← België

Arrest 153842 - - 17/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.842 Rolnummer: A. 155297/XIV-20527 Zaak: Arrest 153842 - - 17/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 08:25 Fiche Arrest nr 153.842 van 17 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.842 van 17 januari 2006 in de zaak A. 155.297/XIV-20.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 24 augustus 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 7 juli 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 14 september 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat F. LANDUYT verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-20.527-1/3 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit de schending van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, verzoeker aanvoert dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat er in zijnen hoofde een risico van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in het Vluchtelingenverdrag, bestaat en hem derhalve de hoedanigheid van vluchteling dient te worden toegekend, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen onredelijk is door zijn verklaringen als deze van een meerderjarige te beschouwen, terwijl hij op het moment van zijn komst naar België minderjarig was en het radiologisch onderzoek waarnaar zij verwijst geenszins accuraat is en een twijfelmarge van drie jaar heeft, zodat hij bij zijn binnenkomst in België slechts zestien jaar was; 1.1.
  4. Overwegende dat er geen reden is om te twijfelen aan de waarachtigheid van de bevindingen van de bevoegde dokter in deze; dat het feit dat een dergelijk onderzoek volgens verzoeker “geenszins accuraat is en wetenschappelijk een twijfelmarge van drie jaar heeft”, nergens wordt gestaafd; dat, mede in acht genomen de considerans “dat appellant zelfs geen begin van bewijs omtrent zijn identiteit, waaruit zijn geboortedatum blijkt, bijbrengt” en hij “daartoe ook geen enkele poging heeft ondernomen”, de Vaste Beroeps- commissie voor vluchtelingen dan ook niet onzorgvuldig noch onredelijk is waar zij overweegt “dat appellant niet als minderjarige kan worden aangezien” en aldus zijn verklaringen in aanmerking heeft genomen; dat, voor zover verzoeker aanvoert dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat er in zijnen hoofde een risico op vervolging bestaat, het middel niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State als administratieve cassatierechter toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 1.2.
  5. Overwegende dat in een tweede middel, afgeleid uit de schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, verzoeker aanvoert dat noch de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen noch de Vaste Beroepscommis- sie voor vluchtelingen aantoont dat de door hem gemaakte persoonsverwisseling onjuist is en niet te goeder trouw zou zijn, dat hij geen algemene onveiligheidsproblematiek heeft geschetst, doch de diverse politieke en etnische moeilijkheden blootlegt, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen naar een rapport van het Nederlands Ministerie van XIV-20.527-2/3 Buitenlandse Zaken verwijst van 10 april 2003 om te stellen dat hij geen gevaar meer dient te vrezen, terwijl de politieke situatie ondertussen geëvolueerd is en “Afghanistan afgegleden is naar chaos en de klok teruggedraaid is naar de Mudjaheddin-tijden”; 1.2.
  6. Overwegende dat er in het geheel niet wordt aangeduid welke artikelen van het Vluchtelingenverdrag zijn geschonden; dat het de Raad van State niet toekomt na te gaan welke bepalingen van dit verdrag de verzoekende partij geschonden acht; dat het tweede middel niet ontvankelijk is;
  7. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.527-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.842 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.