekend als 5de afdeling, sectie A, nr. 390 d, waarvan de verzoekers eigenaar zijn; X-12.477-3/11 terwijl dit perceel volgens de bepalingen van het gewestplan Mechelen, definitief vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, integraal gelegen is in het agrarisch gebied; artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen bepaalt dat de agrarische gebieden zijn voorbestemd voor agrarische activiteiten in de ruime zin; de aanleg en het gebruik van een open bufferbekken voor de stockering van afvalwater niet als een agrarisch gebruik kan worden gekwalificeerd, zodat de vergunde aanleg van het bufferbekken strijdt met de voor het perceel geldende gewestplanbestemming, zoals uitdrukkelijk wordt erkend in de bestreden vergunning zelf; aan de principiële onbestaanbaarheid van de middels het bestreden besluit vergunde aanleg van het open bufferbekken met de voor de inplantingsplaats geldende gewestplanbestemming niet kan worden verholpen door de toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, nu aan de voorwaarden voor de wettige toepassing van dit artikel niet is voldaan; en terwijl, eerste onderdeel, dit laatste artikel het immers slechts mogelijk maakt om van de geldende gewestplanbestemmingen af te wijken indien blijkt dat er een absolute en dringende noodzaak bestaat en dat er niet gewacht kan worden op de inherzieningstelling van het gewestplan of (het opstellen van) een gemeentelijk plan, zulks trouwens in de bestreden vergunning wordt erkend; uit de stukken van het dossier, meer bepaald uit het feitenrelaas dat het Vlaams Gewest voor de onteigeningsrechter heeft gegeven, duidelijk blijkt dat het technisch programma voor de uitvoering van de nu vergunde werken reeds op 8 mei 2002 werd goedgekeurd, en er sindsdien noch aan de locatie, noch aan de omvang van het bufferbekken iets werd gewijzigd, en dat de aanvraag om stedenbouwkundige vergunning reeds werd ingediend op 8 april 2003, zodat men sedert 8 mei 2002, minstens sedert 8 april 2003 perfect op de hoogte was van de locatie en de omvang van het geplande open bufferbekken en de tegenstrijdigheid ervan met de voor deze locatie geldende gewestplanbestemming; gelet op dit tijdsverloop niet meer gesteund kan worden op de dringende noodzaak die nodig is voor een wettige toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972; en terwijl, tweede onderdeel, een wettige toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 bovendien vereist dat de vergunde voorziening van openbaar nut strookt met de algemene bestemming en het architectonisch karakter van het gebied; uit het kadastraal plan waarop het ontworpen bufferbekken staat aangeduid blijkt dat dit bekken is voorzien aan de rand van een open gebied, doch onmiddellijk aansluitend bij de lintbebouwing ten westen X-12.477-4/11 van de Jozef De Blockstraat en bij de grote verkaveling ten oosten van de Jozef De Blockstraat, zodat deze toch wel hinderlijke inrichting in feite wordt ontworpen aan de rand van een grote woonwijk; hieruit volgt dat de aanleg van het open bufferbekken niet wettig overeenkomstig artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 kan worden vergund; het immers duidelijk is dat de aanleg van het open bufferbekken op de gekozen inplantingsplaats strijdig is met de algemene bestemming en het architectonisch karakter van het gebied; en terwijl, derde onderdeel, de toepasbaarheid van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 op grond van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen in de vergunning zelf precies en concreet moet worden gemotiveerd; te dezen voor de vereiste hoogdringendheid slechts de clichémotivering wordt gegeven dat "er kan afgeweken worden van de voorschriften van het gewestplan in toepassing van artikel 20, gelet dat de hoogdringendheid van de ingreep is bewezen"; met betrekking tot de verenigbaarheid van de vergunde werken met de in de onmiddellijke omgeving bestaande ruimtelijke ordening slechts de clichémotivering wordt gegeven dat "de ingreep kan beschouwd worden als een beperkte afwijking gelet op de omvang en het feit dat de constructies overwegend ondergronds worden aangelegd", waardoor zonder meer voorbijgegaan wordt aan de aanleg van een open (en dus bovengronds) bufferbekken met een oppervlakte van maar liefst 16 are; voor zover de vergunningverlenende overheid de toepassingsvoorwaarden van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 zou hebben nagegaan, het vervuld zijn van deze toepassingsvoorwaarden allerminst in het bestreden besluit zelf is gemotiveerd; zodat de bestreden vergunning de in het middel aangewezen bepalingen schendt; X-12.477-5/11 de inplanting van het ontworpen wachtbekken is voorzien in een gebied dat volgens het gewestplan Mechelen is bestemd als agrarisch gebied; dat in het bestreden besluit zelf ervan uitgegaan wordt dat de aanvraag principieel in strijd is met die bestemming van het gewestplan; Overwegende dat artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen bepaalt dat bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden kunnen worden toegestaan, "voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied"; Overwegende dat het bestreden besluit de gevraagde vergunning verleent, met toepassing o.m. van het voornoemde artikel 20; dat het in dit verband de volgende motivering bevat: "Een voorwaarde voor de toepassing van artikel 20 is dat er een dringende en absolute noodzaak bestaat en dat er niet kan gewacht worden op de procedure van inherzieningstelling van het gewestplan of van het opstellen van een gemeentelijk plan. Het kan dus niet dat na maandenlange (eventueel jarenlange) voorstudies, eventueel met MER-rapporten e.a., plots dringend de toepassing van artikel 20 wordt ingeroepen. Artikel 20 kan toegepast worden: - voor elementen die niet op het niveau van het gewestplan aangeduid worden, bijv. straatverlichting, wegen en nutsleidingen van subgewestelijk belang en aansluiting hierop; - voor beperkte afwijkingen van aangeduide leidingen, wegen, kanalen en spoorwegen; - voor gemeentelijke gemeenschapsvoorzieningen waar de functies niet tegenstrijdig zijn. Er kan afgeweken worden van de voorschriften van het vastgestelde gewestplan in toepassing van artikel 20 gelet dat de hoogdringendheid van de X-12.477-6/11 ingreep is bewezen. De ingreep kan beschouwd worden als een beperkte afwijking gelet op de omvang en het feit dat de constructies overwegend ondergronds worden aangelegd"; Overwegende dat deze motivering grotendeels bestaat uit een aantal algemene beschouwingen over de toepassing van artikel 20; dat, wat betreft de verenigbaarheid van de ontworpen collector met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van de betrokken gebieden, de motivering zich ertoe beperkt te wijzen op het beperkt karakter van de afwijking; dat de motivering echter geen concrete gegevens vermeldt die doen blijken van een toetsing van de aanvraag aan de algemene bestemming en het architectonisch karakter van de betrokken gebieden; dat, wat meer bepaald het ontworpen wachtbekken betreft, de motivering geen concrete gegevens bevat in verband met de algemene bestemming van het betrokken perceel als agrarisch gebied of in verband met het architectonisch karakter van het betrokken gebied; dat het er zelfs op lijkt dat aan de inplanting van het wachtbekken helemaal geen concrete aandacht is besteed, nu het beperkt karakter van de afwijking van de bestemming vastgesteld bij het gewestplan wordt afgeleid uit de omvang van de ingreep en uit de overwegend ondergrondse aanleg van de collector, terwijl het twijfelachtig is of de aanleg van een wachtbekken van 1250 m2 beschouwd kan worden als een ingreep van een beperkte omvang, en een wachtbekken in elk geval niet behoort tot de ondergrondse constructies van de collector; Overwegende dat met de bijkomende verantwoording, door de tussenkomende partij gegeven in haar verzoekschrift tot tussenkomst, geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat in de huidige stand van het geding de conclusie dan ook lijkt te zijn dat de in het bestreden besluit gegeven motivering in verband met de verenigbaarheid van het ontworpen wachtbekken met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied niet afdoende is om de toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 te verantwoorden; dat het derde onderdeel in zoverre ernstig is;
  10. Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat de verzoekers in de eerste plaats aanvoeren dat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit tot gevolg zal hebben dat zij uit hun eigendom zullen worden ontzet, dat immers de toelaatbaarheid van de onteigening in nauw verband staat met X-12.477-7/11 het bestaan van een stedenbouwkundige vergunning die de uitvoering van het onteigeningsbesluit mogelijk maakt, dat de schorsing van het bestreden besluit tot gevolg zal hebben dat de onteigening overbodig zal worden, wegens de onuitvoerbaarheid van het onteigeningsbesluit; dat de verzoekers voorts aanvoeren dat hun woonklimaat door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit geschaad wordt, dat zij in vogelvlucht wonen op slechts enkele tientallen meters van het enorme open bufferbekken dat ter uitvoering van het bestreden besluit zal worden aangelegd, dat dit bufferbekken moet dienen voor de opvang van het overtollige afvalwater afkomstig van 2.326 inwonersequivalenten huishoudelijk afvalwater en 1.720 inwonersequivalenten industrieel afvalwater op het ogenblik dat om één of andere reden de aan te leggen collector het debiet van deze afvalwaters niet kan slikken, bijvoorbeeld bij hevige regenval, dat dit water dan naderhand zal worden geloosd, dat in de periode waarin het afvalwater in het bufferbekken staat, de vuilvracht zal bezinken, zodat na afwatering het bekken vol slib zal komen te staan, dat dit slib, een afvalstof, op dat ogenblik in het bufferbekken aan de lucht bloot zal komen te staan en uiteraard een hevige geuroverlast zal veroorzaken, zeker op zomerdagen, dat de zomerperiode bovendien een periode is waarin het bufferbekken wegens de korte, maar hevige regens vaak dienst zal moeten doen, dat wegens de enorme omvang van het bekken deze stank zich in de wijde omgeving zal verspreiden, dat de voortdurende en doordringende stank van slib in de woning en de tuin van de verzoekers voor hen een ernstige aantasting betekent van hun woongenot, en hen derhalve een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent; 5.
  11. Overwegende, wat betreft de onteigening van de verzoekers uit het perceel waarop het wachtbekken zal worden ingeplant, dat die onteigening voortvloeit uit het ministerieel besluit van 21 februari 2005 dat de werkzaamheden met het oog op de aanleg van het open bufferbekken tot nut van het algemeen belang heeft verklaard en dat de tussenkomende partij gemachtigd heeft om de verzoekers te onteigenen; dat de onteigening dus niet in een oorzakelijk verband staat tot de thans bestreden stedenbouwkundige vergunning; dat overigens de onteigening te dezen is toegestaan door de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, nadat deze de exceptie van onwettigheid van de thans bestreden vergunning heeft onderzocht; dat de schorsing van die laatste vergunning het nadeel dat uit dat vonnis voortvloeit, niet ongedaan kan maken; 5.
  12. Overwegende, wat betreft de geurhinder die met de werking van het wachtbekken gepaard zal gaan, dat de verweerder aanvoert dat bij de uitwerking X-12.477-8/11 van de uit te voeren werken rekening gehouden is met de opmerkingen van de afdeling Natuur Antwerpen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, waardoor het effluent in het wachtbekken nog een zuivering ondergaat vooraleer het in de Bosbeek geloosd wordt, en waardoor de kans op enige geurhinder quasi nihil is; dat de verweerder voorts verwijst naar het advies van de afdeling Wegen en Verkeer Antwerpen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, waarin gesteld wordt dat om ongezonde of hinderlijke toestanden te vermijden die zouden kunnen ontstaan door slijkvormende, rotbare afvalstoffen, in de afvoerleidingen een slijk- en vetafscheiding moet worden ingeschakeld; Overwegende dat de tussenkomende partij opmerkt dat het bouwen van het bufferbekken noodzakelijk is om bij extreme en overvloedige regenbuien, statistisch gezien maximaal zeven maal per jaar, het afvalwater op te vangen, dat niet vervoerd kan worden via de collector en dat bijgevolg via de overstort onmiddellijk in de beek zou terechtkomen; dat zij voorts opmerkt dat het afvalwater er sterk verdund (gemengd met regenwater) zal zijn, dat het gehele collectorenstelsel dat in Tisselt wordt uitgebouwd, na vijf jaar het afvalwater van 14.891 huishoudelijke inwonersequivalenten en 1.834 industriële inwonersequivalenten zal transporteren naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Ruisbroek, en dat de overstort aan de Jozef De Blockstraat een zijstreng van het stelsel beveiligt, waardoor het afvalwater van slechts 815 huishoudelijke inwonersequivalenten en 87 industriële inwonersequivalenten stroomt; dat de tussenkomende partij aanvoert dat korte, hevige buien in de zomer geen aanleiding zullen geven tot geuroverlast, aangezien het hoge debiet, bij een relatief klein volume, een snelle stroming naar de waterloop geeft, en dat er bij langere buien evenmin geuroverlast kan zijn, aangezien het overstortwater in dat geval nog eens verdund wordt in het bufferbekken zelf, dat indien zich toch slib zou afzetten in het bufferbekken, dit dan jaarlijks zal worden verwijderd, dat deze situatie een aanzienlijke verbetering zal inhouden in vergelijking met de thans bestaande toestand, waarbij al het afvalwater rechtstreeks en ongezuiverd geloosd wordt in de Bosbeek; dat de tussenkomende partij aanvoert dat de afstand tussen de woning van de verzoekers en het ontworpen bufferbekken veel te groot is om in verband met mogelijke geurhinder nog te kunnen spreken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat zij er ten slotte op wijst dat rekening is gehouden met de opmerkingen van de afdeling Natuur en de afdeling Wegen en Verkeer Antwerpen; X-12.477-9/11 Overwegende dat noch de verweerder, noch de tussenkomende partij betwisten dat het water dat zich in het bufferbekken zal verzamelen nog steeds afvalwater is, zij het dat het gaat om sterk verdund afvalwater; dat zij evenmin betwisten dat zich in het bufferbekken op regelmatige tijdstippen een afzet van slib zal kunnen voordoen; dat derhalve niet uit te sluiten valt dat slib zich een aantal keren per jaar in het bufferbekken zal afzetten; dat dit slib dan, volgens de verklaringen van de tussenkomende partij zelf, slechts om het jaar zal worden geruimd; dat, gelet op de oppervlakte van het bekken (1250 m2) en de afstand tot de woning van de verzoekers (ongeveer 70 m), het risico van geurhinder ten gevolge van de slibvorming niet onwaarschijnlijk voorkomt; dat de verzoekers aannemelijk maken dat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een ongemak kan opleveren dat, gelet op de concrete omstandigheden, een ernstig nadeel uitmaakt; dat dit nadeel, dat geleden wordt telkens de geurhinder zich voordoet, bovendien niet of moeilijk te herstellen is; 5.
  13. Overwegende dat de tussenkomende partij ter terechtzitting heeft gewezen op het algemeen belang dat met het vergunde project, in combinatie met daarmee samenhangende projecten, wordt nagestreefd, en dat zij in dit verband heeft gevraagd om de belangen van de verzoekers af te wegen tegen dat algemeen belang; Overwegende dat het voor het bevelen van de schorsing van de tenuitvoerlegging van een overheidshandeling waartegen ernstige middelen tot vernietiging worden aangevoerd, in beginsel volstaat dat de verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan aantonen; dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden aangenomen kan worden dat dit individueel nadeel moet wijken voor de belangen die betrokken zijn bij de uitvoering van de overheidshandeling, waarvan is vastgesteld dat de wettigheid voor ernstige betwisting vatbaar is; dat het enkele feit dat de bestreden vergunning betrekking heeft op een project dat, in combinatie met andere projecten, voorziet in de zuivering van het afvalwater van een zeer groot aantal gezinnen, te dezen niet verantwoordt dat wordt afgeweken van het voornoemde beginsel;
  14. Overwegende dat is voldaan aan de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te bevelen; X-12.477-10/11 BESLUIT: Artikel
  15. Het verzoek tot tussenkomst van de naamloze vennootschap AQUAFIN in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  16. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 4 juli 2005 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte van de stedenbouwkundige vergunning aan de naamloze vennootschap AQUAFIN voor de aanleg van de collector Tisselt (project nr. 20.683) op percelen kadastraal bekend 2de afdeling, Sectie C, 1ste blad, 2de deel, 5de afdeling, Sectie A, 1ste en 2de blad, 5de afdeling, Sectie C, 1ste blad, 1ste deel, 5de afdeling, Sectie D, 2de blad. Artikel
  17. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien januari 2006, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.477-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.772 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.100 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.