← België

Arrest 153896 - - 18/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.896 Rolnummer: Zaak: Arrest 153896 - - 18/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 08:27 Fiche Arrest nr 153.896 van 18 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.896 van 18 januari 2006 in de zaken A. 156.421/XIV-20.836 158.269/XIV-21.

  1. In zake : I.
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 II.
  4. XXX,
  5. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat A. BAHRAMI, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Koningstraat 229 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Afghaanse nationaliteit, op 11 oktober 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van 2 augustus 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hen als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 28 oktober 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Afghaanse nationaliteit, op 20 oktober 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van 2 augustus 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hen als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 17 december 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; XIV-20.836-1/7 Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikkingen van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaten B. VRIJENS (G/A. 156.421/XIV-20.836) en A. BAHRAMI (158.269/XIV- 21.349) verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Over de procedure. Overwegende dat het echtpaar XXXen XXX in twee verschillende beroepen de nietigverklaring vragen van de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 2 augustus 2004 waarbij hun de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling wordt geweigerd; dat de beslissing die ten aanzien van XXX werd genomen in hoofdzaak steunt op de niet-erkenning van XXX, haar echtgenoot; dat bovendien in beide verzoekschriften de vernietiging van dezelfde beslissingen wordt gevorderd; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het aangewezen is beide beroepen wegens verknocht- heid samen te behandelen en te berechten;
  7. Over de ontvankelijkheid van de beroepen. Overwegende dat, om een administratief cassatieberoep bij de Raad van State in te dienen men partij moet zijn geweest bij de aangevochten beslissing; dat de verzoekende partijen dan ook enkel kunnen opkomen tegen de beslissing die is genomen met betrekking tot hun eigen aanvraag;
  8. Over de gegrondheid van de beroepen. XIV-20.836-2/7 3.
  9. Wat het beroep G/A. 156.421/XIV-20.836 betreft : 3.1.
  10. Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren : “Schending van het artikel 1, A

(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 ; van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen; van het artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de zorgvuldigheidsverplichting. Dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in bestreden beslissingen het artikel l,A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de zorgvuldigheidsverplichting schendt, wanneer hij geen voldoende rekening houdt met het door verzoekers neergelegde beroepschrift. Dat de motivatie in de bestreden beslissingen, die besluiten tot de ongegrondheid van verzoekers ingestelde beroep, evenwel niet afdoende is. Dat door verweerder wordt nagelaten met alle door verzoekers aangebrachte essentiële elementen in overweging te nemen, waardoor de beslissingen niet alleen onvoldoende gemotiveerd zijn, maar waar bovendien de zorgvuldigheidsverplichting geschonden wordt. «Dat de akte zelf moet motiveren waarom de door de vreemdeling ingeroepen argumenten ter staving van zijn of haar verzoek niet werden aanvaard.» Dat door verweerder geen rekening werd gehouden met de argumenten vervat in het door verzoekers dd. 4 augustus 2003 neergelegde beroepschrift. Dat in de bestreden beslissingen door verweerder nergens wordt gemotiveerd waarom de argumenten vervat in het beroepschrift dd. 4.08.2003 niet werden weerhouden. Dat verzoekers in hun beroep de nadruk legden op verslechterde situatie in Afghanistan wat betreft de mensenrechten.. Dat dienaangaande door verzoekers in hun beroepschrift een aantal mensenrechtenrapporten werden aangehaald. Dat verder verzoekers in hun beroepschrift de nadruk legden op het feit dat de aangehaalde tegenstrijdigheden door de Commissaris-generaal onterecht werden weerhouden en geenszins essentiële elementen van hun asielrelaas betreffen. Daarnaast wezen verzoekers in hun beroep- schrift op het feit dat de Commissaris-generaal geen rekening hield met de concrete situatie van verzoekers en niet met volledige zekerheid kan stellen dat verzoekers bij een terugkeer naar Afghanistan geen problemen zouden kennen. Tenslotte hebben verzoekers in hun beroepschrift aangeduid dat de opeising van hun dochter geen rechtstreeks vluchtmotief was. Dat door de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen in bestreden beslissingen voormelde argumenten niet aangehaald evenmin weerlegd werden. Dat de bestreden beslissingen derhalve niet afdoende gemotiveerd zijn en de zorgvuldigheidsverplichting schenden, wanneer deze nalaten te antwoorden op de argumenten vervat in het door verzoekers neergelegde beroep. Dat verzoekers dienaangaande willen verwijzen naar de rechtsleer die stelt dat “de rechtscolleges alle opgeworpen middelen dienen te behandelen en uit de redengeving van hun beslissing moet blijken dat de door de diverse argumenten van partijen gestaafde middelen onderzocht zijn”. Dat de Raad van State ondermeer in zijn arrest nr. 73.179 dd. 22 april 1998 uitdrukke- lijk stelde dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verplicht is te antwoorden op de middelen vervat in de beroepsakte en op de stukken die regelmatig zijn ingediend'. Dat derhalve de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen gehouden is alle argumenten en middelen van verzoekers te weerleggen. Dat in casu dit niet het geval is.”; XIV-20.836-3/7 3.1.
  1. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat, in de mate het middel ertoe strekt aan te tonen dat de verzoekende partijen wel degelijk aan de voorwaarden van artikel 1, (A), 2, van het Vluchtelingenverdrag beantwoorden, het niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat in het middel de verzoekende partijen stellen dat ten onrechte wordt besloten dat zij tegenstrijdige verklaringen zouden hebben afgelegd, er niet geantwoord werd op hun beroepschrift waar zij stelden dat de situatie in Afghanistan verslechterd is, er geen zekerheid bestaat dat de verzoekende partijen geen problemen zouden krijgen bij terugkeer en de opeising van hun dochter geen rechtstreeks vluchtmotief was; dat het volstaat, zoals de Vaste Beroepscommis- sie voor vluchtelingen in voorliggend geval heeft gedaan, aan te geven op grond van welke objectieve gegevens ze van oordeel is dat geen gegronde vrees voor vervolging in aanmerking kan worden genomen; dat in het licht van de door haar gedane vaststellingen (m.n. het niet bewijzen van de gevolgde reisweg, het feit dat de Taliban niet langer de dienst uitmaken in Afghanistan, hij als Tadzjiek behoort tot de dominante politieke en militaire macht, verzoeker tevens afkomstig is uit Kaboel dat beschouwd wordt als veiligste regio in het land, de gedwongen inlijving van de zoon in het leger van de Taliban niet langer relevant is, enkel personen met een uitgesproken communistisch profiel nog op problemen kunnen stuiten maar verzoeker hieraan niet beantwoordt, de opeising van de dochter door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ongeloofwaardig wordt bevonden en de verwijzing naar de algemene toestand van onveiligheid in Afghanistan onvoldoende is om bescherming conform het Vluchtelingenverdrag te verkrijgen) de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geenszins kennelijk onredelijk is waar zij oordeelt dat de verzoekende partijen geen vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag dienen te vrezen; dat moet vastgesteld dat op de in het middel aangevoerde niet-beantwoorde “essentiële elementen” wel wordt ingegaan; dat, met betrekking tot het niet-ingaan op de verslechterde toestand in Afghanistan en het ontbreken van zekerheid dat de verzoekende partijen bij een terugkeer niets zal overkomen, wordt gesteld : “Overwegende dat appellant zich eveneens beroept op de algemene situatie van onveiligheid in Afghanistan; dat een verwijzing naar de algemene situatie van onveiligheid niet volstaat om conform het Verdrag van Genève bescherming te bekomen; dat dit voortvloeit uit de in het verdrag vastgelegde definitie van vluchteling, die vereist dat de betrokken persoon moet aantonen dat er een risico op vervolging bestaat en dat die vervolging gebaseerd is op één van de in het verdrag vermelde gronden; dat voormelde tekst niet van toepassing is op een situatie van algemene onveiligheid, waarbij alle in het betrokken land of gebied levende personen op gelijke wijze getroffen zijn, zonder dat de toestand van de betrokken persoon van deze van zijn landgenoten afwijkt; dat dit in casu niet werd aangetoond;”; XIV-20.836-4/7 dat, met betrekking tot de opeising van de dochter van de verzoekende partijen wordt gesteld : “Overwegende dat wat betreft de opeising van zijn dochter tijdens zijn opsluiting in 2001 - 2002 de Commissie die bewering ongeloofwaardig vindt; dat dit noch door hem, noch door zijn echtgenote, vermeld werd bij hun verhoor op 17 maart 2003 bij de Dienst Vreemdelingenzaken; dat de uitleg voor deze weglating (zie het verzoekschrift van 4 augustus 2003, rubriek V) “... alhoewel bij de Dienst Vreemdelingenzaken aangemaand om hun vluchtmotieven uiteen te zetten, hebben ze dit, alhoewel het zeer ernstig is, niet ingeroepen als een rechtstreeks vluchtmotief.”, niet aanvaard wordt; dat de vraagstelling (zie het verhoorblad van 17 maart 2003, vraag 42) niet mag verengd worden tot deze die appellant beschrijft om zijn blijkbaar onvolledig antwoord te rechtvaardigen; dat hij blijkbaar ondanks het ontbreken van het vermelden van het voorval met zijn dochter, aan het einde van het bedoeld verhoor, stelde dat “hij niets meer toe te voegen had.”; dat in de bestreden beslissingen niet wordt gesteld dat de verzoekende partijen tegenstrijdig- heden zouden hebben vermeld in hun verklaringen; dat het onderdeel waarin wordt gesteld dat ten onrechte tot tegenstrijdigheden werd besloten bijgevolg niet dienstig is; dat de aangevochten beslissing aldus afdoende met redenen is omkleed; dat tevens de schending van de zorgvuldigheidsplicht niet wordt aangetoond door de verzoekende partijen; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 3.
  2. Wat het beroep G/A. 158.269/XIV-21.349 betreft : 3.2.
  3. Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren : “Pris de la violation de l'article57/11 et 57/22 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, ainsi que de l'erreur manifeste d'appréciation. Qu'il ressort de l'article 57/11 précité que la Commission de recours des réfugiés est seule compétente, en qualité de juridiction administrative, pour connaître des recours dirigés contre les décisions de refus sur le fond prises par le Commissaire général aux réfugiés ; qu'en application de l'article 57/22 également précité les "décisions de la Commission permanente de recours des réfugiés sont motivées en indiquant les circonstances de la cause".
  4. En ce que la partie adverse considère que les requérants n'apportent pas la preuve de leur itinéraire et du moment où ils ont quitté leur pays; Alors que les requérants ne peuvent être tenus de prouver par des documents à l'appui leur itinéraire alors qu'ils affirment avoir fui leur pays ; que l'affirmation des requérants doit suffire à établir de manière définitive leur déclaration ; qu'à cet égard, il échet de relever que les déclaration des requérants sont parfaitement cohérentes et dénuées de toute contradiction ; qu'en toute état de cause, si des doutes persistaient
  5. En ce que la partie adverse considère que les requérants n'établissent pas l'actualité de leur craintes; Alors que il de notoriété publique que l'Afghanistan demeure un pays où la sécurité, malgré la présence de forces internationales, est aléatoire; qu'à cet égard, selon les information à la disposition de l'Amnesty International (Index AI : ASA 11/012/2003) «Le manque de sécurité dans le pays, y compris à Kaboul, en dépit de la présence de la Force internationale d'assistance à la sécurité (ISAF), reste un problème grave. C'est particulièrement le cas à Kaboul ouest où de nombreux réfugiés s'installent et où la Force internationale d'assistance à la sécurité est moins présente sur le terrain et a moins d'impact, a souligné Amnesty International. L'Afghanistan n'est pas dans une situation d'après-guerre et il n’y a pas d'état de droit.» XIV-20.836-5/7 (http://www.amnestyintemational.be/doc/article2236.html) Qu'en outre si l'on devait admettre -quod non- comme le prétend la partie adverse que Kaboul serait la ville la plus sure d'Afghanistan, on ne serait pour autant conclure que l'Afghanistan serait un pays sûr de sorte que les requérants puissent s'y rendre sans craindre pour leur sécurité ou celle de leurs enfants ; Que l'absence des Talibans à Kaboul, n'est pas de nature à dissiper le risque de poursuite dans le chef des requérants dans la mesure où la dernière détention du requérant a été effectuée dans les prisons des Mudjahedines. Que les requérants ont fourni un récit particulièrement étoffé et cohérent et ont exposé leurs craintes pour leur sécurité; Que l'acte entrepris méconnaît ainsi les règles visées au moyen et doit dès lors être annulé par Votre haute juridiction; que la décision prise à l'égard de la requérante, par identité de motifs à celle qui concerne son conjoint, doit, pour la même raison, également être annulée.”; 3.2.
  6. Overwegende dat het enig middel een uitgebreide kritiek bevat op de beoordeling van de feiten en er derhalve in wezen toe strekt de beoordeling van de feitenrechter in verband met de geloofwaardigheid van de verzoekende partijen, hun asielrelaas en de toestand in hun land en streek van herkomst te laten overdoen, hetgeen evenwel buiten de bevoegdheid van de Raad van State valt; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat, gelet op de gemaakte vaststellingen in de bestreden beslissingen, niet kan worden besloten dat deze beslissingen behept zijn met een manifeste appreciatiefout; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  7. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. De zaken G/A. 156.421/XIV-20.836 en 158.269/XIV-21.349 worden gevoegd. Artikel
  9. De beroepen worden verworpen. Artikel
  10. XIV-20.836-6/7 De kosten van de beroepen, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een vierde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.836-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.896 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.