← België

Arrest 153846 - - 17/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.846 Rolnummer: A. 153520/XIV-20071 Zaak: Arrest 153846 - - 17/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 08:25 Fiche Arrest nr 153.846 van 17 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.846 van 17 januari 2006 in de zaak A. 153.520/XIV-20.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. TREMMERY, kantoor houdende te 8930 MENEN, Ieperstraat 116 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 7 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 30 maart 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. VANDENDRIESSCHE die, loco Advocaat M. TREMMERY verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; XIV-20.071-1/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, verzoeker aanvoert dat hij onder pijnlijke en moeilijke omstandigheden gevlucht is en alles heeft moeten achterlaten, dat Afghanistan geen gedocumenteerde staat is zoals België en hij al het mogelijke heeft gedaan om een begin van bewijs van zijn identiteit te leveren, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de waarachtigheid van de aangebrachte gegevens niet heeft onderzocht terwijl zij over de mogelijkheden moet beschikken om een geboorteakte aan te vragen en te verkrijgen bij de bevoegde Afghaanse autoriteiten, dat zijn reis clandestien gebeurde en hij enkel kan rapporteren wat hij zag en meemaakte, en dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelin- gen onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat hij volledig ondergedoken leefde en geen schoolopleiding heeft gehad en de potentiële kennis van de gemiddelde Afghaan omtrent geografische gegevens van zijn streek overschat; 1.1.
  4. Overwegende dat de bewijslast inzake de gegrondheid van een asielaanvraag in beginsel op de kandidaat-vluchteling zelf rust; dat, zoals iedere burger die om een erkenning vraagt, ook de asielzoeker moet aantonen dat zijn asielaanvraag gerechtvaardigd is; dat in de mate van het mogelijke stavingsstukken moeten worden aangebracht; dat het ontbreken van enig begin van bewijs omtrent de identiteit en reisweg, gekoppeld aan vage en tegenstrijdige verklaringen, naar het oordeel van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, van aard kan zijn de geloofwaardigheid van het haar voorgelegd asielrelaas te hypothekeren en als zodanig door haar in aanmerking worden genomen; dat geen enkele bepaling of beginsel de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen daarbij verplicht de lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling zelf op te vullen; dat verzoeker er overigens aan voorbijgaat dat aan de kopie van zijn identiteitskaart niet enkel geen bewijswaarde wordt toegekend omdat het een gemakkelijk te vervalsen fax betreft, maar tevens omdat het slechts een paar bladzijden van zijn “taskara” betreft en het “onduidelijk is hoe appellant deze in bezit heeft gekregen”; dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing verzoekers relaas bovendien ongeloofwaardig wordt geacht omdat zijn verweer omtrent de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen gedane vaststelling dat hij tegenstrijdige verklaringen aflegt en weinig weet over Kaboel en de laatste gebeurtenissen sinds zijn beweerde vertrek, faalt; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geenszins kennelijk onredelijk is waar zij oordeelt dat zijn ongeletterdheid “geen tijdsverschil van ongeveer één jaar (...) kan vergoelijken”, dat “voor een eenvoudig man een der grootste hotels in Kabul en het imposante Paleis als richtbakens moeten kunnen dienen bij zijn oriëntatie”, “dat de moord op de Minister van Transport en op een vice-president ook aan een gewone man ter ore komt”, “de aanwezigheid XIV-20.071-2/4 van een vreemde troepenmacht (ISAF, in Kabul sinds begin 2002) ook niet onopgemerkt voorbijgaat” en “ook een eenvoudig man het gebergte in zijn landstreek niet ontgaat”; dat, in het licht van voormelde vaststellingen de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelin-gen haar appreciatiebevoegdheid niet kennelijk te buiten is gegaan toen ze tot de ongeloofwaar- digheid van verzoekers relaas besloot; dat haar geen onzorgvuldigheid kan worden verweten; dat het eerste middel niet gegrond is; 1.2.
  5. Overwegende dat in een tweede middel, afgeleid uit “een hogere rechtsnorm”, verzoeker aanvoert dat niet terdege rekening werd gehouden met artikel 1, (A), 2, van het Vluchtelingenverdrag, hetgeen tevens een schending uitmaakt van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dat uit zijn feitenrelaas voldoende blijkt dat hij Afghanistan is ontvlucht uit vrees voor zijn leven omwille van religieuze en politieke motieven, dat voldoende is aangetoond dat hij niet op de nodige bescherming van de autoriteiten van zijn land van herkomst kon rekenen, en dat hij aldus beantwoordt aan de voorwaarden van voormeld artikel 1, (A), 2, van het Vluchtelingenverdrag; 1.2.
  6. Overwegende dat de schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij niet over de ontvankelijkheid maar over de gegrondheid van een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling uitspraak wordt gedaan; dat in de mate dat het middel ertoe strekt aan te tonen dat verzoeker wel degelijk aan de voorwaarden van artikel 1, (A), 2, van het Vluchtelingenverdrag beantwoordt, het niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat het tweede middel niet ontvankelijk is;
  7. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-20.071-3/4 BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.071-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.846 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.