← België

Arrest 153854 - - 17/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.854 Rolnummer: A. 156175/XIV-20759 Zaak: Arrest 153854 - - 17/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 08:26 Fiche Arrest nr 153.854 van 17 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.854 van 17 januari 2006 in de zaak A. 156.175/XIV-20.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 23 september 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 23 augustus 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat F. LANDUYT verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-20.759-1/6 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert : “Eerste middel III.
  4. Schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchte- lingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij Wet van 26 juni
  5. III.
  6. Vooreerst oordeelt de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen niet over de grond van de beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchte- lingen en de Staatlozen, dat op technische gronden werd afgewezen, nl. dat hij niet was verschenen op het interview ten gronde. Er dient te worden vastgesteld dat het Commissariaat-Generaal zich baseert op artikel 57/10 van de Wet van 15 december 1980 om te stellen dat hij geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping vervat in de brief van 11.02.
  7. Mijn verzoeker merkt op dat het Commissariaat-Generaal hem niet rechtsgeldig heeft opgeroepen. Immers, de oproeping is verstuurd (net als de beslissing trouwens) naar het adres 2000, Antwerpen, Lange Herentalsestraat
  8. Dit adres is echter verkeerd. Het adres van mijn verzoeker is Lange Herentalsestraat,
  9. Dit adres heeft hij bij aangetekend schrijven dd. 07.08.2003 laten weten aan zowel het Commissariaat-generaal (CGVS) als aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Dienst Vreemdelingen (DVZ). Klaarblijkelijk heeft het CommissariaatGeneraal dit over het hoofd gezien en op het verkeerde huisnummer haar oproeping gestuurd. Het is (door) door een fout van het Commissariaat-Generaal dat mijn verzoeker niet op het interview was. Het Commissariaat-generaal heeft de beslissing dan ook volledig te onrechte genomen. Daaromtrent motiveert de Vaste Beroepscommissie voor Vluchte- lingen in het geheel niet. Dat dit een proceduriële fout is aanga(a)nde de dubbele aanleg en tevens de rechten van mijn verzoeker schendt, gezien hij een aanleg verliest. In wezen zou de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen, gezien zij een beroepsinstantie is, de zaak ofwel moeten terug verwijzen naar het Commissariaat-Generaal voor verdere behandeling, dan wel de zaak aan zich trekken en mijn verzoeker te horen ten gronde. De Vaste Beroepscommissie heeft geen van beiden gedaan en louter één punt besproken, nl. aangaande zijn vriend Mohamed Taghi Fazel. Dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen voorhoudt dat de vertaalproblemen geen uitleg kunnen zijn voor de verschillen in de opeenvol- gende verklaringen van mijn verzoeker voor de diverse asielinsta(n)ties. Dat de wetgeving m.b.t. de motivering er strekt toe (strekt) de formele motivering als een substantiële vormvereiste op te leggen. Dat de wetgever duidelijk de bedoeling had om de formele motivering als een substantieel vormvoorschrift op te leggen, zonder mogelijkheid deze motiveringsvereiste vervangen te zien door deze of gene motivering die de rechtsonderhorige wel op één of andere wijze bekend zou zijn. Dat ook het vereiste van motivering, zoals omschreven in andere bronnen van het recht is geschonden (LAMBRECHTS, W., Geschillen van bestuur, Kluwer, Antwerpen, 1988, p. 69-70, en verwijzingen). Dat ook hier betreft het een substantiële vormvereiste (R.v.St, nr. 31.882, dd. 1 februari 1989 ). Dat de beslissing zelf niet voldoet aan de motiveringsvereiste omschreven in de formele motiveringswet en in andere rechtsbronnen (Arbeidshof Gent, XIV-20.759-2/6 14 december 1994, R.W., 1995-96, 49). Dat de formele motiveringswet niet alléén een waarborg voor de burger die alzo vermag duidelijk kennis te nemen van al de elementen welke aan de basis liggen van de beslissing en van de draagwijdte ervan is (RvSt, N.V. Hoeve, nr. 45.623, dd. 30 december 1993; RvSt, Smets-Jet, nr. 41.884, 4 februari 1993, A.P.M., 1993, 43; RvSt, Scheire, 40.739, 13 oktober 1992; en RvSt. Verschaffel, m. 40.389, 10 november 1992; LAGASSE, D., 'La loi du 29 juillet 1991 rélative a la motivation formelle des actes administratives', J.T., 1991, 737; cfr. Verslag, Senaat, ( bijzondere zitting 1988 ) 1990-91, nr. 215/3, 16 ) maar ook een waarborg voor de goede werking van het gerechtelijk apparaat is ( RvSt., A.S.B.L. Environment et Patrimoine écusinoir, nr. 44.847, dd. 9 november 1993; RvSt., N.V. Hoeve, nr. 45.623, dd. 30 december 1993; LAGASSE, D., 'La loi du 29 juillet 1991 rélative a la motivation formelle des actes administratives', J.T., 1991, 737; Advies RvSt. dd. 21 oktober 1987, Senaat, (bijzondere zitting 1988) 1990-91, nr. 215/2, 6; RvSt., Damilot, 41.281, 4 december 1992, Cfr. RvSt, Warnants, nr. 21.635, 3 december 1981). Dat het internationaal verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juni 1951 en goedgekeurd bij Wet van 31 januari 1953, en het Protocol van New-York van 31 januari 1967 betreffende de Status van Vluchtelingen, goedgekeurd bij wet van 27 februari 1967, een internatio- naal instrument met humanitaire doelstellingen is, hetgeen een soepele interpretatie en evenwichtige verdeling van de bewijslast vergt ( BOSSUYT, M., "De vluchtelingendefinitie uit het Verdrag van Genève" in Binnen en buiten. Vluchtelingen op zoek naar recht, Tegenspraak Cahiers nr. 7 Kluwer, Antwerpen, 1988, p/29 ). Dat artikel 63 en 63/3 van de (van de) wet van 15 december 1980, betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, B.S., 31 december 1980 (hierna vreemdelingenwet genoemd ) voorzien in een soort administratief beroep, het dringend beroep genoemd. Dat voormeld administratief beroep inhoudt, (dat de zaak volledig opnieuw en individueel, ttz. dossier per dossier dient behandeld te worden. Dat een vergelijking tussen verklaringen lopende de diverse fasen van de procedure niet strookt met de artikelen 63 en 63/3 van de vreemdelingenwet, en daaruit kennelijk niet kan besloten worden dat er sprake is van een deugdelijke motivering. Dat het aldus niet behoort door middel van vergelijking tussen verklaringen een beslissing te motiveren, daar waar een dergelijke wettelijke beroepsmogelijk- heid voorzien is en daar waar de dossiers individueel dienen behandeld te worden. Dat om aan de Wet van 29.7.91 en art. 62 van de Wet van 15.12.80 te voldoen, volstaat het voor de Commissaris-Generaal in casu niet te stellen dat het verhaal van verzoekers "hoogst onwaarschijnlijk is" of "bedrieglijk" De Commissaris- Generaal moet aangeven waarom precies hij die stelling weerhoudt ( Raad van State, 15.12.94 nr 50.738, 3e Kamer, K.L /Belgische Staat, C.G.V.S ). Dat de Commissaris-Generaal in casu een manifeste en grove appreciatiefout begaat welke onderworpen is aan de controle van de Raad van State onderworpen ( Raad van State 1.2.95 nr. 51.466, IIe Kamer G.N Belgische Staat, C.G.V.S ); Dat het in casu niet volstaat te verwijzen naar het feit dat verzoekende partij lopende de procedure voor de Dienst Vreemdelingenzaken geen gewag van iets gemaakt heeft of juist voor de Dienst Vreemdelingenzaken wel van iets gewag maakt. Dat verschillende verklaringen uiteraard elkaar kunnen aanvullen. Dat de zogenaamde gereleveerde tegenstrijdigheden, geen contradicties zijn. Dat het aldus in concreto volstaat al de opgegeven gegevens bij elkaar te leggen, zodat men kan vaststellen, dat al deze opgegeven feiten naast elkaar kuipen bestaan, zonder tegengesteld te zijn aan elkaar. Dat er uit wat opgegeven wordt geen echte tegenstrijdigheden blijken. Dat het Internationaal verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juni 1951 en goedge- keurd bij Wet van 31 januari 1953, en het Protocol van New-York van 31 januari 1967 betreffende de Status van Vluchtelingen, goedgekeurd bij wet van 27 februari 1967, een internationaal instrument met humanitaire doelstellingen XIV-20.759-3/6 is, hetgeen een soepele interpretatie en evenwichtige verdeling van de bewijslast vergt ( BOSSUYT, M., " De vluchtelingendefinitie uit het Verdrag van Genève" in Binnen en buiten. Vluchtelingen op zoek naar recht, Tegen- spraak Cahiers nr. 7 Kluwer, Antwerpen, 1988 , p. 29 ). Dat zo per impossibele verschillende verklaringen, lopende de verschillende fasen in de procedure kunnen vergeleken worden, het doel van dergelijke vergelijking, niet het vaststellen van zogenaamde incoherenties is, doch het oplossen van datgene wat fout of incoherent lijkt (H.C.R., Guide des procédures et critères a appliquer pour déterminer le statut de Réfuqiè, H.C. R., Genève, 1992, nr. 199, p. 52). Dat een dergelijke vergelijking aldus geen deugdelijke motivering kan opleveren. Dat de voorgehouden tegenstrijdigheden bovendien niet kunnen opwegen tegen de waarachtigheid van het geheel. Dat de waarachtigheid van het geheel opweegt tegen tegenstrijdigheden (FLEERACKERS, De laatste Rechter, over oordeelsvorming, Juridisch Cahier, Jaargang, 8, Gerechtelijk jaar, 1999-2000, Deel 2, geciteerd door Voltallige Tweede Kamer Vaste Beroepscommissie, dd.14 maart 2000 in de zaak VB/98/01195.RA 8200). Dat het bovendien meestal niet gaat om echte tegenstellingen of contradicties. Dat voormelde elementen uiteraard niet afdoende zijn om een weigeringsbeslis- sing te gronden. Dat men bovendien dient na te gaan of deze elementen wel te wijten zijn aan de verzoekende partij ( Cfr. RvSt. nr. 79.209 dd. 1 maart 1999). Dat de zogenaamde tegenstellingen en lacunes niet van die aard zijn een weigeringsbeslissing te gronden (RvSt. nr., 78.536 dd. 4 februari 1999). Dat mijn verzoeker reeds per brief dd. 07.05.2001 liet weten dat (hij) de tolk geen Iraniër was en tevens het Farsi (Perzisch) niet echt machtig was. Het was een tolk die Dari sprak. Het Dari is een Afghaanse taal, verwant aan het Perzisch, maar met eigen woorden en eigen dialect. De tolk moet een Afghaan of Pakistani geweest zijn, van Afghaanse origine (veel Aghanen leefden omwille van de Taliban in Iran of Pakistan). Dit feit - nl. dat hij geen tolk heeft gehad in zijn moedertaal - wordt niet tegengesproken door de Vaste Beroeps- commissie voor Vluchtelingen. Louter stelt men dat mijn verzoeker twijfelt over de exacte nationaliteit van de tolk. Hoe dan ook staat vast dat hij geen tolk had in zijn moedertaal en dat aldus zijn rechten geschonden zijn. Dat het feit dat de tolk een andere taal sprak, reeds op zich voldoende is om vast te stellen dat het interview niet in goede omstandigheden verliep en dus onbetrouwbaar is als vergelijkingspunt.”. 1.2.
  10. Overwegende dat er in het geheel niet wordt aangeduid welke artikelen van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 zouden zijn geschonden; dat, voor zover verzoeker de schending van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen aanvoert, het middel gericht is tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en niet tegen de thans bestreden beslissing, zodat dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is; 1.2.
  11. Overwegende dat uit artikel 57/11, § 1, van de Vreemdelingenwet volgt dat door het hoger beroep tegen de weigeringsbeslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de zaak in haar geheel voor een nieuwe beoordeling aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt voorgelegd; dat, zelfs al was de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onregelmatig, dan nog had de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de zaak niet naar hem kunnen XIV-20.759-4/6 verwijzen omdat zij als rechter in feitelijke aanleg gehouden was uitspraak te doen ingevolge het hoger beroep dat bij haar was ingesteld; dat het middel op dit vlak juridische grondslag mist; dat, voor zover verzoeker aanvoert dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen hem minstens had dienen te horen, hetgeen zij niet zou hebben gedaan, -in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert- uit het verslag van de zitting van 23 augustus 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen blijkt dat hij, bijgestaan door zijn advocaat, is verschenen en aldus werd gehoord; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het recht op hoger beroep niet miskent om de enkele reden dat haar beslissing gesteund is op de tijdens de opeenvolgende fases van de asielprocedure afgelegde verklaringen; dat waar zij erop wijst dat de “perfecte weergave van (een) deel van appellants relaas door de niet-Iraanse tolk bij zijn verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken duidelijk niet wijst op communicatie- problemen met de aanwezige tolk”, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen genoegzaam aangeeft waarom “het niet vermelden van een zeer belangrijk deel van zijn relaas en het negatief beantwoorden van eenvoudige vragen (...) niet aan de door appellant voorgehouden communicatieproblemen kunnen worden toegeschreven”; dat het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of de door hem gedane vaststellingen van die aard zijn dat geen geloof kan worden gehecht aan het asielrelaas en of de vastgestelde tegenstrijdigheden te wijten zijn aan vertaalproblemen; dat deze beoordeling door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kan worden overgedaan; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  12. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  13. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari tweeduizend en zes, door : XIV-20.759-5/6 de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.759-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.854 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.