id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.849 Rolnummer: A. 153777/XIV-20130 Zaak: Arrest 153849 - - 17/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 08:26 Fiche Arrest nr 153.849 van 17 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.849 van 17 januari 2006 in de zaak A. 153.777/XIV-20.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. CALLEBAUT, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Lombardenvest 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 14 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 2 juni 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. CALLEBAUT, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; XIV-20.130-1/3 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat in een eerste middel verzoeker aanvoert dat zijn rechten van verdediging werden geschonden doordat onder meer in Afghanistan, Iran en China Perzisch wordt gesproken, Dari een dialect is van het Perzisch dat in Afghanistan wordt gesproken, Hazaragi een dialect is van het Dari dat door de Hazara wordt gesproken en er bijgevolg een groot verschil bestaat tussen de verschillende talen waardoor het voor hem moeilijk is om Dari/Perzisch te begrijpen en omgekeerd, doordat hij tijdens de interviews en ter zitting vaststelde dat de vertaler tot een andere etnie behoorde en een ander dialect sprak, waardoor hij zich moeilijk verstaanbaar kon maken aan de Perzische tolk, en doordat hij door de aanwezigheid van een tolk van een andere etnie het gevoel had niet vrijuit te kunnen spreken en zich geïntimideerd voelde omdat hij de tolk niet vertrouwde; dat in een tweede middel, afgeleid uit de schending van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de materiële motiveringsplicht, en uit de afwezigheid van de rechtens vereiste grondslag, verzoeker aanvoert dat de tegenstrijdigheden hun oorsprong vinden in het feit dat hij tijdens de interviews werd bijgestaan door tolken Perzisch/Dari, dat de kleine verschillen als kantmeldingen binnen het hele verhaal dienen te worden gezien en dat hij zowel op de Dienst Vreemdelingenzaken, het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen als de Vaste Beroepscommis- sie voor vluchtelingen steeds een coherent verhaal heeft uiteengezet; 1.
- Overwegende dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing de aanvraag van verzoeker wordt verworpen omdat -zoals genoegzaam wordt toegelicht- zijn relaas niet coherent en in strijd met de algemeen bekende feiten is; dat dit besluit inzonderheid steunt op de vaststelling dat hij zijn reisweg niet bewijst, hij zelfs geen begin van bewijs omtrent zijn identiteit of nationaliteit kan neerleggen, hij geen enkel stuk ter ondersteuning van zijn asielrelaas neerlegt, hij geen aannemelijke verklaring geeft voor de fundamentele tegenstrijdigheden, vastgesteld door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, en er -in tegenstelling tot zijn verklaringen- geen sprake is van spanningen in het district Qarabagh omwille van het behoren tot een etnie; dat de bestreden beslissing aldus afdoende is gemotiveerd; dat het in zijn beroepschrift ontwikkelde verweer als zouden de tegenstrijdigheden te wijten zijn aan de bijstand op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van een Tadzjiekse tolk en een tolk Pashtun door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt verworpen omdat dit “in strijd is met de gegevens van het administratief dossier” waaruit blijkt “dat appellant op de Dienst Vreemdelingenzaken alsook tijdens de beide verhoren op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen door een Perzische (Dari) XIV-20.130-2/3 tolk werd bijgestaan”; dat, als administratieve cassatierechter, het de Raad van State niet toekomt na te gaan of de in aanmerking genomen tegenstrijdigheden inderdaad -zoals verzoeker aanvoert- te wijten zijn aan een verschil in dialecten; dat indien zijn recht van verdediging gevaar liep omdat hij geen vertrouwen kon hebben in de op de zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aanwezige tolk, verzoeker zulks te gelegener tijd voor de feitenrechter had moeten opwerpen, hetgeen hij evenwel verzuimd heeft te doen; dat dit bezwaar niet voor het eerst voor de administratieve cassatierechter kan worden ingeroepen; dat de beide middelen, in de mate dat ze ontvankelijk zijn, niet gegrond zijn;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.130-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.849 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.