← België

Arrest 153893 - - 18/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.893 Rolnummer: A. 125413/XIV-11297 Zaak: Arrest 153893 - - 18/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 08:27 Fiche Arrest nr 153.893 van 18 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.893 van 18 januari 2006 in de zaak A. 125.413/XIV-11.297. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat Wendy NG, kantoor houdende te 2170 MERKSEM, Ringlaan 138 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren in 1970 en van Soedanese nationaliteit, op 13 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 15 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 maart 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 15 juli 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 12 april 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 14 april 2005; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-11.297-1/6 Gelet op de beschikking van 9 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 14 december 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat Wendy NG, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 18 februari 2002 en verklaart zich vluchteling op 20 februari 2002. 1.2. Op 22 maart 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 15 juli 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U beweert de Soedanese nationaliteit te bezitten, afkomstig te zijn uit Khor Aldleeb, en te behoren tot de Nuba. Uw vader was als kind uit zijn dorp van herkomst ontvoerd en groeide op tussen mensen van een Arabische bevolkingsgroep, door wie hij als een zoon werd beschouwd en van wie hij ook de naam aannam. Ook u beschouwde de pleegouders van uw vader als uw natuurlijke familie. Na het overlijden van uw vader in 1990 nam u diens taak als veehouder over. Na het overlijden van uw “grootvader” Zubeer in 1999 werd u door zijn zoon Omar verteld dat u voortaan als slaaf van de familie zou worden beschouwd, omdat uw vader slechts met dat doel in de familie was opgenomen. Bijgevolg moest u al het werk alleen doen en verslechterde de verstandhouding tussen u en de familie. Toen u begin 2001 nog weigerde voor hen te werken en besloot met uw deel van het vee te vertrekken en te verhuizen, zeiden ze u dat u geen vee in eigendom kon hebben omdat uw vader zonder eigen bezittingen in hun familie was aangekomen. Na bemiddeling door uw oom van moederszijde werd besloten dat u een kleiner deel van uw oorspronkelijk(

  1. e)aantal stuks vee mocht behouden, op voorwaarde dat u XIV-11.297-2/6 verder voor hen bleef werken als een slaaf. Omdat u zich hier niet kon bij neerleggen vertrok u met enkel nog uw kameel om op een stuk land dat u geërfd had van uw vader te gaan leven. U voorzag in uw levensonderhoud door uw eigen landbouwprodukten te verkopen op de markt. Op 5 september 2001 werd u op de markt door militairen aangehouden en naar een legerkamp gebracht waar u werd opgesloten. Ondanks het feit dat de officiële beschuldiging luidde dat u verdacht werd van het geven van materiële steun aan het bevrijdingsleger van John Garang, vermoedde u dat in werkelijkheid uw voormalige “familie” achter deze arrestatie zat als wraak omdat u was vertrokken. Een maand later werd u overgeplaatst naar een andere kazerne, waar u huishoudelijk werk moest verrichten voor het leger. U ontmoette er een officier met wiens broer u nog bevriend was geweest. Deze man bevestigde uw vermoeden dat u wellicht enkel het slachtoffer was van uw “familie”, en verder niets had misdaan. Na een tweetal maanden waarschuwde deze officier u dat u waarschijnlijk zou worden gedood op beschuldiging van verraad, en ergens in het geheim zou worden gefusilleerd. Hij adviseerde u bij de voorbereiding- en van de feestelijkheden van 1 januari 2002 ervoor te zorgen dat u bij de houtsprokkelaars werd ingedeeld, en van de gelegenheid moest gebruik maken te ontsnappen. Dit plan lukte, en u slaagde erin te ontkomen naar het huis van Coucou Salem, een vriend van uw vader, en later naar het huis van diens tante. Omdat na een vijftal dagen bleek dat u door het leger werd gezocht besloot u uw land te ontvluchten. Na de verkoop van uw bezittingen slaagde u erin op 21 januari 2002 af te reizen naar Port Sudan, dat u drie dagen later bereikte. Op 31 januari 2002 ging u aan boord van een schip. Na een overstap op een ander vaartuig kwam u op 17 februari 2002 aan in de haven van Antwerpen. Op 20 februari 2002 vroeg u tenslotte in ons land asiel aan. Er dient te worden opgemerkt dat de door u ingeroepen “vrees voor vervolging” zoals bepaald in de Vluchtelingenconventie van Genève, niet kan worden afgeleid uit uw verklaringen voor de diverse asielinstanties, omdat u geen elementen aanhaalt waaruit zou kunnen blijken dat u terecht internationale bescherming inroept. U stelde tijdens het interview in dringend beroep namelijk dat u als slaaf werd beschouwd door de familie die uw vader heeft opgevoed, en dat u daardoor zware problemen kreeg die u ertoe zouden gedwongen hebben uw land te ontvluchten. Er zijn echter zware aanwijzingen dat uw bewering als zou u als slaaf worden beschouwd ernstig kan worden gerelativeerd. U verklaarde tijdens het onderhoud voor de Dienst Vreemdelingenzaken (gehoor van 20 maart 2002, cfr. punt 42 van het gehoorverslag) immers dat uw vader door de familie die hem opvoedde werd geadopteerd, waarbij u er voor het Commissariaat-generaal nog aan toevoegde dat uw vader door zijn ontvoerders als een zoon werd beschouwd en zelfs hun (Arabische) naam aannam (cfr. p.5). Evenmin onbelangrijk is het feit dat uw vader erin was geslaagd bezit te verwerven, namelijk een stuk grond van 5 hectare (cfr. p.8), en dat het hem was toegestaan te huwen met uw moeder, een vrouw behorende tot de Arabische bevolkingsgroep (cfr. p.2). Het feit dat er bij uw conflict met de familie waarbij u was opgegroeid bemiddeling werd aanvaard door uw oom van moederszijde en Sheik Abdelbagi, wijst op een interfamiliaal conflict en valt aldus niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie van Genève. Bovendien heeft u niet eerst alle mogelijkheden benut die u had om een nieuw leven op te bouwen elders in uw land van herkomst, aangezien u verklaarde te zijn uitgeweken naar het stuk grond dat u van uw vader had geërfd en dat in hetzelfde dorp (ligt) waar (
  2. de)uw vijandige familie verblijft, waarbij u uw zaken op markten ging verkopen waarvan u wist dat uw tegenstanders er ook kwamen (cfr. uw verklaringen in dringend beroep p.9). U had evengoed na uw conflict met uw familie op dat moment uw stuk grond en uw kameel kunnen verkopen om met de opbrengst ervan die niet gering was, namelijk 4000 US$ (cfr. p.13), elders een nieuw leven op te bouwen in Soedan. Men kan toch redelijkerwijs verwachten dat u eerst alle mogelijke oplossingen zou overwegen om een vertrek uit uw land van herkomst te vermijden. Tenslotte dient nog te worden benadrukt dat u, tijdens uw beweerde gevangenschap, hulp kreeg van een officier van het leger om te ontsnappen, hetgeen uw vrees ten aanzien van de Soedanese overheid aanzienlijk relativeert. Er dient bijgevolg te worden benadrukt dat u het niet aannemelijk heeft kunnen maken dat u daadwerkelijk persoonlijk zou worden vervolgd door de autoriteiten in uw land van herkomst. Het Sudanese nationaliteitsbewijs, dat u voorlegt ter ondersteuning van uw relaas, doet geen afbreuk aan bovenstaande opmerkingen, omdat uw nationaliteit en uw identiteit niet worden betwist. Hoe dan ook bent u niet in het bezit van ook maar enig document dat een controle van uw reisweg mogelijk maakt. Tot slot brengt uw verzoekschrift tot instelling van dringend beroep geen ander element naar voren dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. (...).”. 2. Over de ontvankelijkheid. XIV-11.297-3/6 Overwegende dat uit de brief van 29 november 2005 van de Dienst Vreemdelingenzaken, blijkt dat er op 8 oktober 2002 een afvoering van ambtswege plaatsvond; dat dit tot bewijs van het tegendeel betekent, dat de verzoekende partij ofwel vertrokken is en het land heeft verlaten, ofwel verblijft op een onbekend adres; dat deze brief aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen; dat de Advocate van de verzoekende partij ter zitting meedeelt dat zij van de domina litis de instructie heeft gekregen te volharden in het verzoekschrift; dat het toekomt aan de Advocaat van een verzoekende partij zijn mandaat ter terechtzitting te bewijzen met concrete, geactualiseerde en controleerbare gegevens, rekening houdend met de eigenheid van het Vreemdelingencontentieux en met de mobiliteit van de verzoekende partijen; dat in casu blijkt dat de verzoekende partij sedert 8 oktober 2002 geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, zodat de Advocaat als medewerker van het gerecht moet aantonen dat zijn cliënt nog steeds in het Rijk verblijft, en nog doet blijken van het rechtens vereiste actueel belang; dat deze gegevens het voorwerp uitmaken van een uitdrukkelijke vraagstelling die gevoegd wordt bij het vaststellingsbericht; dat wanneer in de toekomst blijkt dat de vreemdeling geen gekende woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, en de Advocaat ter zitting niet het tegendeel aantoont, en zijn mandaat niet kan bewijzen, zoals in casu, de Raad van State de vordering zal afwijzen wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang; 3. Over de gegrondheid van de zaak. 3.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van 1, A

(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beoordelingsvrijheid die hem is toegekend in het kader van het onderzoek van de ontvankelijkheid van de vordering heeft overschreden en een beoordelingsfout heeft begaan, door te oordelen dat verzoeker geen enkel element heeft aangevoerd dat aantoont dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen zijn voor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat verzoeker stelt dat hij wel degelijk redelijke motieven heeft om te vrezen voor vervolgingen of aanslagen op zijn leven wegens het behoren tot een maatschappelijke groep in de zin van de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder voor wat de organisatie van de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemde- XIV-11.297-4/6 lingenwet); dat bijgevolg in voorliggend geval voornoemde schending van artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie niet dienstig kan worden aangevoerd, aangezien verzoeker niet tegelijkertijd de schending inroept van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat het eerste middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 3.
  1. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel een schending aanvoert van artikel 33 van de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat hij “niet mag (worden) teruggestuurd (...) naar een land waar hij zijn leven riskeert, waar zijn leven of vrijheid wordt bedreigd, vermits (...) er werkelijk en buiten elke redelijke twijfel om een ernstig risico bestaat om blootgesteld te worden aan de door deze verdragsbepaling verboden behandeling; Overwegende dat, wat de schending van artikel 33 van de Vluchte- lingenconventie betreft, deze verdragsbepaling een verbod tot uitzetting of terugleiding inhoudt dat enkel betrekking heeft op beslissingen op grond waarvan de vreemdeling, die zich vluchteling heeft verklaard of als dusdanig erkend is, verplicht zou worden naar zijn land van herkomst terug te keren; dat in casu erkende vluchtelingen en eveneens kandidaat- vluchtelingen zich tevens dienen te beroepen op artikel 56 van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker dit artikel niet heeft ingeroepen, zodat de schending van voormeld artikel 33 niet dienstig kan worden aangevoerd; dat het tweede middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-11.297-5/6 BESLUIT: Artikel
  3. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien januari tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-11.297-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.893 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.