id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.845 Rolnummer: Zaak: Arrest 153845 - - 17/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 08:25 Fiche Arrest nr 153.845 van 17 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.845 van 17 januari 2006 in de zaken A. 158.424/XIV-21.389 158.426/XIV-21.
- In zake : I.XXX II. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat J. OPSOMMER, kantoor houdende te 9700 OUDENAARDE, Kasteelstraat 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Servische nationaliteit, op 17 december 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 13 oktober 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Servische nationaliteit, op 17 december 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 13 oktober 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 17 januari 2005 waarbij aan de verzoeken- de partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikkingen van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; XIV-21.389-1/8 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat St. DECLERCK die, loco Advocaten J. OPSOMMER verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de procedure. Overwegende dat het echtpaar XXX en XXX in twee verschillende beroepen de nietigverklaring vragen van de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 13 oktober 2004 waarbij hun de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling wordt geweigerd; dat de beslissing die ten aanzien van XXX werd genomen in hoofdzaak steunt op de niet-erkenning van XXX, haar echtgenoot; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het aangewezen is beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te berechten;
- Over de gegrondheid van de beroepen. 2.
- Wat het beroep van XXX betreft : 2.1.1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert : “IV.
- Schending van art. 1, A, 2 Internationaal verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen (hierna : Conventie van Genève) juncto de artikelen 48 en 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen Doordat de bestreden beslissing poneert dat verzoeker geen vluchteling is in de zin van de Conventie van Genève Terwijl verzoeker voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden door artikel 1, A, 2 Conventie van Genève. Zodat de bestreden beslissing nietig is wegens schending van art. 1 van de Conventie van Genève. Toelichting : Het is een algemeen bekend feit dat al jaren een hevige en langdurige strijd woedt tussen de Albanezen en de Serviërs in Servië-Montenegro. De Albanezen vormen in de provincie Kosovo een meerderheid terwijl zij een minderheid vormen in Servië en Montenegro. Zuid-Servië ligt in de frontlinie tussen Kosovo en Servië-Montenegro. Deze jarenlange strijd is niet altijd even hevig, maar kent zijn periodes van relatieve kalmte en onrust. In maart 2004 laaiden de spanningen in Kosovo weer hoog op en zelf al staat Kosovo onder VN protectie dan nog kon niet verhinderd worden dat mensen de dood vonden. XIV-21.389-2/8 Verzoeker en zijn gezin worden vervolgd omdat zij behoren tot een ras, tot een bepaalde sociale groep. Zij maken deel uit van de Albanese bevolkingsgroep in Servië- Montenegro. De autoriteiten van hun land hebben wel de goede wil -en dit blijkt uit de informatie in het administratief dossier- om hen te beschermen, maar slagen daar niet in. Waarom zou er anders nood zijn aan internationale bewaking en controle?! De informatie waarop verweerder zich baseert moet juist begrepen worden. Uit deze informatie kan enkel afgeleid worden dat Servië-Montenegro het probleem wil verhelpen en dat zij inspanning levert met behulp van de internationale gemeenschap. Geenszins mag uit deze informatie afgeleid worden dat de situatie in het land voor verzoeker en zijn gezin zonder gevaar is. Zelfs met de hulp van de internationale gemeenschap kan niet voorkomen worden dat nieuwe onlusten uitbreken of dat mensen hun dood vinden. De recente oplaai dit jaar is een duidelijk bewijs dat de autoriteiten van Servië-Montenegro zelfs met internationale hulp de situatie niet onder controle hebben, laat staan dat zij in staat zijn effectieve bescherming te bieden. Verzoeker en zijn gezin zijn vluchtelingen in de zin van de Conventie van Genève Het middel is gegrond.”; 2.1.1.
- Overwegende dat in de mate het middel ertoe strekt aan te tonen dat de verzoekende partij wel degelijk aan de voorwaarden van artikel 1, (A), 2, van het Vluchtelingenverdrag beantwoordt, het niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 2.1.2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert : “IV.2 Schending van het artikel 33 (non-refoulementbeginsel) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en artikel 63/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen Doordat artikel 33 van de Conventie van Genève de Verdragsstaten in bepaalde omstandigheden verbiedt om een vluchteling uit te zetten of terug te leiden naar een land waar hij of zij het slachtoffer kan worden van bepaalde inbreuken op leven en vrijheid. Art. 33, lid 1 van de Conventie van Genève bepaalt hieromtrent het volgende: "Geen der Verdragsluitende Staten zal, op welke wijze ook, een vluchteling uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging." Doordat het Vluchtelingenverdrag een bijzondere zorgvuldigheidsplicht oplegt aan de overheid om in elk dossier daadwerkelijk na te gaan of de vreemdeling kan worden teruggestuurd naar het land van herkomst. Doordat om vast te stellen of er gegronde redenen zijn om aan te nemen of betrokkene gevaar zou lopen, de bevoegde overheid moet rekening houden met alle relevante overwegingen, met inbegrip van het bestaan van een consistent patroon van ernstige, flagrante of massale schendingen van de mensenrechten in het betrokken land. Doordat verzoeker en zijn gezin wegens hun Albanese herkomst gevaar lopen in hun land. Terwijl, gelet op het onvermogen van zowel de nationale overheid als de internationale gemeenschap om een 'doeltreffende bescherming' te bieden, het terugsturen van verzoeker en zijn gezin naar hun land van herkomst zou betekenen dat zij blootgesteld worden aan een levensgevaarlijke situatie in de betekenis van artikel 33 van de Conventie van Genève. XIV-21.389-3/8 Zodat verzoeker meent dat de bestreden beslissing ingaat tegen de internationale bescherming van artikel 33 van de Conventie van Genève en moet zij daarom het statuut van vluchteling krijgen. Toelichting: Verzoeker verwijst naar de huidige situatie in zijn land. Zijn land is in volle opbouw met behulp van de internationale gemeenschap die tevens als een soort waakhond fungeert. Echter, dit betekent niet dat alles rozengeur en mannenschijn (maneschijn) is in Servië- Montenegro en dat iedereen vrij en zonder vrees kan leven. Nog altijd is Servië- Montenegro niet in staat om zichzelf te besturen en hun onderdanen -zonder onderscheid- een leven te verschaffen zonder gevaar. Indien dit wel het geval zou zijn, dan zou de internationale gemeenschap zich al teruggetrokken hebben omdat zij van oordeel is dat de situatie gestabiliseerd, veilig en voldoet aan de internationale normen. De internationale gemeenschap is echter nog altijd aanwezig.... Verzoeker verwijst in dit opzicht naar de stukken in het administratief dossier. Doordat verweerder met zijn beslissing weigert de hoedanigheid van vluchteling in hoofde van verzoeker en zijn gezin de hoedanigheid van vluchteling te erkennen lopen zij het daadwerkelijk risico door de Belgische Staat uit het Rijk verwijderd te worden. Het middel is gegrond.”; 2.1.2.
- Overwegende dat de schending van artikel 63/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen in casu niet dienstig kan worden aangevoerd aangezien deze bepaling niet van toepassing is op de bestreden beslissing; dat bovendien moet worden vastgesteld dat verzoeker niet toelicht op welke wijze deze bepaling zou zijn geschonden; dat de schending van het non-refoulementbeginsel, omschreven in artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag, niet dienstig kan aangevoerd worden tot staving van de nietigverkla- ring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanigheid van vluchteling van betrokkene; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 2.1.3.
- Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert : “IV.
- Schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei
- Doordat deze internationaalrechterlijke norm bepaalt dat niemand mag onderworpen worden aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Doordat verzoeker en zijn kinderen tengevolge van de bestreden beslissing niet erkend worden als vluchteling en aldus bedreigd worden met de verwijdering van het grondgebied. Doordat de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene door de verwijde- ringsmaatregel worden geschonden en de Staat die uitzet door de uitzetting mede- verantwoordelijk is daarvoor. Doordat uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg (zie bv. arrest Chahal/United Kingdom, 15 november 1996 & arrest Ahmed/Austria, 17 december 1996) blijkt dat artikel 3 EVRM verder gaat dan de bescherming onder artikel 33 het Vluchtelingenverdrag en dat de waarborg van artikel 3 EVRM absoluut is omdat Verdragsstaten geen motieven van nationale veiligheid kunnen inroepen om artikel 3 EVRM buiten toepassing te laten. Doordat ook de Raad van State het belang van artikel 3 EVRM beklemtoonde en uitdrukkelijk stelde dat de bescherming door dit artikel verder gaat dan het non- XIV-21.389-4/8 refoulementbeginsel van de Conventie van Genève (R. v. St. nr. 89.088, 25 juli 2000, T. Vreemd. 2001, 123-129). Doordat de voorwaarden vastgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (arrest Cruz Varas/Sweden, 20 maart 1991 & arrest Vilvarajah/United Kingdom, 30 oktober 1991 & arrest H.L.R./Frankrijk, 29 april 1997) in het dossier van betrokkene aangetoond zijn. Deze voorwaarden zijn dat de te vrezen behandeling een minimum- graad van ernst moet hebben, dat de gevreesde schending van artikel 3 EVRM ook kan worden veroorzaakt door derde personen, op voorwaarde dat de overheid tegen deze schending geen aangepaste bescherming kan bieden en, ten derde, dat de beoordeling van het risico op een schending van artikel 3 EVRM moet gebeuren rekening houdende met de voorzienbare gevolgen van de verwijdering van betrokkene in het licht van de bestaande situatie in het land van herkomst op het ogenblik van de verwijdering en op grond van de persoonlijke omstandigheden van de betrokkenen. Terwijl verzoeker vreest dat zowel hij als zijn gezin in zijn land opnieuw het slachtoffer zullen worden van vervolgingen, aanslagen, onmenselijke of vernederende behandeling- en of straffen en dat de overheid er niet in slaagt een aangepaste bescherming te bieden. Zodat het niet erkennen van verzoeker en zijn kinderen als vluchtelingen en de daarmee verbonden dreiging van verwijdering van het grondgebied noodzakelijkerwijze een schending van artikel 3 EVRM inhoudt. Toelichting: Verzoeker heeft een gegronde vrees dat zowel hij en zijn gezin bij terugkeer het slachtoffer kunnen/zullen worden van vervolging, aanslagen, onmenselijke of vernederende behandelingen. Deze vrees is gegrond enerzijds op de ervaring van verzoeker en zijn familie in het verleden. Feiten die door de bestreden beslissing niet ontkend worden. En anderzijds verwijst verzoeker naar de opstoten van onrust en de daarmee gepaard gaande schermutselingen die verzoeker verneemt via de pers. Het middel is gegrond”; 2.1.3.
- Overwegende dat artikel 3 van het E.V.R.M. niet dienstig kan worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanigheid van vluchteling; dat het derde middel niet ontvankelijk is; 2.1.4.
- Overwegende dat verzoeker als vierde middel aanvoert : “IV.
- Schending van artikel 37 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Doordat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat ook de vijf kinderen van verzoeker het vluchtelingenstatuut geweigerd wordt en dat ook zij bedreigd worden met een verwijdering van het grondgebied. Terwijl artikel 37 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind stipuleert dat de staten die partij zijn bij het verdrag waarborgen dat geen enkel kind wordt onderworpen aan foltering of aan een andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Zodat de bestreden beslissing nietig is wegens schending van artikel 37 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Toelichting: Nergens wordt in de bestreden beslissing met een woord gerept over de kinderen van verzoeker. Dit terwijl ook zij daadwerkelijk bedreigd werd. Wanneer verzoeker teruggestuurd wordt, wordt niet alleen zijn leven maar ook het leven van zijn drie kinderen bedreigd. Bovendien wordt nergens rekening gehouden met de indirecte gevolgen van de bestreden beslissing voor de kinderen. Verzoeker doelt onder andere op de basisrechten van zijn kinderen inzake huisvesting, onderwijs enz. Het staat vast dat de basisrechten van de kinderen niet langer verzekerd zijn. Het middel is gegrond.”; XIV-21.389-5/8 2.1.4.
- Overwegende dat artikel 37 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind niet dienstig kan worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanigheid van vluchteling; dat deze vaststelling des te meer geldt nu duidelijk blijkt, bij de ontwikkeling van het middel, dat de verzoekende partij in het bijzonder de situatie voor ogen heeft bij terugkeer naar het land van herkomst; dat het vierde middel niet ontvankelijk is; 2.1.5.
- Overwegende dat verzoeker als vijfde middel aanvoert : “IV.
- Schending van het algemeen rechtsbeginsel en het beginsel van behoorlijke rechtsbedeling tot rechtszekerheid en de berechting binnen een redelijke termijn, en het verbod op rechtsweigering Doordat verweerder als rechterlijke macht en in zijn hoedanigheid van Belgische autoriteit mede verantwoordelijk is voor de overschrijding van de redelijke termijn en tevens mede verantwoordelijk is voor de schending van het rechtszekerheidbeginsel Doordat verweerder in de bestreden beslissing stelt dat hij niet bevoegd is om een vreemdeling als vluchteling te erkennen omdat zijn asielaanvraag niet binnen een bepaalde termijn werd afgehandeld. Terwijl hij als rechterlijke macht zowel het rechtszekerheidprincipe en de redelijke termijn moet respecteren en waarborgen. Zodat hij zich schuldig maakt aan rechtsweigering wanneer hij weigert de principes van rechtszekerheid en redelijke termijn te waarborgen en te doen respecteren zodat hij door te weigeren deze principes toe te passen en te waarborgen zich mede schuldig maakt aan de schending van het rechtszekerheidsprincipe en de redelijke termijn. Toelichting Verwerende partij maakt deel uit van de Belgische autoriteiten in zijn hoedanigheid van rechterlijk macht. In die hoedanigheid is hij de beschermer van het rechtszekerheids- principe en de redelijke termijn. Dit zijn algemene beginselen van behoorlijke rechtsbedeling waardoor verweerder gebonden is. Wanneer verweerder oordeelt dat het niet aan hem toekomt om zich uit te spreken over een opgeworpen schending van het rechtszekerheidprincipe en de redelijke termijn omdat verweerder stelt dat zij volgens de wet enkel bevoegd is om te oordelen of een vreemdeling beantwoordt aan de definitie van vluchteling zoals bepaald in de Conventie van Genève dan maakt hij zich schuldig (maakt) aan rechtsweigering daar de bevoegdheid van verweerder zich niet alleen uitstrekt over de materies die hem zijn toegekend bij wet maar ook inhoudt dat hij als deel van de rechterlijke macht gehouden is de algemene beginselen van behoorlijke rechtsbedeling zowel te respecteren als te waarborgen. Dit laatste houdt in dat verweerder er niet alleen moet over waken dat de beginselen van behoorlijke rechtsbedeling gerespecteerd worden. Maar tevens dat ze niet geschonden worden noch door een derde noch door zichzelf daar verweerder als rechterlijke macht ook gebonden is aan deze algemene beginselen van behoorlijke rechtsbedeling en hij zich niet mag schuldig maken aan een schending ervan door een beslissing te nemen die tegen deze beginselen indruist. Verzoeker diende zijn asielaanvraag in op 14 september
- Zijn asielaanvraag werd ontvankelijk verklaard. Pas op 13 februari 2004 besluit het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) dat de asielaanvraag niet gegrond is. Nochtans had het CGVS toegezegd dat asielaanvragen daterend van 2000 niet verder behandeld zouden worden zodat verzoeker de indruk had gekregen dat zijn asielaan- vraag definitief was beslecht. Toch wordt zijn asielaanvraag door het CGVS tegen hun toezegging in verder behandeld vier jaar na de ontvankelijkheidverklaring. Door de beslissing van het CGVS te bestendigen en zich te baseren op dezelfde motivatie maakt verweerder zich schuldig aan de schending van het rechtszekerheid- principe en het beginsel van de redelijke termijn om een beslissing te treffen daar zij enerzijds als rechterlijke macht de taak heeft deze beginselen te waarborgen en te respecteren en zij anderzijds als beroepsinstantie van het CGVS de verantwoordelijk- XIV-21.389-6/8 heid draagt dat deze beginselen in eerste instantie door het CGVS niet geschonden worden zodat zij wel degelijk bevoegd is om daarover uitspraak te vellen. Het middel is gegrond.”; 2.1.5.
- Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen er door de wet enkel mee belast is na te gaan of de vreemdeling beantwoordt aan de voorwaarden welke met het oog op een erkenning als vluchteling worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden; dat geen enkele verdrags- of wetsbepaling noch beginsel haar toelaat een vreemdeling als vluchteling te erkennen omdat zijn asielaanvraag niet binnen een bepaalde termijn werd behandeld; dat moet worden vastgesteld, zelfs al zou de overschrijding van de redelijke termijn een reden zijn om te worden erkend als vluchteling, het verzoekschrift bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen werd ingediend op 26 februari 2004 en de bestreden beslissing dateert van 13 oktober 2004, wat niet kan worden beschouwd als een overdreven lange behandelingster- mijn; dat, in zoverre de redelijke termijn zou zijn overschreden door het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen moet worden vastgesteld dat deze kritiek niet gericht is tegen de bestreden beslissing; dat uit het loutere feit dat de Vaste Beroepscommis- sie voor vluchtelingen de motivering of een deel ervan uit de beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft overgenomen niet bij voorbaat kan worden afgeleid dat zij het beroep niet integraal heeft onderzocht en als zodanig de zorgvuldigheidsplicht zou hebben geschonden; dat de volle rechtsmacht die zij bezit de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verplicht, noch verbiedt de weigeringsmotieven van de voor haar bestreden beslissing over te nemen of te verwerpen; dat zij enkel een beslissing dient te nemen die op afdoende wijze gemotiveerd is en aangeeft waarom een kandidaat- vluchteling (niet) beantwoordt aan de erkenningscriteria van het Vluchtelingenverdrag; dat hierbij niet noodzakelijk expliciet op elk aangevoerd argument in het beroepschrift dient te worden ingegaan; dat het vijfde middel niet gegrond is; 2.
- Wat het beroep van XXX betreft : 2.2.
- Overwegende dat verzoekster dezelfde middelen aanvoert als haar echtgenoot, waarbij in de uiteenzetting ervan uitdrukkelijk wordt verwezen naar het beroep van haar echtgenoot; 2.2.
- Overwegende dat de middelen om dezelfde redenen als voor haar echtgenoot moeten worden verworpen; XIV-21.389-7/8
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen, BESLUIT: Artikel
- De zaken A. 158.424/XIV-21.389 en 158.426/XIV-21.390 worden gevoegd. Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-21.389-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.845 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.