id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.844 Rolnummer: A. 154301/XIV-20299 Zaak: Arrest 153844 - - 17/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 08:25 Fiche Arrest nr 153.844 van 17 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.844 van 17 januari 2006 in de zaak A. 154.301/XIV-20.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Lombaardstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 29 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 28 juni 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 5 augustus 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. DE PONTHIERE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-20.299-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 52, § 1, 4/ en 5/, 57/20, 57/21 en 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de bepalingen van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, van de artikelen 2, 735 en 741 van het Gerechtelijk Wetboek, van de artikelen 6 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 en van de rechten van verdediging, verzoeker aanvoert dat
(1)hij in zijn beroepschrift uitdrukkelijk om de bijstand van een tolk gevraagd had, doch de bestreden beslissing nergens doet blijken dat hij door een tolk werd bijgestaan, noch dat deze tolk de door de wet voorgeschreven eed heeft afgelegd, dat
(2)de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen weigerde de door hem opgeroepen getuige te horen, dat hij als reden voor zijn asielaanvraag niet alleen zijn activiteiten voor de KDPI in Iran aanhaalde, doch ook de politieke activiteiten die hij in België heeft ontwikkeld voor de Belgische afdeling van de KDPI, dat hij sinds de stichting ervan, ongeveer drie jaar geleden, hiervoor actief is en in de mate van het mogelijke aanwezig is op elke manifestatie van de partij, feit dat totnogtoe nooit werd betwist en waarvan hij de nodige bewijzen kan leveren, maar waartoe hij de gelegenheid niet kreeg, dat hij derhalve betwist dat de getuigenis irrelevant zou zijn geweest, dat hij bovendien de tijd dient te krijgen om essentieel bewijsmateriaal te verzamelen, dat de getuigenis over zijn activiteiten, die hebben geleid tot het feit dat hij een “réfugié sur place” is geworden, relevant en essentieel was, zodat de Vaste Beroepscommis- sie voor vluchtelingen deze ten onrechte niet heeft toegestaan, dat
(3)het onredelijk is dat hem overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek niet de kans werd gegeven binnen een redelijke termijn een conclusie neer te leggen na de zitting waarop zijn zaak werd behandeld, en dat
(4)een aantal elementen die door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen voor waar worden gehouden, dit niet zijn en zij dan ook ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen gegronde vrees voor vervolging heeft; 1.2.
- Overwegende dat de schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij niet over de ontvankelijkheid maar over de gegrondheid van een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling uitspraak wordt gedaan; dat er in het geheel XIV-20.299-2/4 niet wordt aangeduid welke bepalingen van het Vluchtelingenverdrag zijn geschonden; dat het de Raad van State niet toekomt na te gaan welke bepalingen van dit verdrag de verzoekende partij geschonden acht; dat artikel 6 van het E.V.R.M. in deze niet toepasselijk is aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen uitspraak doet over burgerlijke rechten, noch over de gegrondheid van een strafvervolging; 1.2.2.
- Overwegende dat artikel 57/20 van de Vreemdelingenwet niet voorschrijft dat in de beslissing zelf van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen melding moet worden gemaakt van de aanwezigheid ter zitting van een tolk, laat staan dat zulks op straffe van nietigheid moet gebeuren; 1.2.2.
- Overwegende dat artikel 57/21 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “De Commissie kan getuigen horen, die de eed afleggen in volgende termen : ‘Ik zweer in eer en geweten dat ik de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen’.”; dat uit deze bepaling volgt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet verplicht is om een gevorderd getuigenverhoor te gelasten; dat zij op onaantastbare wijze oordeelt over het nut en de opportuniteit van een dergelijke onderzoeksmaatregel, maar -indien erom wordt gevraagd- alleen mag weigeren onder motivering van de redenen van die weigering; dat in het voorliggend geval de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen naar behoren heeft aangegeven waarom ze het gevorderd getuigenverhoor overbodig achtte, met name omdat “deze persoon appellant niet kende in Iran en geen persoonlijke getuige was van deze feiten”; 1.2.2.
- Overwegende dat, zoals uit het verslag van de zitting van 27 april 2004 blijkt, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen -in antwoord op de vraag van de advocaat van verzoeker voor een bijkomende termijn om besluiten neer te leggen- op goede gronden heeft geantwoord dat overeenkomstig artikel 57/20 van de Vreemdelingenwet de procedure mondeling geschiedt; dat bovendien niet kan worden ingezien -en verzoeker evenmin verduidelijkt- op welke wijze artikel 735 van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat “ten aanzien van iedere verschijnende partij (...) de zaken waarvoor slechts korte debatten nodig zijn, (worden) behandeld op de inleidende zitting of verdaagd opdat er op een nabije datum over wordt gepleit, voor zover daartoe een met redenen omkleed verzoek is gedaan in de akte van rechtsingang of door de verwerende partij”, en artikel 741 van hetzelfde wetboek, dat bepaalt dat “in de zaken die op de inleidende zitting niet behandeld zijn (...) de partijen conclusie (nemen) (...)” in deze toepasselijk zouden zijn; 1.2.2.
- Overwegende dat voor het overige het middel kritiek bevat op de beoordeling van de feiten en het er derhalve in wezen toe strekt de beoordeling van de feitenrechter in verband met de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas te laten overdoen, hetgeen evenwel buiten de bevoegdheid van de Raad van State valt; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie XIV-20.299-3/4 in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.299-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.844 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div