← België

Arrest 153778 - - 17/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.778 Rolnummer: A. 168772/XII-4617 Zaak: Arrest 153778 - - 17/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-19 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 08:21 Fiche Arrest nr 153.778 van 17 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.778 van 17 januari 2006 in de zaak A. 168.772/XII-

  1. In zake : de NV GLAXOSMITHKLINE, die woonplaats kiest bij advocaat S. Callens, kantoor houdende te 1040 Brussel, Tervurenlaan 40 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat K. Ronse, kantoor houdende te 1000 Brussel, Louizalaan 149, bus
  2. tussenkomende partij : de NV SANOFI PASTEUR MSD, die woonplaats kiest bij advocaten X. Leurquin en P. De Maeyer, kantoor houdende te 1160 Brussel, Tedescolaan
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV Glaxosmithkline op 21 december 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “het ministerieel besluit van 12 december 2005 van de Vlaamse Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin houdende de beslissing tot gunning van een overheidsopdracht inzake het leveren van vaccins voor de Vlaamse bevolking [...] waarbij de percelen 3, 4, 5 en 6 van de algemene offerteaanvraag voor de levering van vaccins aan de Vlaamse bevolking (bestek nr. PSG/GI/INF/2005/1) worden toegewezen aan resp. Belanghebbende Partij (perceel 3), Baxter (perceel 4), Belanghebbende Partij (perceel 5) en Belanghebbende Partij (perceel 6)”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 23 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 januari 2006, om 11.30 uur; XII-4617-1/11 Gezien het ter terechtzitting neergelegd verzoekschrift waarbij de NV Sanofi Pasteur MSD vraagt in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij voordeel blijkt te halen uit de bestreden beslissing en erbij belang heeft dat de vordering wordt afgewezen; dat haar verzoek dienvolgens moet worden ingewilligd; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaten S. Callens en C. De Wolf, die verschijnen voor de verzoekende partij, van advocaat K. Ronse, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat E. Jacubowitz, die loco advocaten X. Leurquin en P. De Maeyer, verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. Vermeire; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. Op 1 juli 2005 beslist de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin een overheidsopdracht te gunnen inzake de levering van vaccins voor de Vlaamse bevolking vanaf 2006 volgens de procedure van de algemene offerteaanvraag en wordt het toepasselijk bestek PSG/GI/INF/2005/1 goedgekeurd. De opdracht loopt over drie jaar, is in zeven percelen verdeeld en wordt in een ambtelijke nota geraamd op een kostprijs van 4,234 miljoen euro per jaar. 1.
  6. Artikel A.9 van het bestek (onder “gunningscriteria voor de opdracht”) bepaalt dat de toewijzing gebeurt op grond van de volgende criteria : “- de kostprijs; - de kwaliteit van het vaccin; - de garanties inzake de continuïteit van de levering; - de garanties voor de bescherming van de koude keten. XII-4617-2/11 De criteria zijn vermeld in dalende volgorde van belangrijkheid, waarbij de eerste twee criteria even belangrijk zijn. Voor het criterium kwaliteit van het vaccin wordt niet enkel rekening gehouden met de intrinsieke kwaliteit van de entstof op zich, maar ook met factoren zoals : de gebruikte bewaarmiddelen in het vaccin, tolerantie, het gebruiksgemak voor groepsvaccinaties door de presentatievorm van het vaccin, stabiliteit van de entstof in geval van eventuele problemen bij de vaccinatoren,... Voor de gunning wordt de levering van elk van de bovenvermelde entstoffen als een afzonderlijk perceel beschouwd. De gunning kan slaan op één of meer van deze percelen”. Overeenkomstig artikel A.2.3 van het bestek (onder “voorwerp en beschrijving van de opdracht”) verbindt de leverancier er zich toe om “een hoeveelheid van 20% van de geraamde jaarlijkse hoeveelheid te leveren vaccins steeds ter beschikking te hebben voor bestellingen in de loop van de termijn van deze opdracht. Deze hoeveelheid vaccins is ook ter beschikking op het moment van de aanvang van de opdracht zodat de continuïteit van het vaccinatieprogramma niet in het gedrang komt”. Blijkens artikel A.5.
  7. van het bestek (onder “Prijsbepaling”) gaat het om een opdracht op basis van prijslijst waarbij de vermelde eenheidsprijzen alle kosten, rechten en lasten omvatten tot wanneer de hele opdracht is uitgevoerd, met inbegrip van de levering van de producten bij de vaccinatoren. Volgens dit artikel “[worden] de in de offerte weergegeven eenheidsprijzen opgegeven per dosis, levering inbegrepen. De offerte dient ook de totale kostprijs van het perceel voor de in dit bestek opgegeven vermoedelijke jaarlijkse hoeveelheid te bevatten. Voor elk perceel zal de vergelijking tussen de ingediende offertes gebeuren op basis van de geraamde kostprijs op jaarbasis”. In het bij het bestek als bijlage gevoegde inschrijvingsformulier, overeenkomstig hetwelk de offerte krachtens artikel A.6.1 van het bestek moet worden opgesteld, is, onder de rubriek prijzen, voor elk perceel vermeld “Eventuele reducties”. 1.
  8. Op 14 september 2005 worden de inschrijvingen geopend. BVBA Baxter Belgium blijkt te hebben ingeschreven voor perceel 4, de verzoekende partij voor de percelen 2, 3, 5, 6 en 7 en de tussenkomende partij voor de percelen 3, 4, 5 en
  9. XII-4617-3/11 In haar offerte vermeldt de verzoekende partij voor de percelen 2,3 en 6 een prijsreductie nu verwerende partij anders dan in het verleden zelf de sensibilisatie- en informatiecampagne zou dragen. Voorts wordt voor de percelen 2, 3, 5 en 6 per perceel een prijsverbeteringsvoorstel geformuleerd in geval de percelen 2, 3, 5, 6 en 7 zonder uitzondering aan de verzoekende partij zouden worden toegewezen. Na evaluatievergaderingen op 19 en 21 september 2005 stelt een evaluatiecommissie binnen de verwerende partij in een gunningsvoorstel van 21 september 2005 voor, perceel 1 niet te gunnen aangezien geen offerte werd ingediend maar hiervoor een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking aan te vatten, en percelen 2 en 7 te gunnen aan de verzoekende partij nu zij de enige offerte indiende, deze regelmatig is en voldaan is aan de voorwaarden van het bestek. Daarbij wordt rekening gehouden met de eerste prijsreductie maar niet met de reductie indien de percelen 2, 3, 5, 6 en 7 alle aan de verzoekende partij worden toegewezen omdat het bestek geen korting bij samenvoeging toelaat zoals vereist in artikel 101, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken. Onder verwijzing naar evaluatievergaderingen op 19 en 21 september en 12 en 19 oktober 2005 stelt de evaluatiecommissie in een gunningsvoorstel van 19 oktober 2005 voor, percelen 3, 5 en 6 toe te wijzen aan de tussenkomende partij en perceel 4 aan de BVBA Baxter Belgium. Na inzake deze percelen vastgesteld te hebben dat de offertes regelmatig waren en dat alle inschrijvers voldeden aan de selectiecriteria, toetst de evaluatiecommissie in dit voorstel de offertes aan de gunningscriteria, waarbij de relatieve waarde ervan wordt vermeld, de mogelijke beoordelingen en vervolgens voor elk van de vier gunningscriteria en, wat de kwaliteit betreft, voor elk van de vijf subcriteria een beoordeling wordt gegeven met een toelichting en bovendien een vergelijking gemaakt met toepassing van de “Argus-methode”. Daarbij wordt voor de verzoeken- de partij inzake de prijs rekening gehouden met de korting voorgesteld voor bepaalde percelen omdat de verwerende partij de informatie- en sensibilisatiecampagne betaalt, maar niet met de korting voorgesteld voor bepaalde percelen indien de percelen 2, 3, 5, 6 en 7 alle aan de verzoekende partij worden toegewezen omdat in het bestek geen korting bij samenvoeging was toegestaan zoals vereist in artikel 101, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 8 januari
  10. XII-4617-4/11 1.
  11. Op 9 december 2005 beslist de Vlaamse Regering “haar goedkeuring te hechten” aan het voorstel tot gunning van de percelen 3, 5 en 6 aan de tussenkomende partij en van het perceel 4 aan de BVBA Baxter Belgium. In het te dezen bestreden ministerieel besluit van 12 december 2005 wordt die toewijzing herhaald en geconcretiseerd. 1.
  12. Met een brief van 12 december 2005 wordt de verzoekende partij medegedeeld dat voor de percelen 3, 5 en 6 haar offerte niet is gekozen en wordt haar het voormelde ministerieel besluit bezorgd. 1.
  13. In het bestreden ministerieel besluit wordt overwogen “dat de motieven zoals aangegeven in het gunningsvoorstel dd. 19 oktober 2005 integraal kunnen worden gevolgd” en dat “tevens de conclusie van het hierboven vermelde gunningsvoorstel dat integraal deel uitmaakt van deze beslissing, kan worden gevolgd”;
  14. Het voorwerp van de vordering. Overwegende dat ter terechtzitting de verzoekende partij niet tegenspreekt dat haar vordering enkel bij vergissing ook gericht is tegen de bestreden beslissing in zoverre deze het perceel 4 betreft; dat zij immers geen inschrijving indiende voor dat perceel; dat zij overigens in haar verzoekschrift het belang bij het beroep enkel verbindt aan de percelen 3, 5 en 6;
  15. De grondvoorwaarden voor schorsing. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  16. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending inroept van artikel 101, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten XII-4617-5/11 voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, in essentie omdat geen rekening werd gehouden met haar prijsverbeterings- voorstel in de offerte in geval van samenvoeging der percelen, terwijl in het bestek is aangegeven dat de overeenkomst kan slaan op één of meer percelen en in het bij het bestek gevoegde inschrijvingsformulier per perceel onder de rubriek prijzen uitdrukkelijk wordt verwezen naar “Eventuele prijsreducties”; Overwegende dat het ingeroepen artikel 101, tweede lid, bepaalt dat de inschrijver, “indien het bestek het toelaat”, zijn offertes op de verschillende percelen mag “aanvullen met prijsvermindering of, in geval van offerteaanvraag, met verbeteringsvoorstellen die hij per perceel toestaat in geval van samenvoeging van bepaalde percelen waarvoor hij een offerte indient”; dat aldus dient te worden vastgesteld dat de bedoelde verbeteringsvoorstellen verboden zijn tenzij ze in het bestek werden toegelaten; dat een dergelijke uitzondering op het verbod restrictief lijkt te moeten worden geïnterpreteerd; Overwegende dat te dezen de verzoekende partij niet aantoont en ook niet blijkt dat het bestek een bepaling bevat die dergelijke uitzondering uitdrukkelijk bevat; dat zij echter zulks lijkt af te leiden uit het bestek (bladzijde 11- deel “C. Technische Specificatie”) dat bepaalt dat de overeenkomst kan slaan op één of meer percelen en uit het als bijlage bij het bestek gevoegde inschrijvingsformulier, waarin bij de rubriek prijzen wordt verwezen naar “Eventuele reducties”; dat, ongeacht de vraag of dit laatste al “in het bestek” is, lijkt met de verwerende partij te moeten worden aangenomen dat uit deze laatste woorden niet zonder meer, prima facie en zoals de verzoekende partij doet, afgeleid moet worden dat hierdoor verbeteringsvoorstellen per perceel toegelaten werden nu die vermelding ook kan slaan op een korting per perceel los van samenvoeging van percelen, korting die de verzoekende partij overigens ook voorstelde; dat voorts het feit dat het bestek, bij het begin van deel C - Technische Specificatie (bladzijde 11) bepaalt dat de overeenkomst kan slaan op één of meer percelen niet zonder meer aantoont dat hierdoor ook kortingen bij samenvoeging zijn toegelaten; dat immers niet alleen is bepaald dat de opdracht wordt onderverdeeld in percelen, maar in artikel A.5.3 van het bestek, inzake prijs, ook verwezen wordt naar een prijsvergelijking voor elk perceel (“Voor elk perceel zal de vergelijking tussen de ingediende offertes gebeuren op basis van de geraamde kostprijs op jaarbasis”) en in het bestek, op bladzijde 7, in fine van artikel A.9 bij de gunningscriteria is bepaald dat voor de gunning de levering van elk van de vermelde -zeven soorten- entstoffen als een afzonderlijk perceel wordt XII-4617-6/11 beschouwd; dat aldus, indien in de verwijzing naar een overeenkomst die kan slaan op één of meer percelen al meer gelezen zou worden dan alleen dat afzonderlijke overeenkomsten per perceel of voor meerdere percelen kunnen worden opgesteld en iets afgeleid zou kunnen worden over kortingen, de andere vermelde gegevens veeleer in de richting wijzen van een prijsvergelijking per perceel zonder mogelijkheid van korting bij samenvoeging; dat het eerste middel niet ernstig is; 3.
  17. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending inroept van artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, alsook de schending van artikel 115, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 8 januari 1996, van het “patere legem quam ipse fecisti” beginsel en van de materiële motiveringsplicht; 3.2.
  18. Overwegende dat in een eerste onderdeel van het middel aanstoot wordt genomen aan het feit dat aan de subcriteria betreffende het hoofdcriterium kwaliteit, na het indienen van de offerte, een individuele waardering werd toegekend zonder dat hieromtrent informatie was opgenomen in het bestek en blijkbaar ook aan het feit dat een verschillend belang aan de diverse subcriteria werd gehecht en het subcriterium “intrinsieke kwaliteit” bijvoorbeeld als zeer belangrijk werd aangemerkt terwijl het subcriterium “bewaarmiddelen” als weinig belangrijk werd opgevat terwijl geen dergelijk onderscheid in het bestek werd gemaakt zodat de diverse subcriteria een gelijk belang moesten krijgen en dat aldus artikel 16 van de wet van 24 december 1993 en artikel 115, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 geschonden zouden zijn; Overwegende dat de verzoekende partij aldus niet de indeling van het hoofdcriterium kwaliteit in subcriteria lijkt aan te vechten, maar wel het feit dat aan deze subcriteria, anders dan in het bestek, een verschillend gewicht wordt gehecht; dat artikel 16 van de wet van 24 december 1993 bepaalt dat bij een algemene of beperkte offerteaanvraag de opdracht dient te worden toegewezen aan de inschrijver die de voordeligste regelmatige offerte indient, rekening houdend met de gunningscriteria die vermeld moeten zijn in het bestek of eventueel in de aankondiging van de opdracht; dat artikel 115 van het voormelde koninklijk besluit van 8 januari 1996 onder meer bepaalt dat de aanbestedende overheid de regelmatige offerte kiest die haar het voordeligst lijkt op grond van criteria die verschillend kunnen zijn naargelang de opdracht en dat de aanbestedende overheid in het bestek XII-4617-7/11 of eventueel in de aankondiging al de gunningscriteria vermeldt, zo mogelijk in volgorde van afnemend belang en dat in dat geval die volgorde in het bestek of in de aankondiging wordt vermeld, en, indien niet, de gunningscriteria dezelfde waarde hebben; Overwegende dat te dezen het bestek in artikel A.9 vier gunningscriteria bevat met de vermelding dat ze in dalende volgorde van belangrijk- heid worden vermeld waarbij de eerste twee, prijs en kwaliteit van het vaccin, even belangrijk zijn zodat conform de geldende wettelijke en reglementaire bepalingen de gunningscriteria en hun waarde in volgorde van afnemend belang werden vastgesteld; dat niet wordt aangevoerd en ook nergens blijkt dat de offertes niet aan deze vier criteria werden getoetst of dat de volgorde tussen die criteria bij die beoordeling werd gewijzigd; dat voorts geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling heden de aanbestedende overheid verplicht om in het bestek de weging van subcriteria mee te delen of aan die criteria een gelijk gewicht te geven en dat die weging bijgevolg achteraf bepaald kan worden zonder dat de ingeroepen internrechtelijke bepalingen daarbij worden geschonden; dat het onderdeel niet ernstig is, ook in de mate in de grief eveneens een schending van het patere legem beginsel of van de materiële motiveringsplicht, zou moeten worden gelezen aangezien niet prima facie blijkt waarom de verschillende waarden toegekend aan de subcriteria van het gunningscri- terium kwaliteit zouden ingaan tegen het bestek of waarom de beslissing zou strijden met de eveneens ingeroepen materiële motiveringsplicht; 3.2.
  19. Overwegende dat in het tweede onderdeel aangevoerd wordt dat het gunningscriterium “garanties inzake de continuïteit van de leveringen” werd ingevuld en geïnterpreteerd op een manier die strijdig is met het bestek; dat daartoe wordt betoogd dat de continuïteit van de leveringen wordt gegarandeerd door overeenkomstig artikel A.2.
  20. van het bestek een reserve te verzekeren van 20% terwijl ook de ontwerper van de Argusmethode (Achieving Respect for Grades by Using Ordinal Scales) die de verzoekende partij contacteerde om na te gaan hoe die methode werkt en wat elke parameter van het model waard is alvorens de offerte in te dienen, verklaarde dat een stock van 20% volstond omdat dit model inzake continuïteit enkel nagaat of voldaan is aan de voorwaarde van 20% zodat op dit criterium niet hoger gescoord kan worden, dat de verzoekende partij aldus, anders dan in het verleden toen zij nog een stock van 35% voorstelde, slechts melding maakt van een stock van 20%, dat echter uit de bestreden beslissing en het gunningsvoorstel blijkt dat de verwerende partij plots een andere beschrijving van dit gunningscriterium XII-4617-8/11 hanteert, namelijk “hoe concreter de garanties aangetoond worden en hoe meer reserve er onmiddellijk aanspreekbaar is, hoe hoger de score”, wat een nieuw en dus onwettig gunningscriterium is; Overwegende, in de eerste plaats, dat geen bewijs wordt voorgelegd van de ingeroepen verklaringen van de ontwerper van de Argusmethode, ongeacht de vraag of zij de verwerende partij zouden kunnen binden; dat voorts de verzoekende partij zich in dit middelonderdeel beroept op de toepassing van de Argusmethode terwijl zij in het derde onderdeel de relevantie van die methode als motivering juist betwist; dat daarnaast met de verwerende partij dient te worden vastgesteld dat het voormelde artikel A.2.3 geen gunningscriterium is maar het voorwerp van de opdracht betreft en een verbintenis van de inschrijver bevat “om een hoeveelheid van 20% van de geraamde jaarlijkse hoeveelheid te leveren vaccins steeds ter beschikking te hebben voor bestellingen in de loop van de termijn van deze opdracht. Deze hoeveelheid vaccins is ook ter beschikking op het moment van de aanvang van de opdracht zodat de continuïteit van het vaccinatieprogramma niet in het gedrang komt”; dat het erop lijkt dat, indien dit niet zo zou zijn, de inschrijver die de opdracht verkrijgt een verbintenis schendt en wanneer reeds in de offerte niet aan deze voorwaarde is voldaan, de offerte niet bestekconform zou zijn; dat afzonderlijk van die verbintenis het gunningscriterium “garanties inzake de continuïteit van de levering” staat; dat verbintenis en criterium tezamen lijken in te houden dat er een minimale verplichting is steeds een voorraad van 20% ter beschikking te hebben maar dat de offertes daarnaast verder vergeleken kunnen worden op de andere garanties inzake continuïteit van de levering die zij bieden; dat prima facie bezwaarlijk ingezien kan worden waarom een verplichting van een minimumvoorraad zou inhouden dat in het kader van het gunningscriterium garanties inzake continuïteit van de levering geen rekening meer mag worden gehouden met een eventuele hogere voorraad zodat dit laatste geen nieuw gunningscriterium lijkt; dat de verzoekende partij in het besproken middelonderdeel ook verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 24 november 2005 (C-331/04); dat het echter in dit onderdeel, anders dan in het geciteerde arrest van het Hof van Justitie, niet de weging van subcriteria betreft; dat aldus niet lijkt te zijn aangetoond dat een nieuw gunningscriterium werd gehanteerd en dat aldus werd gehandeld met schending van het bepaalde in artikel 16 van de wet van 24 december 1993 of artikel 115, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996; XII-4617-9/11 3.2.
  21. Overwegende dat in een derde onderdeel de verzoekende partij betoogt dat de materiële motiveringsplicht, die veronderstelt dat de inschrijver duidelijk inzage wordt verstrekt omtrent de motieven die aan de grondslag liggen van het feit dat zijn offerte niet werd uitgekozen, geschonden is nu bij de rangschikking tussen de inschrijvers inzake de individuele gunningscriteria alsook betreffende de uiteindelijke rangschikking gebruikt is gemaakt van het systeem Argus, het softwareprogramma Achieving Respect for Grades by Using Ordinal Scales, terwijl het resultaat van die methode in het gunningsvoorstel, waarnaar de bestreden beslissing verwijst en waarvan de motivering en conclusie volgens die beslissing integraal gevolgd kan worden, ten onrechte als een op zich voldoende motivering van de globale rangschikking werd aangezien, dat voor de percelen 3, 5 en 6 immers telkens werd vermeld “de Argusmethode geeft als resultaat een voorkeur aan de offerte van Sanofi Pasteur MSD” en meer in het bijzonder bij de vergelijking inzake het gunningscriterium “kwaliteit van het vaccin” het gunningsvoorstel telkens als motivering voor de bekomen rangschikking slechts aangeeft “De Argusmethode geeft voor het criterium kwaliteit als resultaat : Sanofi Pasteur MSD op de eerste plaats met een kleine voorkeur op GlaxoSmithKline die de tweede plaats krijgt”; Overwegende dat met de verwerende partij mag worden aangenomen dat het onderdeel prima facie feitelijke grondslag mist nu de motivering van het gunningsvoorstel niet beperkt is tot een verwijzing naar het resultaat van de Argusmethode, maar voor elk gunningscriterium in de eerste plaats een geschreven beoordeling wordt gegeven met vermelding van wat beoordeeld werd met telkens een korte motivering; dat het in het kader van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid volstaat vast te stellen dat los van de Argusmethode uit het gunningsvoorstel blijkt dat de tussenkomende partij voor elk perceel beter scoort dan de verzoekende partij op de eerste drie van de vier gunningscriteria terwijl de beide betrokken inschrijvers dezelfde score behalen op het vierde en minst belangrijk geachte gunningscriterium en om welke redenen; dat de verzoekende partij, die geen van deze beoordelingen inhoudelijk betwist, aldus niet aantoont waarom desondanks de beslissing “geen duidelijke inzage zou verstrekken omtrent de motieven die aan de grondslag liggen van het feit dat haar offerte niet werd uitgekozen”, XII-4617-10/11 BESLUIT: Artikel
  22. Het verzoek tot tussenkomst van NV Sanofi Pasteur MSD in het administratief kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
  23. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  24. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenk- omende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari 2006, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4617-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.778 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.