id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.851 Rolnummer: A. 152292/XIV-19722 Zaak: Arrest 153851 - - 17/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 01:19 Fiche Arrest nr 153.851 van 17 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.851 van 17 januari 2006 in de zaak A. 152.292/XIV-19.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. ROBERT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Colombiaanse nationaliteit, op 28 mei 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 19 maart 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 10 juni 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Ch. VAN CUTSEM die, loco Advocaat P. ROBERT verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-19.722-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), verzoekster aanvoert dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een kennelijke beoordelingsfout maakt door te stellen dat zij niet zou bewijzen dat de politie geen normaal onderzoek verrichte naar de moord op haar man, dat de Commissie immers niet betwist dat de daders, hoewel bekend, nooit werden aangehouden en de politie er weinig zin in had haar te beschermen en de motivering bovendien niet relevant is aangezien de politie niet in staat is geweest de daders aan te houden en de overheid in het algemeen derhalve haar taak niet vervuld heeft, en dat het feit dat de overheid een kandidaat-vluchteling niet kan beschermen, tot gevolg kan hebben dat hij als vluchteling moet worden erkend; 1.
- Overwegende dat, waar, onder meer, wordt gewezen op het feit dat verzoeksters verklaring ten gronde niet te weten of de politie de moordenaars kende, strijdig is met het door haar neergelegde document, waaruit blijkt dat de politie op de hoogte was van de identiteit van de moordenaar en een onderzoek verrichte in dit verband, zij -zoals genoegzaam wordt toegelicht- vaag is met betrekking tot de bedreigingen waarvan zij het voorwerp zou zijn geweest en het, buiten de contacten die zij had met de officiële onderzoeksinstanties en vrienden van haar man, onduidelijk is welk onderzoek zij zou hebben verricht en zij niet bewijst dat de eenmalige bedreiging van haar zoon verband houdt met de moord op zijn vader, genoegzaam wordt aangegeven waarom verzoekster naar het oordeel van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen “niet bewijst dat zij (...) het voorwerp was van ernstige bedreigingen en dat de politie geen normaal onderzoek verrichte naar de moord”; dat verzoekster uit voormelde vaststellingen ten onrechte afleidt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zodoende zou erkennen “dat de politie er weinig zin in had om (haar) te beschermen”; dat, zo wordt aangenomen dat feiten gepleegd door andere personen of bevolkingsgroepen dan de overheid of personen die door de overheid worden gestuurd of gesteund, vervolging in de zin van het Verdrag van Genève kunnen uitmaken, waarbij onder vervolging in de zin van het voormeld verdrag kan worden verstaan de feiten gepleegd door derden, wanneer die bewust en systematisch door de autoriteiten worden geduld of wanneer deze weigeren dan wel duidelijk niet in staat zijn om afdoende bescherming te bieden, deze feiten omwille van één van de vijf gronden van het Vluchtelingenverdrag plaats dienen te vinden en de bescherming, om als afdoende te worden XIV-19.722-2/4 beschouwd, niet absoluut hoeft te zijn of van die aard dat zij bescherming biedt tegen elk feit begaan door derden; dat bijgevolg de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen uit verzoeksters verklaringen niet te weten “waarom haar man gedood werd; (...) zij de moordenaars kent; (...) het gewoon mensen zijn” en “(...) je in Colombia niet kunt weten of het gewoon criminelen zijn” en uit de vaststellingen dat zij zelf ontkent dat de moord op haar man enig verband had met zijn voormalige activiteiten voor M19, dat zij niet aanwijst welke problemen zij omwille van haar functie voor de “Oficina de Paz y Conviviencia” zou kunnen krijgen en dat haar loutere lidmaatschap van een vakbond een gevaar voor haar betekent of zij in die hoedanigheid ooit bedreigd werd, op wettige wijze heeft kunnen afleiden dat verzoekster niet aantoont dat zij de bescherming van haar land van herkomst niet kan of wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging om één van de in artikel 1, (A), 2, van het Vluchtelingenverdrag vermelde redenen; dat het enig middel niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-19.722-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-19.722-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.851 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.