← België

Arrest 153848 - - 17/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.848 Rolnummer: A. 153767/XIV-20126 Zaak: Arrest 153848 - - 17/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 08:26 Fiche Arrest nr 153.848 van 17 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.848 van 17 januari 2006 in de zaak A. 153.767/XIV-20.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat V. PUZAJ, kantoor houdende te 4000 LUIK, rue du Général Bertrand 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oekraïense nationaliteit, op 13 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 9 juni 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 27 juli 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. MAHY die, loco Advocaat V. PUZAJ verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-20.126-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit de schending van de algemene rechtsbeginselen in verband met de rechten van verdediging en van de billijke en tegensprekelijke rechtspleging, verzoekster aanvoert dat het verhoor op de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet naar behoren is verlopen omdat de tolk aldaar dezelfde was als die op het laatste verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, dat deze tolk van het Russisch naar het Frans en vice versa vertolkte en volledig incompetent was in het Oekraïens, dat zij dit onmiddellijk heeft opgemerkt, doch dat de tolk het door haar gemaakte bezwaar omtrent zijn incompetentie niet naar de dienstdoende jurist heeft vertaald en aldus door een dergelijke censuur haar belangen heeft geschaad; 1.1.
  4. Overwegende dat uit het verslag van de zitting van 9 juni 2004 blijkt dat verzoekster zich op de terechtzitting in het Russisch/Oekraïens uitdrukte en dat zij werd bijgestaan door een tolk Russisch/Oekraïens-Nederlands (en niet Russisch/Frans, zoals verzoekster beweert), die bij het begin van de zitting de bij artikel 57/20 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) voorgeschreven eed aflegde; dat verzoekster zich thans voor het eerst beklaagt over de gebrekkige bijstand van de tolk, bezwaar dat zij heeft nagelaten te gelegener tijd aan het oordeel van de feitenrechter te onderwerpen, en bovendien deze bewering in het geheel niet staaft; dat zij nalaat aan te geven op welke punten haar verklaringen onjuist of onvolledig zouden zijn weergegeven; dat niets er overigens op wijst dat deze tolk niet getrouw de verklaringen zou hebben vertaald en een inbreuk zou hebben gepleegd op de eed die hij krachtens artikel 57/20 van voormelde wet van 15 december 1980 heeft afgelegd; dat het eerste middel niet gegrond is; 1.2.
  5. Overwegende dat in een tweede middel, afgeleid uit de schending van artikel 3 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951, van artikel 26 van het B.U.P.O., van artikel 14 van het E.V.R.M., van artikel 4 van het Vierde Protocol bij het E.V.R.M. en van artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het E.V.R.M., verzoekster aanvoert dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de asielzoekers ongelijk behandelt naargelang ze al dan niet afkomstig zijn uit landen waarmee een repatriëringsakkoord werd gesloten, zoals Rusland en Oekraïne, zodat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar asielaanvraag niet met de nodige ernst heeft behandeld, en dat zij wel degelijk voor haar XIV-20.126-2/4 leven vreest en vervolgd wordt omwille van haar politieke overtuiging en niet naar haar land van herkomst kan terugkeren omdat de Oekraïense autoriteiten deze vervolgingen tolereren; 1.2.
  6. Overwegende dat, daargelaten de vraag of de ingeroepen verdragsbepa- lingen in deze wel van toepassing zijn, het middel niet in aanmerking kan worden genomen, daar het steunt op een loutere bewering, welke niet in het minst wordt gestaafd of aannemelijk gemaakt, namelijk dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen omwille van een met haar land van herkomst gesloten repatriëringsakkoord a priori negatief zou staan ten aanzien van asielzoekers van Oekraïense nationaliteit; dat voor het overige het middel ertoe strekt aan te tonen dat verzoekster wel degelijk een gegronde vrees voor vervolging heeft, zodat het niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 1.3.
  7. Overwegende dat in een derde middel, afgeleid uit de schending van artikel 14 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 10 december 1948, van de artikelen 1 en 33 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951, van artikel 3 van het E.V.R.M. en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, verzoekster aanvoert dat zij omtrent haar reisweg steeds verklaard heeft dat zij Oekraïne ontvluchtte op 17 augustus 1999 en op 19 augustus 1999 per vrachtwagen in België aankwam, dat zij is moeten vluchten en aldus niet de nodige identiteitsdocumenten heeft kunnen verzamelen, dat zij op de zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een kopie van haar geboorteakte en van haar diploma heeft neergelegd en bij schrijven van 11 juni 2004 nog een aantal documenten heeft overgemaakt, die haar identiteit afdoende aantonen, en dat zij steeds verklaard heeft dat haar vader in de jaren 1995-1996 en -voor zover zij weet- tot aan haar aankomst in België op 19 augustus 1999 hoofdredacteur was van de Kievski Vedomosti en hij in 1998 het omstreden artikel schreef; 1.3.
  8. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat, daargelaten de vraag of de ingeroepen verdragsbepalingen in deze wel van toepassing zijn, het middel niet in aanmerking kan worden genomen omdat het ertoe strekt aan te tonen dat verzoekster wel degelijk aan de voorwaarden van artikel 1, (A), 2, van het Vluchtelin- genverdrag beantwoordt en derhalve de grond van de zaak door de Raad van State te laten overdoen, hetgeen buiten zijn bevoegdheid als administratieve cassatierechter valt; dat het immers uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of de vreemdeling zijn reisweg, zijn identiteit en de aangehaalde feiten afdoende bewijst; dat de Vaste Beroepscom- XIV-20.126-3/4 missie voor vluchtelingen niet verplicht was nader in te gaan op de brief met bijkomende stukken daar ze deze pas heeft ontvangen op 11 juni 2004, met andere woorden ná de sluiting der debatten, welke op 9 juni 2004 was vastgesteld; dat het derde middel niet ontvankelijk is;
  9. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.126-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.848 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.