← België

Arrest 153843 - - 17/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.843 Rolnummer: A. 154723/XIV-20400 Zaak: Arrest 153843 - - 17/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 08:25 Fiche Arrest nr 153.843 van 17 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.843 van 17 januari 2006 in de zaak A. 154.723/XIV-20.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. VAN KELST, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Dendermondestraat 11 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kameroense nationaliteit, op 13 augustus 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 7 juli 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. GRYSOLLE die, loco Advocaat J. VAN KELST verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; XIV-20.400-1/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit de schending van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het motiveringsbeginsel, verzoeker aanvoert dat geen rekening werd gehouden met zijn met objectieve gegevens gestaafde asielrelaas, dat hij ten allen tijde de correcte structuur van het SDF heeft weergegeven, de samenstelling van de partijbesturen op alle niveaus heeft geduid en toelichting heeft verschaft over de werking van de partij, dat zijn verklaringen overeenstemmen met de inhoud van de door hem neergelegde stukken (met name de uittreksels uit de statuten en het huishoudelijk reglement van het SDF) waarvan de echtheid op zich niet wordt betwist, dat bovendien op flagrante wijze wordt voorbijgegaan aan de objectieve bewijswaarde van de gesigneerde en van een stempel voorziene verklaring van de nationale secretaris-generaal van het SDF die zijn relaas integraal bevestigt; 1.1.
  4. Overwegende dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing de aanvraag van verzoeker wordt verworpen omdat -zoals omstandig wordt toegelicht- hij zijn reisweg noch het ogenblik dat hij in België aankwam bewijst, de beschikbare informatie niet in overeenstemming is met zijn verklaringen omtrent de afgifte van lidkaarten van de SDF, hij geen verklaring geeft waarom hij er bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet in slaagde de correcte partijstructuur te geven, en de door hem voorgelegde documenten geen officiële documenten zijn en op zich onvoldoende zijn om het gebrek aan geloofwaardigheid van zijn relaas te herstellen; dat de bestreden beslissing derhalve afdoende met redenen is omkleed; dat het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of verzoeker een aannemelijke verklaring heeft gegeven waarom hij er bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet in slaagde de correcte partijstructuur te vermelden en of zijn verklaringen omtrent de afgifte van lidkaarten door de haar beschikbare informatie worden tegengesproken; dat, als administratieve cassatierech- ter, het de Raad van State niet toekomt deze beoordelingen over te doen; dat de Raad van State enkel kan vaststellen dat niet wordt aangetoond dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen besluiten trekt die strijdig zijn met de inhoud van de haar beschikbare informatie; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen tevens als feitenrechter in laatste aanleg oordeelt over de bewijswaarde van de haar voorgelegde stukken; dat waar zij erop wijst dat de voorgelegde getuigschriften “geen officiële documenten zijn”, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen genoegzaam aangeeft waarom deze stukken niet voldoende zijn om het gebrek aan geloofwaardigheid te herstellen; dat het eerste middel niet gegrond is; XIV-20.400-2/4 1.2.
  5. Overwegende dat in een tweede middel, afgeleid uit het redelijkheidsbe- ginsel, verzoeker aanvoert dat hij niet in de mogelijkheid is om andere officiële stukken voor te leggen dan diegene die hij reeds voorlegde en dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen diende rekening te houden met de omstandigheden, eigen aan zijn zaak, en diende vast te stellen dat hij alle nodige bewijsstukken ter staving van zijn asielrelaas heeft overhandigd en de vervolgingen op afdoende wijze aantoonde; 1.2.
  6. Overwegende dat het niet volstaat om aan te voeren dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen met de bijkomende stukken geen rekening heeft gehouden; dat verzoeker genoegzaam moet aanduiden welke stukken de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen zou hebben miskend; dat voor zover kan worden aangenomen dat verzoeker met de ter zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen neergelegde “bijkomende bewijsstukken”, de in het eerste middel aangehaalde bewijsstukken bedoelt, uit de bestreden beslissing genoegzaam blijkt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchteling- en met deze stukken rekening heeft gehouden en gemotiveerd heeft waarom deze stukken niet tot de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling kunnen leiden; dat het feit dat zij uit deze stukken andere conclusies trekt dan verzoeker, geenszins betekent dat de bestreden beslissing zou zijn aangetast door een onwettigheid of dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zijn zaak onzorgvuldig zou hebben beoordeeld; dat het tweede middel niet gegrond is;
  7. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. XIV-20.400-3/4 Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.400-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.843 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.