← België

Arrest 153858 - - 17/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.858 Rolnummer: A. 154325/XIV-20307 Zaak: Arrest 153858 - - 17/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 08:26 Fiche Arrest nr 153.858 van 17 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.858 van 17 januari 2006 in de zaak A. 154.325/XIV-20.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 6 oktober 1962 en van beweerde Joegoslavische nationaliteit, op 16 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 juli 2001 houdende een negatieve beslissing in verband met de regularisatieaanvraag ingediend door verzoeker op 27 januari 2000, tengevolge van de niet-gerechtvaardigde afwezigheid van verzoeker op de zitting van 14 maart 2001 van de Regularisatiecommissie, zoals bepaald door artikel 11 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 juli 2004, aan de verzoekende partij op dezelfde datum ter kennis gebracht; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag van 26 april 2005 opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 3 mei 2005; XIV-20.307-1/4 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 1 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 oktober 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat S. VAN ROSSEM, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat uit de brief van de Dienst Vreemdelingenzaken d.d. 27 september 2005, die aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen ter openbare zitting van woensdag 12 oktober 2005, het volgende blijkt: “Betrokkene is op 18 februari 2005 met IOM vertrokken naar Macedonië.”; Overwegende dat de Advocate van verzoeker hierop als volgt repliceert: “De Advocaat van de verzoekende partij meent dat de verzoekende partij nog steeds belang heeft omdat zij nog kan terugkeren naar België en de regularisatieprocedure kan verderzetten (voortzetten). Zij deelt mee dat de dominus litis nog contact heeft met de verzoekende partij en legt een bundel met stukken neer.”(cfr. Proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de XIVde kamer van woensdag 12 oktober 2005 om 10.00 uur, bladzijde 5); Overwegende dat de Advocate van verzoeker niet betwist dat haar cliënt het Belgisch grondgebied heeft verlaten en naar zijn land van herkomst is vertrokken; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker zijn regularisatieaanvraag steunt op artikel 2,2/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), dat uitgaat van de onmogelijkheid tot terugkeer door de persoon die de regularisatie aanvraagt, naar zijn land van herkomst, of naar het land waarvan hij de nationaliteit bezit, of naar het land of de landen, waar hij vóór zijn aankomst in België gewoonlijk verbleef; dat verzoeker vóór zijn aankomst in België, gewoonlijk verbleef in Macedonië en niet in Joegoslavië, zodat de nationaliteit van verzoeker niet vaststaat; XIV-20.307-2/4 Overwegende dat de rechtsgrond van de regularisatieaanvraag haaks staat op de vrijwillige terugkeer van verzoeker naar zijn land van herkomst of naar het land waar hij gewoonlijk verbleef vóór zijn komst naar België; Overwegende dat verzoeker door zijn vrijwillig vertrek naar Macedonië met het IOM, aantoont dat hij niet langer getuigt van het rechtens vereiste actueel belang bij de door hem ingeleide procedures; dat het argument van de Advocate van verzoeker dat laatstgenoemde “nog kan terugkeren naar België en de regularisatieprocedure kan verderzetten (voortzetten)”, in strijd is met de rechtsgrond waarop verzoeker zijn regularisatieaanvraag steunt, zodat met dit hypothetisch gegeven geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat de Advocate van verzoeker niet bewijst dat de domina litis nog contact heeft met haar cliënt, dat dit laatste een loze bewering is, die door geen enkel element van het administratief dossier wordt gestaafd, en evenmin blijkt uit de debatten ter openbare zitting van woensdag 12 oktober 2005; dat wanneer een Advocaat beweert dat hij nog gemandateerd is door zijn cliënt, dit moet blijken uit een document of uit een recent procedurestuk, gelet op de eigenheid van het Vreemdelingencontentieux dat gekenmerkt wordt door een massale toevloed van zaken en door de mobiliteit van verzoekers; Overwegende dat de ingestelde vorderingen bijgevolg onontvankelijk zijn, wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang in hoofde van verzoeker;
  3. Overwegende dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring onontvankelijk wordt verklaard; XIV-20.307-3/4 BESLUIT: Artikel
  4. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden onontvankelijk verklaard. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-20.307-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.858 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.