← België

Arrest 153899 - - 18/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.899 Rolnummer: A. 161909/XIV-22355 Zaak: Arrest 153899 - - 18/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 08:27 Fiche Arrest nr 153.899 van 18 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.899 van 18 januari 2006 in de zaak A. 161.909/XIV-22.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat V. CASSIERS, kantoor houdende te 1180 BRUSSEL, Hamoirlaan 11 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 21 april 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 18 maart 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 10 mei 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. CASSIERS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-22.355-1/23 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert : “ENIG MIDDEL : genomen uit de schending van artikel 149 van de Grondwet, de schending van artikelen 48, 57/22 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende cie toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ("de vreemdelingenwet"), de schending van het principe van behoorlijk bestuur, het plicht om met fair play te handelen, het zorgvuldigheidsbeginsel en kennelijke foutieve beoordeling.
  4. Doordat, EERSTE ONDERDEEL, de bestreden beslissing van de VBC aan de bevestiging van de beslissing (feiten, motivering en besluit) van de CGVS zich beperkt; de bestreden beslissing op zogenaamde tegenstrijdigheden steunt die redelijkerwijs verklaarbaar zijn en die niet met zekerheid rechtvaardigen dat de verzoeker de hoedanigheid van vluchteling niet heeft in de zin van de recht- spraak van de Raad van State en bij gebreke aan een duidelijk onderzoek naar de ware toedracht van de zaak onvoldoende is gemotiveerd. De feiten zijn een essentieel element in het behandeling van een asielaanvraag omdat het relaas van de asielaanvrager aan de basis van zijn asielaanvraag ligt. Het relaas van de feiten is dus ook de meeste belangrijk element van de motivering van de bestreden beslissing. De feiten aan de basis van de bestreden beslissing worden woord voor woord aan de beslissing van de CGVS hernomen (stukken 1 en 4). De feiten zijn cursief geschreven en tussen aanhalingsteken gezet. De VBC vermeldt duidelijk dat zij de beslissing van CGVS kopieert omdat "de beslissing [van de CGVS] reeds uitvoerig inging op de tegenstrijdigheden met betrekking tot het aanta(a)l ontvoeringen waarvan [de verzoeker] het slachtoffer werd" (stuk 1, p. 3), De VBC heeft de feiten - die aan de basis van de asielaanvraag van de verzoeker liggen niet onderzocht en heeft het relaas van de verzoeker zoals onjuist in de beslissing van de CGVS beschreven, hernomen. De CGVS had de verklaringen van de verzoeker op de Dienst vreemdelingenzaken ("DVZ") in 2000 met de verklaringen van de verzoeker op de CGVS in 2004 - vier jaar later en dus ook tien jaar na de oudste feiten, in 1995 - vergeleken (stuk 4). In zijn beslissing, had de CGVS vastgesteld dat de verklaringen van de verzoeker op de CGVS meer volledig dan zijn verklaringen op de DVZ waren. Op grond van de verschillen tussen de twee verklaringen van de verzoeker, had de CGVS besloten dat de verklaringen van de verzoeker tegenstrijdig waren wat verzoeker altijd betwist heeft. De zogenaamde tegenstrijdig karakter van de verklaringen van de verzoeker was de enig motief van de beslissing van de CGVS. Tegen de beslissing van de CGVS, heeft de verzoeker een geschreven beroep bij de VBC ingediend. In zijn beroep, heeft de verzoeker de presentatie van zijn verklaringen door de beslissing van de CGVS ernstig geprotesteerd (stuk 3). In zijn beroep bij de VBC, heeft de verzoeker vastgesteld dat "de interviewer van de Verzoeker bij de Commissariaat Generaal heel haast had om de interview te beëindigen en niet het noodzakelijke tijd heeft genomen om het verhaal van de Verzoeker - die sinds vier jaar de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling aanvraagt - volledig en correct te horen en te begrijpen" (stuk 3). Ter staving van zijn beroep en teneinde het gebrek van de CGVS aan een duidelijk onderzoek naar de ware toedracht van de zaak vast te stellen, heeft de verzoeker, in zijn beroep bij de VBC, uitdrukkelijk onderstrepen dat de beslissing van de CGVS XIV-22.355-2/23 tegenstrijdigheden van de Commissaris Generaal bevatte. Zo, heeft de verzoeker verklaard dat : "Inderdaad, beweert de Commissaris Generaal in de betwiste beslissing dat : ‘kan eveneens zeer ernstig getwijfeld worden aan de oprechtheid van uw engagement ten aanzien van de UKPNP in België’, Toch, beweert de Commissaris Generaal ook in de betwiste beslissing, op dezelfde pagina, dat :'De door u voorgelegde documenten (namelijk....) zijn niet in staat bovenstaande appreciatie in positieve zin om te buigen, daar deze enkel u lidmaatschap en u activiteiten bij de UKPNP in België bevestigen' (wij onderstrepen); Deze twee bovenvermelde beweringen zijn manifest tegenstrijdig" (stukken 3 en 4) Voor de goede orde en zonder de feiten door de Raad van State proberen te laten oordelen, wil de verzoeker hier een toelichting wat betreft de zogenaamde tegenstrijdig- heden brengen. De zogenaamde tegenstrijdigheden betreffen het aantaal (aantal) ontvoeringen waarvan de verzoeker slachtoffer in Pakistan was. Volgens de CGVS, zou de verzoeker hebben verklaard op de DVZ dat hij tweemaal werd, ontvoerd; en op de CGVS dat hij acht tot tien maal werd ontvoerd wat tegenstrijdig verklaringen zou zijn. Deze presentatie van de feiten - door de VBC, woord voor woord, hernomen - stemt niet met de werkelijkheid overeen. De verzoeker werd meermaals van zijn vrijheid door de geheime diensten van Pakistan illegaal beroofd. De geheime diensten van Pakistan hebben meermaals de verzoeker ontvoerd teneinde hem te kunnen ondervragen of zonder expliciet motief. De verzoeker werd twee keer in een kamp van de geheime diensten gevangene. De verzoeker werd ook meermaals, regelmatig, door de geheime diensten van Pakistan aanvoert en hij werd in een afgezonderd plaats - dat hij niet vrij kon verlaten - tegen zijn wil onthouden. Kashmir is een plattelandsgebied waar er vele ruimte is en waar het gemakkelijk is om een geïsoleerde plaats te vinden om iemand te ondervragen en tegen zijn wil onthouden. Daarom werden de geheime diensten niet systematisch verplicht om de verzoeker in hun speciaal kamp te detineren. De verzoeker werd door de geheime diensten van Pakistan in een instabel staat geplaatst waar hij vrij, of gedetineerd, of gezocht, of ondervraagd, of gevolgd... kon zijn. Dit context en deze feiten zijn een vervolging in de zin van de Conventie van Genève van
  5. De presentatie van het relaas van de verzoeker in de beslissing van de CGVS en ook in de beslissing van de VBC is dus helemaal verkeerd. Het relaas van de verzoeker is meer ingewikkeld en kan niet worden begrepen in een simpel oppositie tussen "vrij" en "ontvoerd". De verzoeker was niet een vrij activist van de UKPNP die enkel op een aantaal (aantal) bepaalde en precies momenten werd ontvoerd. De vervolging van de verzoeker werd door herhaaldelijk illegale daden en indringringen van de geheime diensten van Pakistan gevormd. Ter staving van zijn ingewikkeld relaas en teneinde de VBC te laten begrijpen waarover spraak was, heeft de verzoeker aan zijn beroep bij de VBC, het verslag van de Heer Beersmans gevoegd (stuk 13, annex l). In zijn verslag, verklaar de Heer Beersmans zijn arrestatie door de geheime diensten van Pakistan als volgt : "
  6. On 18 July 1995 I went to HAJIRA (a small town at more than 10 km from the line of control) where I had a very interesting meeting with the Bar Association and the Judges of the Court (see also Par
  7. Q). After these meetings the intention was to go to ABAS PUR. As I was not sure if this village was located within or without the 10 km security zone along the line of control, I went to the Police Station in HAJ1RA explained that I had the autorisation of the Prime - Minister of AZAD KASHMIR and the Ministry of Foreign Affairs to visit AZAD KASHMIR, except of a zone of 10 km along the line of control and wanted to obtain a decisive answer in order not to violate this restriction. The constable was not sure and he had to contact his superiors. I told him that I didn't want to create problems and that, in case of the slightest doubt, I wouldn't go to ABAS PUR and visit other places not within the 10 km security zone. I was told that I couldn't leave the Police Station and had to wait. Than I was interrogated consecutively by 3 different persons in civilian dress (“Shalwar kameez”) who didn't introduce themselves. They didn't give any XIV-22.355-3/23 explanation and when I asked if I was arrested the answer was negative but on the other hand I was not allowed to leave the Police Station. This interrogation/ intimidation (the same questions were always repeated: “Who are you?”, “What are you doing here?”, “since when are you in AZAD KASHMIR?”, “how did you come here?”, “Where did you stay and what places did you visit?”, “Whom did you meet and what did the say to you?”, “What did you do?”,, ........ As they saw in my passport the visa of my visit to INDIA in November 1994: “What did you do in INDIA?", 'Who did you meet there?", "how is the situation there?", ...........) went on for a couple of hours after which I was "evacuated" tinder 'protection" by a "civilian " to RAWALAKOT.
  8. In RAWALAKOT I was dropped in a building where it all started again from the beginning. I was again interrogated consecutively, this time by 5 different persons in civilian dress who didn't introduce themselves. They came in and out, asked again and again the same questions (see Par 4.), took my passport, went out with it, came back and returned it to me, asked my passport again, and this went on for a couple of hours. I told them that I was a guest of the Government of PAKISTAN and the Prime - Minister of AZAD KASHMIR, that they could contact the Ministry of Foreign Affairs in ISLAMABAD and the Office of the Prime - Minister in MLIZAFFARABAD All in vain. At about 6.30 PM a man came in and said You come with me, now you are in good hands and you are free like a bird". I came to know that he was the Deputy Chief of Police of RAWALAKOT. He took me to his home and asked me about my intentions. I told him there were two solutions: First solution: I continue my visit to AZAD KASHMIR as authorised by the Prime - Minister; in this case 1 wanted to return to my host in TRARKHEL; Second solution. If the first solution was not allowed, I cut short my visit to AZAD KASHMIR and return to ISLAMABAD. After some hesitation I was allowed to return to TRARKHEL where I arrived at about 8.30 PM.
  9. I thought that this detention was over, but it wasn't. Under a thunderstorm and a heavy monsoon shower, in the middle of the night, at about 2 AM I was woken up by knocking at the door of my bedroom: one constable and two "civilians" wanted to see me. After an interrogation of about 30 minutes I was allowed to return to bed. The constable stayed in front of my bedroom.
  10. Under these circumstances it was not possible to make a “free visit” of AZAD KASHMIR as authorised by the Prime - Minister and the Ministry of Foreign Affairs. Next morning (19 July 1995) I decided to return to ISLAMABAD; but also this was a problem. First I had to pass through an interrogation of about one hour at the Police Station in TRARKHEL; than I was taken to the same building in RAWALAKOT where I went through another session of interroga- tion/examination/intimidation (on both occasions again the same questions)." (stuk 13, annex 1). Vrije vertaling: "Op 18 Juli 1995, ging ik naar HAJIRA (een kleine stad bij meer dan 10 km van de lijn van controle) waar ik een zeer interessante vergadering met de Vereniging van de Balie en de Rechters van het Hof had (zie ook Par.
  11. Q.). Na deze vergaderingen de bedoeling was naar ABAS PUR te gaan. Aangezien ik niet zeker was als dit dorp binnen of buiten de streek van de 10 km veiligheidszone bij de lijn van controle werd gevestigd, ging ik naar de Politiekantoor in HAJIRA, verklaarde ik dat ik de vergunning van Eerste - Minister van AZAD KASHMIR en het Ministerie van Buitenlandse zaken had om AZAD KASHMIR te bezoeken, behalve van een streek van 10 km bij de lijn van controle en dat ik een beslissend antwoord wilde verkrijgen om deze beperking niet te overtreden. De beambte was niet zeker en hij moest zijn hoger contacteren. Ik vertelde hem dat ik geen problemen wilde tot stand brengen en dat, in het geval van de lichtste twijfel, ik niet naar ABAS PUR zou gaan en andere plaatsen niet binnen de streek van de 10 km veiligheid ZOU bezoeken. Ik werd verteld dat ik niet de Politiekantoor kon verlaten en moest wachten. Dan werd ik ondervraagd achtereenvolgens door 3 verschillende personen in burgerlijke kleding ("shalwar kameez”) die zich niet voorstelden. Zij gaven geen verklaring en toen ik vroeg of werd ik gearresteerd het antwoord was negatief XIV-22.355-4/23 maar enerzijds mocht ik niet de Politiekantoor niet verlaten. Deze ondervra- ging/intimidatie (de zelfde vragen werden altijd herhaald: “Wie bent u?”, “Waarom bent u hier ?”, "Sinds wanneer bent u in AZAD KASHMIR?", "hoe kwam u hier?", 'Waar bent u gebleven en welke plaatsen hebt U bezochten?", “wie hebt u ontmoet en wat hebben ze aan u gezegd? “Wat hebt u gedaan?”. Aangezien zij in mijn paspoort het visum van mijn bezoek aan INDIA in November 1994 zagen: “Wat deed u in INDIA?”, “Wie hebt u daar ontmoet?", "hoe is de situatie daar?",...) ging voor een paar uren waarna werd ik "geëvacu- eerd" onder "bescherming"door een "burger"naar RAWALAKOT
  12. In RAWALAKOT werd ik gelaten in een gebouw waar het opnieuw van het begin begon. Ik werd opnieuw achtereenvolgens ondervraagd, dit keer door 5 verschillende personen in burgerlijke kleding die zich niet voorstelden. Zij ging uit en binnen en, opnieuw vroegen en opnieuw de zelfde vragen (zie Par 4.), zij hebben mijn paspoort genomen, gingen met het weg, kwamen terug en gaven het aan me terug, vroegen mijn paspoort opnieuw, en dit ging voor een paar uren. Ik vertelde hen dat ik een gast van de Regering van PAKISTAN en de Eerste Minister van AZAD KASHMIR, dat zij het Ministerie van Buitenlandse zaken in ISLAMABAD en het Bureau van Eerste Minister in MUZAFFARABAD konden contacteren... Allen vergeefs. Bij ongeveer 6,30 PM kwam een man binnen en zei "u komt met mij, nu bent u in goede handen en u bent vrij als een vogel....". Ik heb later vernomen dat hij de Directeur van de Politie van RAWALAKOT was. Hij nam me aan zijn huis en vroeg me over mijn bedoeling- en. Ik vertelde hem dat er twee oplossingen waren: Eerste oplossing: Ik zet mijn bezoek aan AZAD KASHMIR voort zoals die door Eerste - Minister wordt gemachtigd,- in dit geval dat ik bij mijn gastheer in TRARKHEL wilde terugkeren; Tweede oplossing: Als de eerste oplossing niet werd toegestaan, sneed ik kort mijn bezoek aan AZAD KASHMIR en ik ga te ISLAMABAD terug. Na wat aarzeling mocht ik te TRARKHEL terugkeren waar ik ongeveer te 8,30 PM aankwam.
  13. Ik dacht dat deze detentie over was, maar het was niet. Onder een onweersbui en zware moesson, in het midden van de nacht, bij ongeveer 2 AM, was ik ontwaakt door kloppen bij de deur van mijn slaapkamer één beambte en twee "burgers" wilden me zien. Na een ondervraging van ongeveer 30 minuten mocht ik in mijn bed terugkeren. De beambte bleef voor mijn slaapkamer. In deze omstandigheden was het niet mogelijk om een “Vrij bezoek” van AZAD KASHMIR af te leggen zoals gemachtigd door Eerste - Minister en het Ministerie van Buitenlandse zaken. Volgende ochtend (19 Juli 1995) besliste ik naar ISLAMABAD terug te keren; maar ook was dit een probleem. Eerst moest ik door een ondervraging van ongeveer één uur bij de Politiekantoor in TRARKHEL overgaan; dan werd ik genomen aan het zelfde gebouw in RAWALAKOT waar ik door een andere zitting van ondervraging/onderzoek/intimidatie ging (bij beide gelegenheden opnieuw de zelfde vragen). " Dit stuk van de verzoeker in het kader van zijn beroep bij de VBC klaarblijkelijk bewijs dat de staat van vervolging - die door de geheime diensten van Pakistan wordt gecreëerd - verward is. Weet de Heer Beersmans welke zijn de reden van zijn arrestatie ? Zou hij het moeten weten ? Is hij in het bezit van een bewijs van zijn arrestatie ? Zou hij in het bezit van een bewijs moeten zijn ? Werd de Heer Beersmans eenmaal gearresteerd ofwel moeten de verschillende verplaatsingen van de Heer Beersmans (sommige verplaatsingen vrij werden gedaan) als vier arrestaties worden beschouwd ofwel werd de Heer Beersmans helemaal niet gearresteerd maar alleen aan een regelmatig politiecontrole onderworpen ? Indien de Heer Beersmans zijn verhaal had moeten in 2000 vertellen en daarna, vier jaar later, in 2004 opnieuw vertellen, zou het niet gemakkelijk zijn om een zogenaam- de vergelijking tussen de twee relaas te bewerken teneinde zogenaamde "tegenstrijdigheden" vast te stellen ? De hier bovenvermelde verwarring is een element van de vervolging en maakt het moeilijk om de vervolging volledig en correct te begrijpen en klaar te presenteren. In deze omstandigheden, is een onderzoek naar de ware toedracht XIV-22.355-5/23 van de zaak meer dan ooit nodig om de asielaanvraag van de verzoeker te kunnen handelen. In de bestreden beslissing van de VBC, is er geen melding van het verslag van de Heer Heersmans (stuk 7 van het beroep van de verzoeker bij de VBC, stuk 13 in het kader van dit beroep) noch van zijn invloed over de onderzoek naar de feiten gedaan. Ter zitting bij de VBC, poogde nog de verzoeker zijn relaas toe te lichten. De gematigde van, de voorzitter van de VBC weigerde om de verklaringen van de verzoeker te horen. De raadsman van de verzoeker was aanwezig op de zitting en kan ervan getuigen. De voorzitter heeft aan de verzoeker de vraag gesteld : "Werd u tweemaal of acht a tien maal ontvoerde?". De verzoeker begon zijn antwoord: "De zaak is meer ingewikkeld...". De gematigde van de voorzitter heeft onmiddellijk de verzoeker onderbroken en heeft verklaard : "de verzoeker weigert om op de vraag te antwoorden". Duur van de dialoog: 1 minuut. De gematigde heeft zijn vraag niet opnieuw gesteld; zij wilde alleen “tweemaal” of "acht á tien maal” als antwoord horen. De verzoeker kon dit "zwart of wit" antwoord niet geven omdat dit soort antwoord met de werkelijkheid van de feiten niet kan overeenstemmen. De verzoeker kon zich niet uitleggen. Er was geen dialoog en geen onderzoek. De "zwart of wit" vraag van de gematigde was het enige (project van) onderzoek van de feiten dat door de VBC werd gedaan. Zo'n gedrag van de VBC is een frontaal schending van zijn plicht om met fair-play te handelen. De VBC heeft de zaak niet onderzocht. Meer, weigerde de gematigde ter zitting de zaak te onderzoeken. De VBC heeft simpel de verkeerde feitenrelaas van de CGVS hernomen want ''de beslissing [van de CGVS] reeds uitvoerig inging op de tegenstrijdigheden met betrekking tot het aantaal (aantal) ontvoeringen waarvan [de verzoeker] het slachtoffer werd” (stuk 1, p. 3). De VBC heeft zich beperkt om de bestreden beslissing van de CGVS, zonder eigen onderzoek, te bevestigen. TERWIJL, de VBC de zaak opnieuw moest onderzoeken. In een gelijksoortig zaak, heeft de Raad van State al onderstrepen dat “de Vaste Beroepscommissie haar beslissing motiveerde door te verwijzen naar de beslissing van de Commissaris-generaal, waarin uitvoerig werd ingegaan op de contraditorische en leugenachtige van de verzoeker; ( ... ) de Vaste Beroeps- commissie voor vluchtelingen verplicht is de zaak opnieuw te onderzoeken; dat haar beslissing genoegzaam moet doen blijken waarom de asielaanvraag wordt verworpen; dat deze motivering de Raad van State moet toelaten de beslissing op haar regelmatigheid te toetsen; dat in het voorliggende geval de Vaste Beroepscommissie de motieven die aan de afwijzende beslissing van de Commissaris-generaal ten grondslag lagen niet overnam: dat uit de loutere verwijzing in de aanhef van haar beslissing naar de uitspraak n quo van de Commissaris-generaal men niet kan afleiden dat de Commissie de door de Commissaris-generaal aangevoerde redenen tot verwerping van de aanvraag tot de hare heeft gemaakt; dat de gemotiveerde beslissing van de Commissaris- generaal dan ook niet kan worden ingeroepen om de beslissing van de Vaste Beroepscommissie te verantwoorden; dat om verzoekers aanvraag te verwerpen de Vaste Beroepscommissie zich ertoe beperkte te overwegen dat het bewijs van een vrees voor vervolging niet was geleverd; dat deze motivering zodanig vaag en algemeen is dat ze de Raad van State niet toelaat na te gaan of de Commissie haar opdracht naar behoren heeft vervuld; dat voorts de motivering van de aangevochten beslissing te summier is eensdeels om na te gaan of de door verzoeker afgelegde verklaringen en voorgebrachte stukken in aanmerking werden genomen en anderdeels om de redenen waarom met zijn betoog geen rekening is gehouden op hun wettigheid te toetsen; dat de in volstrekt algemene bewoordingen gestelde motivering het niet mogelijk maakt uit te maken of verzoekers aanvraag om al dan niet rechtens verantwoorde motieven werd afgewezen; dat de bestreden beslissing niet genoegzaam met redenen omkleed is; dat in zoverre het middel gegrond is." (R.v.St., 29 juli 1998, arrest nr. 75.485 ). XIV-22.355-6/23 De Raad van State heeft reeds op de plicht tot motivatie en tot onderzoek van de VBC in zijn arrest van 22 mei 1997 gewezen: Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de grond van de zaak moet onderzoeken; dat uit haar beslissing genoegzaam moet blijken waarom de aanvraag om erkenning van de hoedanigheid van vluchteling wordt geweigerd; dat te dezen de Vaste Beroepscommissie verwijst naar de gemotiveer- de beslissing van de Commissaris-generaal en voorts zich enkel steunt op de overweging dat geen nieuwe bewijselementen werden aangebracht; dat in de bestreden beslissing niet wordt aangegeven waarom de eerdere ten overstaan van de Commissaris-generaal afgelegde verklaringen en voorgebrachte stukken niet in aanmerking konden worden genomen; dat aldus uit de redengeving van de bestreden beslissing niet genoegzaam blijkt waarom de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling wordt geweigerd; dat; de bestreden beslissing niet naar behoren is gemotiveerd; dat het middel gegrond is". (R.v.St., 22 mei 1997, arrest nr. 66.370). De plicht van de VBC om de asielaanvraag opnieuw te onderzoeken wordt versterkt in de gevallen waar, zoals in casu, de beslissing van de CGVS tegenstrijdigheden van de CGVS. Zelf bevat en klaarblijkelijk niet geldig is. Er werd hierboven vastgesteld dat de CGVS de asielaanvraag van de verzoeker niet correct had onderzocht en dat de beslissing van de CGVS tegenstrijdigheden van CGVS betreffende de politieke activiteiten van de verzoeker bevatte. Er werd eveneens hierboven vastgesteld dat de CGVS had verklaard dat de vergelijking van de verhalen die door de verzoeker bij de CGVS en bij de DVZ werden geleverd, tegenstrijdigheden zouden laten blijken terwijl in feite het relaas van de verzoeker bij CGVS alleen vollediger was dan het relaas dat bij de DVZ werd geleverd. Daaruit volgt dat de beslissing van CGVS klaarblijkelijk niet geldig was. Inderdaad, heeft de Raad van State, wat betreft zogenaamde "tegenstrijdigheden", al onderstrepen dat : "Considérant, quant au premier point, que la requérante ne conteste pas l'existence des contradictions relevées par la décision attaquée; qu'elle explique toutefois dans le recours urgent qu'à l'Office des Etrangers, elle n'a pas eu le courage de parier de certains faits qu'elle avait subis; que même si un candidat réfugié est en principe tenu de faire entièrement confiance aux autorités du pays dont il sollicite la protection, il ne peut raisonnablement être reproché à la requérante d'avoir été moins précise lors de l'interview à l’Office des Etrangers qu'au cours des étapes ultérieures de la procédure, ne serait-ce qu'en raison de la brièveté de cet interview, et qu'il est naturel qu'elle ait à ce moment tu ce dont elle avait le plus de réticences à parler; que ces circonstances sont de nature à expliquer les quatre premières contradictions relevées; qu'en ce qui concerne la dernière, au sujet de laquelle la demande de suspension ne propose aucune explication, il convient de relever que l'existence même de la condamnation du frère de la requérante n'est pas douteuse, et que l'erreur quant à la durée de la condamnation assortie de sursis porte sur une question de détail relative à la situation d'une personne autre que la requérante." (R.v.St., l ste oktober 2001, arrest nr. 99.324). Vrije vertaling: "Overwegende dat, wat het eerste punt betreft, dat de verzoekster het bestaan van de tegenstrijdigheden die door de aangevochten beslissing worden vastgesteld niet betwist; dat zij echter in het dringende beroep uitlegt dat aan bij de Dienst Vreemdelingenzaken, zij de moed niet heeft gehad om over bepaalde feiten te spreken die zij had ondergaan; dat zelfs wanneer een gevluchte kandidaat in principe verplicht is om een volledig vertrouwen in de autoriteiten van het land waarvan hij de bescherming verzoekt te hebben, kan er niet redelijkerwijs aan de verzoekster verweten worden om minder nauwkeurig geweest te zijn bij het interview aan de Dienst Vreemdelingenzaken dan tijdens de latere stappen van de procedure, zou het slechts door de kortstondigheid van dit interview zijn, en dat het natuurlijk is dat zij op dit ogenblik zij het die heeft zij had meer dan terughoudendheid om te spreken; dat deze omstandigheden de vier eerste vastgestelde tegenstrijdigheden kunnen uitleggen; dat wat de laatste betreft, over die de vraag van opschorting geen enkele verklaring voorstelt, is er op gewezen XIV-22.355-7/23 dat het bestaan zelfs van de veroordeling van de broer van de verzoekster niet twijfelachtig is, en dat de fout wat de duur van de veroordeling betreft op een detail element betreffende de situatie van een andere persoon dan de verzoekster betrekking heeft." De Raad van State heeft nog eraan herinnerd dat: “que dès lors, de la seule circonstance que les déclarations faites par le demandeur au Commissariat général comportent des éléments qui ne figurent pas dans le rapport d'audition à l'Office des étrangers, le Commissaire général adjoint ne pouvait, sans méconnaître les dispositions légales visées au moyen ni commettre d'erreur manifeste d'appréciation, en déduire qu'il s'agissait d'incohérences entre les deux récits." (R.v.St., 25 oktober 2001, arrest nr. 100.275). Vrije vertaling : “dat derhalve, van de enige omstandigheid dat de verklaringen die door de aanvrager aan het Commissariaat Generaal worden afgelegd, elementen omvatten die niet in het verslag van de zitting op het Dienst Vreemdelingenzaken werden geschreven, de adjunct commissaris generaal, zonder de wettelijke beschikkingen die in het middel worden vermeld te miskennen, noch zonder een duidelijke beoordelingsfout begaan, niet kon erover afleiden dat er om tegenstrijdigheden tussen beide verhalen ging.” Volgens de constante rechtspraak van de Raad van State, werd de beslissing van de CGVS niet correct gemotiveerd en was dus niet geldig. Daaruit volgt dat de beslissing van de VBC evenmin juist wordt gemotiveerd en dus niet geldig is omdat de VBC alleen de beslissing van , de CGVS heeft gekopieerd en bevestigd zonder een duidelijk onderzoek betreffende de ware toedracht van de zaak uit te voeren. De VBC kon niet als vastgesteld houden de presentatie van de feiten die door de CGVS werd gedaan zonder de wettelijke beschikkingen te schenden die in het middel worden vermeld. Inderdaad, heeft de Raad van State reeds onderstrepen dat : "la décision attaquée ne répond pas aux exigences de l'obligation de motivation formelle dans la mesure où elle se réfère simplement à un avis qui ne répond lui même pas à ces exigences; que la première branche du moyen unique est sérieuse, en ce qu'elle invoque une violation de l'obligation de motivation formelle." (R.v.St., 2 oktober 2001, arrest nr. 99.353) Vrije vertaling: “de bestreden beslissing beantwoordt niet aan de eisen van de verplichting tot formele motivatie in zoverre zij enkel naar een advies verwijst dat zelf aan deze eisen niet beantwoordt; dat de eerste onderdeel van het enige middel ernstig is, doordat zij een overtreding van de verplichting tot formele motivatie aanvoert." Dit middel wordt nog versterkt door het feit dat de verzoeker formeel de presentatie van de feiten door de CGVS heeft betwist (stuk 3); dat hij zijn presentatie van de feiten - die hijzelf persoonlijk heeft gekend - naar voren heeft gebracht dat de VBC heeft geweigerd om zijn verhaal te horen. De verzoeker heeft zijn presentatie van de feiten door verschillende overtuigend stukken gesteund (stuk 3; stukken 6-21) waarvan de VBC geen enkele rekening heeft gehouden. De beslissing van de VBC vermeldt niet de presentatie van de feiten van de verzoeker en geeft in geen geval aan waarom zij niet deze presentatie vermeldt en het impliciet verwerpt. Bovendien, geeft de beslissing van de VBC niet aan waarom zij niet van de stukken van de verzoeker rekening houdt terwijl deze stukken de nauwkeurigheid van het verhaal van de verzoeker vaststellen. De beslissing van VBC moet dus vernietigd worden. Bovendien wijst de Raad van State op het feit dat: "les contradictions et incohérences relevées par l'autorité compétente doivent être d'une importance telle qu'elles ne sont pas raisonnablement explicables et qu'elles justifient avec certitude que le demandeur d'asile n'a pas la qualité de réfugié." (R.v.St., 25 oktober 2001, arrest nr. 100.275). Vrije vertaling: "de tegenstrijdigheden en de incoherenties dat de bevoegde overheid doet opmerken moeten van een zo grote belang zijn dat zij niet redelijkerwijs verklaarbaar zijn en dat zij met zekerheid rechtvaardigen dat de asielaanvrager de hoedanigheid van vluchteling niet heeft. " XIV-22.355-8/23 In het onderhavige geval, betreffen de zogenaamde tegenstrijdigheden slechts bijzonderheden zoals, bijvoorbeeld, het aantal personen die met de verzoeker werden ontvoerd. De verzoeker zal hieronder aantonen dat de VBC toegeeft dat de eiser een politieke activist in Kashmir en België is en dat de Pakistaanse overheid de politieke activisten vervolgt die, naar het voorbeeld van de verzoeker, de onafhankelijkheid van Kashmir verzoeken. Het is dus nodig om te benadrukken dat de verzoeker geen enkel belang bij had om het aantal ontvoeringen te overdrijven waarvan hij slachtoffer is geweest om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling te kunnen verkrijgen. De twee ernstigste ontvoeringen waarvan hij slachtoffer is geweest - en die bij zijn politiek activisme voor de onafhankelijkheid van Kashmir zowel in zijn land van herkomst als in België komen, welke activisme uitdrukkelijk door de VBC in de bestreden wordt erkend voldeden opdat hij de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling kon verkrijgen alsmede, de positieve beslissing uitsproken door VBC in een gelijksoortig geval (ref.: 01-1216/E452) erover getuigt. De VBC kan dus niet van mening zijn dat de tegenstrijdigheden die door CGVS werden vermeld "met zekerheid rechtvaardigen dat de asielaanvrager de hoedanigheid van vluchteling niet heeft”, integendeel. De zogenaamde tegenstrijdigheden hebben derhalve weinig invloed op de grond van de zaak. Bovendien zijn zij "redelijkerwijs verklaarbaar" en zij zijn ook door de verzoeker verklaard. De verzoeker stuurt terug aan wat hierboven met betrekking tot de context van de vervolgingen werd uiteengezet waarvan hij het onderwerp in zijn land van herkomst is geweest, en in het bijzonder aan het verslag van de Heer Paul Beersmans (stuk 13, annex 1). De verzoeker heeft dus de zogenaamde tegenstrijdighe- den verklaard. De zogenaamde tegenstrijdigheden vermeld door de CGVS en gekopieerd zonder onderzoek door de VBC kunnen eveneens door de context van de hoorzitting aan de CGVS verklaard worden. De verzoeker heeft zijn asielaanvraag in juni 2000 ingediend en een ontvankelijkheidsbeslissing van de DVZ in juli 2000 verkregen (stuk 4). Het is slechts vier jaar later, in april 2004, dat de CGVS het relaas van de verzoeker heeft gehoord en een beslissing heeft genomen (stuk 4). Op het moment van de hoorzitting aan de CGVS, is het mogelijk dat de verzoeker zijn relaas op een weinig precieze wijze heeft gepresenteerd en heeft de nadruk gelegd op de vervolgingen waarvan hij het onderwerp in zijn land van herkomst was geweest. De duidelijkheid van het relaas van de verzoeker werd noodzakelijkerwijs door het lange duur van zijn wachttijd van vier jaar (2000-2004) verminderd. De verzoeker wijst op het feit dat zijn relaas met gebeurtenissen betrekking heeft die in 1995, 1996... - dat wil zeggen bijna 10 jaar vóór de datum van de hoorzitting aan de CGVS - hebben plaatsgevonden. In deze omstandigheden, kan men redelijkerwijs van de verzoeker niet verwachten dat hij zich van de kleinste detailselementen van de gebeurtenissen zou herinneren. Wat deed u tien jaar geleden op dezelfde datum; met wie; waar; waarom; hoeveel personen werden aanwezig; om welk uur... ? Anderzijds in 2004, bij de hoorzitting aan de CGVS, wachtte de verzoeker sinds 4 jaar om zijn asielaanvraag te kunnen uitleggen terwijl hij zich in een precaire situatie in België bevond dat het met name verhinderde hem om te reizen en dat derhalve zijn politieke activiteiten belemmerde. De verzoeker moet een stabel administratief statuut hebben dat hem toelaat om zich in het buitenland te verplaatsen en om politieke verantwoordelijken te ontmoeten geschikt om zijn politiek doel te steunen, om aan seminaries te kunnen deelnemen, om manifestaties te organiseren, om aan officiële vergaderingen (bijvoorbeeld aan de Verenigde Natie te Geneve, stuk 12) zich kunnen uitspreken.... De verzoeker wijst meteen al erop dat gedurende dit periode van vier jaar, hij niet inactief is gebleven. hij heeft twee maal formeel gevraagd om door de CGVS gehoord te worden. Zijn aanvragen van hoorzittingen zijn zonder gevolgen gebleven. In deze omstandigheden, heeft de verzoeker, misschien ten onrechte, vermoed dat de administratie niet had begrepen de ernst van zijn situatie en het belangrijke karakter van zijn asielaanvraag. In deze omstandigheden, heeft de verzoeker misschien de nadruk gelegd op de ernst van de vervolgingen waarvan hij het onderwerp was geweest teneinde de aandacht van de Administratie op het gewicht van zijn dossier te trekken en omdat, gezien zijn politiek activisme, gezien de vervolgingen die hij in zijn land van herkomst heeft geleefd en gezien de positieve resultaat van de asielaanvragen ingediend XIV-22.355-9/23 door de andere leden van de UKPNP in het buitenland, hij ervan werd overtuigd dat hij de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling zeker zou verkrijgen. Er blijkt uit wat voorafgaat dat de zogenaamde tegenstrijdigheden die door de CGVS werden vermeld, bijzonderheden betreffen, "redelijkerwijs verklaarbaar" in de zin van de constante rechtspraak van de Raad Van State en zeker geen elementen die "met zekerheid kunnen rechtvaardigen dat de verzoeker de hoedanigheid van vluchteling niet heeft". Deze zogenaamd tegenstrijdigheden zijn geen afdoende motief wat de bestreden weigeringsbeslissing betreft.
  14. Doordat, TWEEDE ONDERDEEL, de bestreden beslissing van de VBC een standaardbeslissing is en bij gebreke aan een duidelijk onderzoek naar de ware toedracht van de zaak onvoldoende is gemotiveerd. In het kader van de voorbereiding van het huidig beroep, heeft de verzoeker de beslissingen van de VBC met betrekking tot de leden van UKPNP gezocht. De eiser heeft vijf beslissingen gevonden. Deze beslissingen worden in bijlage samengevoegd als stukken 31 tot
  15. Al deze dossiers werden door een alleenrechtsprekend lid van de VBC behandelt. Op de zes beslissingen (vijf beslissingen en de bestreden beslissing), één is positief (stuk 32). Het enige opmerkelijke verschil tussen die positieve beslissing en de vijf andere (negatieve) beslissingen is, in het positieve geval, het feit dat de asielaanvrager zijn identiteit aan de hand van zijn originele identiteitskaart had bewezen (stuk 32). In alle gevallen betreffende UKPNP leden, waar de eisers geen originele identiteitskaart aan de VBC had geleverd, heeft VBC een negatieve beslissing uitgesproken. De motivatie van de vijf negatieve beslissingen uitgesproken door de VBC met betrekking tot UKPNP leden is kennelijk een standaardmotivatie: - de VBC kopieert de presentatie van het verhaal van de asielaanvrager door de CGVS; - stelt vast dat de asielaanvrager zijn identiteit niet bewijst; - de VBC kopieert de zogenaamde tegenstrijdigheden die CGVS in het verhaal van de asielaanvrager erop zou gewezen hebben; - de VBC vermeldt bepaalde bewijzen die door de asielaanvrager worden gebracht; - de VBC verklaart dat deze bewijzen geen bewijswaarde hebben; - de VBC benadrukt dat de asielaanvrager bewijzen, in het mate van de mogelijke, moet brengen en vermeld de verwijzingen van de werken van J. C. HATHAWAY en van de gids van de UNHCR; - de VBC stelt vast dat de asielaanvrager geen voldoende bewijs van de zijn relaas levert en verwerpt het asielaanvraag. Men merkt trouwens op dat bepaalde zinnen van de bestreden beslissing de identieke kopie van voorafgaande beslissingen zijn. De volgende zinnen van de beslissing van VBC nummer 04-0832/VV9766 van 17 september 2004, de meeste recente beslissing van de VBC betreffende UKPNP leden (de bestreden beslissing uitgesloten), werden, woord voor woord, in de bestreden beslissing gekopieerd (stuk 31): "Overwegende dat de feiten aan de basis van appelants asielrelaas door de bestreden beslissing als volgt worden samengevat: "Volgens uw verklaringen op het Commissariaat-generaal, hebt u de Pakistaanse nationaliteit en bent u afkomstig uit [NAAM], district Poonch, Azad Kashmir. U hebt uw land van herkomst verlaten op [DATUM].... Overwegende dat appelant zijn reisweg niet bewijst; dat hij niet aantoont wanneer hij het land verlaten heeft, noch wanneer hij in België aankwam; dat hij stelt dat hij in zijn paspoort afgaf aan de begeleider; dat dergelijke verklaring onvoldoende wordt geacht om appelant te ontslaan van de verplichting optimale medewerking te verlenen aan de instanties die zijn asielrelaas beoordelen; dat hij op zijn minst in het bezit moet zijn geweest van een vliegtuigticket, instapkaart of bagageticket waaruit kan blijken met welke vlucht en wanneer hij in [NAAM] is aangekomen; dat hij geen enkel reisbescheiden kan voorleggen en aldus op vrijwillige wijze iedere controle van zijn reisweg onmogelijk maakt .... een negatieve indicatie voor de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas inhoudt... Dat het bewijs van identiteit een essentieel element is in iedere procedure en de appellant in dit verband de stukken waarover hij beschikt of kan beschikken moet voorleggen; dat Pakistaanse onderdanen beschikken over identiteitsdocu- menten, zonder dewelke zij niet officieel kunnen werken, geen rijbewijs kunnen XIV-22.355-10/23 verkrijgen, geen bankrekening kunnen openen, geen paspoort kunnen verkrijgen, niet aan de universiteit worden ingeschreven of kunnen deelnemen aan de verkiezingen; dat dan ook redelijkerwijze kan verwacht worden dat zij het belang van dit identificatiemiddel kennen" dat het ontbreken van ieder begin van bewijs omtrent de identiteit of nationaliteit een negatieve indicatie met betrekking tot zijn asielrelaas inhoudt... Overwegende dat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling een voldoende bewijs kunnen zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (HATHAWAY, J. C., The law of refugee status, Butterworths, Toronto-Vancouver 1991, 84); dat de verklaringen plausibel moeten zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten; dat de bewijslast in beginsel berust bij de kandidaatvluchteling die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas; dat hij bij het ontbreken van dergelijke elementen een aannemelijke verklaring dient te geven; dat het voordeel van de twijfel slechts kan worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, 54),- dat de Vaste Beroeps- commissie niet moet bewijzen dat de feiten onwaar zouden zijn (R. v. St., 19 mei 1993, 43.027); dat appellants [relaas/verklaringen] niet geloofwaardig [is/zijn]; Overwegende dat appellant niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, nationaliteit, godsdienst, het behoren tot een sociale groep of zijn politieke overtuiging in de zin van artikel 1 A

(2)van het Verdrag van Genese van 28 juli 1951." (stukken 1 en 31, wij onderstrepen) Men stelt vast dat de VBC dezelfde zinnen aan dezelfde plaatsen in de bestreden beslissing en in een voorafgaande beslissing betreffende een gelijksoortig geval herneemt. De VBC heeft klaarblijkelijk de motivatie van de beslissing van 17 september 2004 in de motivatie van de bestreden beslissing gekopieerd en enkele elementen (namen, datums ... ) aangepast. In deze omstandigheden, is het vastgesteld dat de VBC een standaardbeslissing heeft uitgesproken en geen eigen duidelijk onderzoek naar de ware toedracht van de zaak heeft uitgevoerd. TERWIJL, de VBC de zaak opnieuw moest onderzoeken. In een gelijksoortig zaak, heeft de Raad van State al onderstrepen dat : "de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verplicht is de zaak opnieuw te onderzoeken" (R.v.St., 29 juli 1998, arrest nr. 75.485). In casu, "om verzoekers aanvraag te verwerpen de Vaste Beroepscommissie zich ertoe beperkte te overwegen dat het bewijs van een vrees voor vervolging niet was geleverd; dat deze motivering zodanig vaag en algemeen is dat ze de Raad van State niet toelaat na te gaan of de Commissie haar opdracht naar behoren heeft vervuld (...) De bestreden beslissing niet genoegzaam met redenen omkleed is; dat in zoverre het middel gegrond is." (R.v.St., 29 juli 1998, arrest nr. 75.485). De Raad van State heeft reeds wat de standaardbeslissingen betreft, onderstrepen dat: "Considérant que l'obligation de motivation formelle, imposée par les disposi- tions légales visés au moyen, a pour but d'informer l'intéressé des motifs de fait et de droit sur la base desquels la décision a été prise, notamment afin qu'il puisse estimer en toute connaissance de cause s'il s'indique d'attaquer cet acte; qu'il s'ensuit que la motivation formelle d'un acte administratif ne peut reposer sur des clauses de style, mais être fonction des éléments invoqués par l'intéressé à l'appui de sa demande." (R. v. St., 2 oktober 2001, arrest nr. 99.353). Vrije vertaling: "Overwegende dat de verplichting tot formele motivatie, die door de wettelijke beschikkingen wordt opgelegd, geviseerd in het middel, ten doel heeft de belanghebbende in kennis te stellen van de redenen van feit en recht op de basis waarvan de beslissing werd genomen, met name opdat hij in alle kennis van oorzaak kan beoordelen of het verstandig wordt om deze bestuurshandeling te betwisten; dat daaruit volgt dat de formele motivatie van een bestuurshandeling op standaardvoorwaarden niet kan berusten, maar afhankelijk van de elementen zijn die door de belanghebbende aan de hand van zijn vraag worden aan- gevoerd." XIV-22.355-11/23 De Raad van State heeft nog de nadruk op deze rechtspraak in zijn arrest van 30 oktober 2002 gelegd: "qu'enfin, le caractère exceptionnel des circonstances alléguées par l'étranger doit être examiné par l'autorité dans chaque cas d'espèce, ce qui implique que la décision qui statue sur la demande doit être motivée et que cette motivation doit refléter la réalité de l'examen; (...) qu'en particulier, les circonstances (...) ne paraissent pas avoir été examinées par la partie adverse, si l'on en juge par la motivation stéréotypée et lacunaire de la décision d'irrecevabilité; (...) qu'il découle de ce qui précède que le premier moyen de la requête est sérieux, en ce qu'il vise une violation de la loi du 29 juillet 1991 sur la motivation formelle des actes administratifs; (. ..) Considérant qu'en l'espèce, la motivation lacunaire et stéréotypée de la décision attaquée ne démontre pas qu'une vérification quelconque aurait été effectuée par la partie adverse." (R.v.St., 30 oktober 2002, arrest nr. 112.059). Vrije vertaling: “dat tenslotte, het uitzonderlijke karakter van de omstandigheden die door de vreemdeling worden aangevoerd, door de overheid in elk geval afgezonderd onderzocht moeten worden, hetgeen impliceert dat de beslissing die zich over de vraag uitspreekt gemotiveerd moet worden en dat deze motivatie de werkelijk- heid van het onderzoek moet weergeven; (...) dat in het bijzonder, de omstandig- heden (...) niet door de tegenpartij schijnen onderzocht te worden, als men door de stereotiep en onvolledig motivatie van de onontvankelijkheidsbeslissing erover oordeelt; (...) dat van wat voorafgaat voortvloeit dat het eerste middel van het verzoek ernstig is, doordat het een schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen viseert; (...) Overwegende dat in het onderhavige geval, de onvolledig en stereotiep motivatie van de bestreden beslissing niet aantoont dat een of ander verificatie door de tegenpartij zou uitgevoerd worden." De VBC heeft de asielaanvraag van de verzoeker niet onderzocht. De motivatie van de bestreden beslissing werd gedeeltelijk van een voorafgaande beslissing gekopieerd. De motivatie is stereotiep. De motivatie is eveneens onvolledig: er is nergens vermelding van bepaalde stukken van de verzoeker gedaan (zie hieronder); er is nergens vermelding van de presentatie van de feiten van de verzoeker gedaan, er is nergens vermelding van de redenen gedaan waarvoor de VBC impliciet de presentatie van de feiten en de stukken van cie verzoeker heeft verworpen. Het middel is gegrond. 17. Doordat, DERDE ONDERDEEL, de bestreden beslissing enerzijds door het ontbreken van een begin van bewijs omtrent de identiteit, de reisweg en het feitenrelaas van de verzoeker gemotiveerd is en, anderzijds, op volkomen onredelijke en fundamenteel verkeerde motieven steunt en bij gebreke aan een duidelijk onderzoek naar de ware toedracht van de zaak onvoldoende is gemotiveerd. Er blijkt uit de vergelijking tussen de positieve beslissing (ref. 01-1216/E452 - stuk 32) en de andere beslissingen van de VBC betreffende UKPNP leden, dat het enige opmerkelijke verschil tussen de vijf negatieve beslissingen en de positieve beslissing het officieel bewijs, van de identiteit van de asielzoeker is. De motieven van de positieve beslissing van de VBC (ref. 01-1216/E452) zijn de volgende: "Overwegende dat appellant zijn identiteit bewijst aan de hand van zijn originele identiteitskaart nr. X van 12 november 1991; Overwegende dat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling een voldoende bewijs kunnen zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk geloofwaardig en eerlijk zijn (J. HATHAWAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 84)., dat zijn verklaringen coherent en plausibel moeten zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten (UNHCR, Guide des Procédures et Critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1979, nr. 205); dat de motieven, waarop de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen zijn beslissing steunt, tijdens het verhoorgesprek ter zitting en aan de hand van bijkomende documenten worden weerlegd; dat de juistheid van alle door appellant aangehaalde feiten niet met zekerheid kan worden vastgesteld, maar dat het voordeel van de twijfel kan worden toegekend (ibid, nr. 203-204); dat appellant documenten voorlegt die zijn verklaringen en XIV-22.355-12/23 zijn vrees bevestigen; dat in het bijzonder verwezen wordt naar de brief van 6 februari 2002 van X, erkend vluchteling en voorzitter in ballingschap van de UKPNP; dat de inhoud van deze brief door de Commissie werd getoetst en tevens werd onderschreven door Amnesty International Vlaanderen bij brief van 14 maart 2002; dat appellant overigens ook in België in een leidinggevende functie binnen de UKPNP politieke activiteiten heeft ontplooid; dat hij aldus de negatieve belangstelling van de Pakistaanse autoriteiten kan hebben opgewekt; dat deze activiteiten niet los kunnen worden gezien van appellants voorgeschie- denis in zijn land van herkomst en er een voortzetting van zijn; dat de actuele Pakistaanse houding ten aanzien van voorstanders van de onafhankelijkheid van Kasjmir, zoals gekend door de Commissie aan de hand van zowel publieke als vertrouwelijke buitenlandse en binnenlandse rapporten, gerelateerd aan appellants relaas, toelaat in hoofde van appellant vrees voor vervolging in de zin van artikel 1 A
(2)van het Verdrag van Geneve van 28juli 1951 in aanmerking te nemen. (stuk 32) Het enige geval waar de VBC de hoedanigheid van vluchteling in het hoofd van een lid van Je UKPNP heeft erkend is die waar de asielzoeker zijn identiteit door middel van een officiële identiteitskaart heeft vastgesteld. Men merkt trouwens op dat zowel de positieve beslissing als de bestreden beslissing, eerst een samenvatting van het verhaal van de verzoeker omvatten - die van de beslissing van de CGVS werd gekopieerd - en net daarna, een commentaar over het bewijs van de identiteit van de asielaanvrager presenteren. In de positieve beslissing, de allereerste woorden van de motivatie van de VBC (de voorafgaande paragrafen zijn ofwel wettelijke formules, ofwel een kopie van de beslissing van de CGVS) op een hoogdravende wijze als volgt worden geuit: "overwegende dat appellant zijn identiteit bewijst aan de hand van zijn originele identiteitskaart nr. X van 12 november 1991" (stuk 32). In de positieve beslissing, vanaf het moment waar de identiteit van de asielaanvrager is vastgesteld, het verhaal wordt aanvaard, de bewijzen worden overtuigend verklaard en de asielaanvrager verkrijgt de hoedanigheid van vluchteling. Het is belangrijk om vast te stellen dat de VBC, in de positieve beslissing besluit om de hoedanigheid van vluchteling in hoofde van de aanvrager te erkennen terwijl zij overweegt “dat de juistheid van alle door appellant, aangehaalde feiten niet met zekerheid kan worden vastgesteld”. De bestreden beslissing van de VBC wordt dus niet door de zogenaamde tegenstrijdigheden van de verzoeker gemotiveerd maar wel door het feit dat hij niet meer in bezit van zijn originele identiteitskaart is. In de bestreden beslissing, vanaf het moment waar het is vastgesteld dat de verzoeker zijn originele identiteitskaart niet levert, wordt het verhaal in twijfel getrokken, de stukken worden zonder bewijswaarde verklaard en het asielaanvraag wordt verworpen. Het is dus duidelijk dat het beslissende criterium dat door de VBC op de asielaanvraag van leden van UKPNP wordt toegepast, de overhandiging van zijn originele identiteits- kaart door de asielaanvrager is. Deze enige reden is geen afdoende grond om een weigeringsbeslissing te verantwoor- den. Bovendien heeft de verzoeker talrijke stukken gegeven die onrechtstreeks zijn identiteit bewijzen en uitgelegd waarom hij zijn identiteitskaart aan de VBC niet kon leveren. Men merkt nog op dat op de zitting, de verzoeker zich in Urdu heeft uitgesproken. Urdu is een moeilijke taal, weinig bekend in het algemeen en die in een zeer nauwkeurig gebied van de wereld wordt gesproken. Dit element getuigt van de nationaliteit van de verzoeker. Men moet eveneens opmerken dat het alleen maar na vijf jaar van procedure is dat de Belgische overheid de verzoeker heeft verweten om het bewijs van zijn identiteit niet te brengen. De CGVS heeft nooit de identiteit van de verzoeker in twijfel getrokken. Deze houding van de administratie is een ernstig schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder, het principe van fair-play. De VBC spreekt zich trouwens over de identiteit van de verzoeker tegen. De VBC verklaart dat de verzoeker "geen begin van bewijs omtrent [zijn] identiteit of nationaliteit" zou leveren maar eveneens dat "de Commissie niet twijfelt aan appellant activiteiten voor de partij [UKPNP] zowel in Kashmir als in België" (stuk 1, wij onderstrepen). Deze twee beweringen van de VBC zijn klaarblijkelijk tegenstrijdig en delen mede dat de VBC zijn verplichtingen tot onderzoek en motivatie niet heeft uitgevoerd. XIV-22.355-13/23 Bovendien geeft de VBC toe dat de verzoeker een actief lid van de UKPNP in Kashmir is geweest en is nog een actief lid van de UKPNP in België vandaag. Om het asielaanvraag van de verzoeker te weigeren, heeft de VBC ten onrechte overwogen dat "geen geloof [kon worden gehecht] aan diens beweringen dat hij hierdoor problemen zou gekregen hebben". Deze bewering van de VBC is een totale tegenstrijdigheid van de motieven van de positieve beslissing waar door de VBC de hoedanigheid van vluchteling in het hoofd van een lid van de UKPNP heeft erkend (stuk 32). De VBC heeft zijn positieve beslissing gemotiveerd door het feit "dat appellant overigens ook in België in een leidinggevende functie binnen de UKPNP politieke activiteiten heeft ontplooid; dat hij aldus de negatieve belangstelling van de Pakistaanse autoriteiten kan hebben opgewekt; dat deze activiteiten niet los kunnen worden gezien van appellants voorgeschiedenis in zijn land van herkomst en er een voortzetting van zijn; dat de actuele Pakistaanse houding ten aanzien van voorstanders van de onafhankelijkheid van Kasjmir, zoals gekend door de Commissie aan de hand van zowel publieke als vertrouwelijke buitenlandse en binnenlandse rapporten, gerelateerd aan appellants relaas, toelaat in hoofde van appellant vrees voor vervolging in de zin van artikel 1 A
(2)van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 in , in aanmerking te nemen." In beide gevallen, erkent de VBC dat de asielaanvragers actief voor UKPNP in Kashmir en in België zijn geweest. In beide gevallen, erkent de VBC dat de politieke activiteit in België een voortzetting van de politieke activiteit in Kashmir is. In de positieve beslissing, erkent de VBC dat, door de voortzetting van zijn politieke activiteiten in België, de asielaanvrager "de negatieve belangstelling van de Pakistaanse autoriteiten kan hebben opgewekt” en gezien "de actuele Pakistaanse houding ten aanzien van voorstanders van de onafhankelijkheid van Kasjmir, zoals gekend door de Commissie aan de hand van zowel publieke als vertrouwelijke buitenlandse en binnenlandse rapporten", en besluit om de hoedanigheid van vluchteling te erkennen. In de bestreden beslissing, betwist de VBC dat, door de voortzetting van zijn politieke activiteiten in België, de asiel aanvrager “de negatieve belangstelling van de Pakistaanse autoriteiten kan hebben opgewekt” en betwist dus dat de polititieke activiteit van de verzoeker "toelaat in hoofde van appellant vrees voor vervolging". Deze twee beslissingen zijn klaarblijkelijk tegenstrijdig. De motivatie van de bestreden beslissing berust op verkeerde motieven en zich in totale tegenstrijdigheid met de feiten “gekend door de Commissie” bevindt. Deze tegenstrijdigheid van de VBC is ernstig omdat zij uiteindelijk voor praktische gevolg de dood of de opsluiting van de verzoeker kan hebben. Daaruit volgt dat de VBC klaarblijkelijk niet zijn verplichting tot onderzoek en motivatie heeft uitgevoerd. In een gelijksoortig geval, heeft de Raad van State benadrukt dat: "Considérant, quant au troisième point, que les attestations produites. émanant notamment d'un responsable de Amnesty International, confirment que la requérante a joué un rôle actif dans la défense des droits des homosexuels dans son pays; que dans le contexte où la demande d'asile est introduite, elles n'établissent sans doute pas l'existence des persécutions, comme le relève l'acte attaqué, mais qu'elles sont de nature à en asseoir la vraisemblance; Considérant par ailleurs que la partie adverse ne conteste pas que la requérante soit homo- sexuelle; ni que l'homosexualité soit réprimée au XXX; que, dans ces circonstan- ces, les motifs retenus par l'acte attaqué ne permettent pas de rejeter la de- mande...." (R.v.St., 1 ste oktober 2001, arrest nr. 99.324). Vrije vertaling: "Overwegende, wat het derde punt betreft, dat de geleverde attesten, die met name van een gedelegeerde van Amnesty Internationaal uitgaan, bevestigen dat de verzoekster een actieve rol in de bescherming van de rechten van homoseksu- elen in haar land heeft gespeeld; dat in de context waar het asielaanvraag wordt ingediend, zij waarschijnlijk het bestaan van de vervolgingen niet vaststellen, zoals het de betwiste handeling vaststelt, maar dat zij de waarschijnlijkheid ervan kunnen vaststellen; Overwegende voorts dat de tegenpartij niet betwist dat de verzoekster homoseksueel is; noch dat de homoseksualiteit in XXX wordt vervolgt; dat, in deze omstandigheden, de redenen die door de betwiste handeling worden aangenomen, niet het mogelijk maken om de aanvraag te verwerpen ......” XIV-22.355-14/23 Tenslotte, heeft de VBC, in het algemeen, de bestreden beslissing gemotiveerd door het feit dat zij "niet moet bewijzen dat de aangehaalde feiten onwaar zouden zijn" (stuk 1) terwijl, in de motivatie van de positieve beslissing, de VBC klaarblijkelijk erkende “dat de juistheid van alle door appellant aangehaalde feiten niet met zekerheid kan worden vastgesteld, maar dat het voordeel van de twijfel kan worden toegekend” (stuk 32). In de motivatie van de positieve beslissing, wordt het toekennen van het voordeel van de twijfel aan de asielaanvrager als volgt gemotiveerd: “de motieven, waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen zijn beslissing steunt, tijdens het verhoorgesprek ter zitting en aan de hand van bijkomende documenten worden weerlegd” De "bijkomende documenten" zijn als volgt beschreven: “dat appellant documenten voorlegt die zijn verklaringen en zijn vrees bevestigen; dat in het bijzonder verwezen wordt naar de brief van 6 februari 2002 van X, erkend vluchteling en voorzitter in ballingschap van de UKPNP; dat de inhoud van deze brief door de Commissie werd getoetst en tevens werd onderschreven door Amnesty International Vlaanderen bij brief van 14 maart 2002" Hier opnieuw, toont de vergelijking tussen de positieve beslissing en de bestreden beslissing een zeer belangrijke tegenstrijdigheid aan: gelijksoortige documenten hebben de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling door VBC in een geval toegelaten terwijl zij "zonder bewijswaarde" door van VBC in het geval van de verzoeker werden overwogen. De verzoeker heeft aan de VBC een aanbevelingsbrief van de "voorzitter in balling- schap van de UKPNP", de heer Sardar Shaukat Ali Kashmiri aan de VBC voorgelegd (stukken 3 en 10). Deze brief van de voorzitter van de UKPNP werd samen met vijf andere aanbevelingsbrieven geleverd. De verzoeker heeft dus zes aanbevelingsbrieven aan de VBC voorgelegd (stukken 6-11, stuk 3). In de bestreden beslissing, uitspreekt de VBC zich alleen over drie aanbevelingsbrieven. Niets wordt gezegd in de bestreden beslissing wat betreft de drie andere aanbevelingsbrieven. De volgende aanbevelingsbrieven werden door de verzoeker voorgelegd: - aanbevelingsbrief van de heer Skandar Abbas dd. 24 mei 2004 - aanbevelingsbrief van de heer Paul Beersmans dd. 4 juni 2004 - aanbevelingsbrief van de Heer Zafar Iqbal dd. 12 juni 2004 - aanbevelingsbrief van de Heer Attique Ur Rehman dd. 14 juni 2004 - aanbevelingsbrief van de Heer Sardar Shaukat Ali Kashmiri dd. 15 juni 2004 - aanbevelingsbrief van de Heer Seyd Tahir Hussein Gardazi De VBC heeft verklaard dat de aanbevelingsbrieven van de Heer Sardar Shaukat Ali Kashmiri, voorzitter van de UKPNP (stuk 10), van de Heer Zafar lqbal (stuk 8) en van de heer Attique Ur Rehman (stuk 9) geen bewijswaarde hadden omdat zij "inhoudelijk volledig hetzelfde zijn”. Dit motivatie is geen afdoende motivatie. Deze drie brieven worden van 12 juni 2004, van 14 juni 2004 en 15 juni 2005 gedateerd dat wil zeggen op een ogenblik waarop de verzoeker zojuist zijn beroep bij de VBC had ingediend. De verzoeker wist dat dit beroep bij de VBC zijn laatste kans was om het statuut van vluchteling in het kader van de lopende asielprocedure te kunnen verkrijgen. In juni 2004, was de VBC geschikt om de verzoeker voor een hoorzitting op elk moment bijeen te roepen en een einde aan de procedure te maken. Om zijn dossier te versterken en omdat, zoals het de bestreden beslissing onderstreept, de verzoeker “de stukken waarover hij kan beschikken moet voorleggen", heeft de verzoeker, in de urgentie, aan zijn vrienden leden van de UKPNP en erkend als vluchtelingen gevraagd om een aanbevelingsbrief op te stellen. Deze stap werd in de urgentie gedaan om de aanbevelingsbrieven op tijd aan de VBC te kunnen overhandi- gen (stuk 3). De aanbevelingsbrieven werden dus op een modelbrief gebaseerd. Dit procédé vermindert de bewijskracht van deze brieven helemaal niet. Er blijkt trouwens uit de positieve beslissing van de VBC (ref. 01 -1 216/E452 - stuk 32) dat zij reeds een andere aanbevelingsbrief van de Heer Sardar Shaukat Ali Kashmiri in het kader van een andere dossier heeft ontvangen en dat deze aanbevelingsbrief zijn positieve beslissing steunt (stuk 32). De VBC heeft ook gemakkelijk de handtekening van de Heer Sardar Shaukat Ali Kashmiri tussen beide brieven kunnen vergelijken en vaststellen dat de aanbevelingsbrief die door de eiser werd overhandigd, een origineel was. Bovendien, werd één van de aanbevelingsbrieven door de Heer Attique Ur Rehman gestuurd. De Heer Attique Ur Rehman werd vluchteling in België erkend. De VBC XIV-22.355-15/23 beschikt zeker over een document waarop de handtekening van een Heer Attique Ur Rehman voorkomt (de Heer Attique Ur Rehman is in het bezit van een Belgische paspoort en van een Belgische verblijfstitel) zodat zij de handtekeningen heeft kunnen vergelijken en vaststellen dat de aanbevelingsbrief die door de verzoeker werd overhandigd, een origineel was. De verzoeker de nadruk legt op het feit dat deze drie brieven van drie verschillende landen (België, Zwitserland, Verenigde Staten) uitgaan en dat hun respectieve ondertekenaars leden van UKPNP zijn die vluchtelingen in hun respektieven asiellanden werden erkend. Deze aanbevelingsbrieven zijn niet identiek maar gelijksoortig. De verschillen tussen de brieven aantoont dat elk ondertekenaar de standaardbrief heeft gelezen en heeft ook aangepast. Het is ongeloofbaar dat drie verschillende leden van UKPNP, erkende vluchtelingen, verblijvende in drie verschillende landen, een aanbevelingsbrief hebben ondertekend zonder de inhoud ervan te lezen en te goedkeuren. In dit opzicht, moet nog worden gemerkt dat de aanbevelingsbrief van de Heer Attique Ur Rehman samen met een kopie van zijn Belgische paspoort en van Belgische verblijfstitel aan de VBC werd voorgelegd. Dit element bewijst dat de Heer Attique Ur Rehman heel serieus en zorgvuldig zijn steun aan de verzoeker heeft gebracht. Wat de aanbevelingsbrieven betreft, steunt de bestreden beslissing op volkomen onredelijke en fundamenteel verkeerde motieven. Deze vluchtelingen hebben klaarblijkelijk hun aanbevelingsbrief gelezen, ondertekend en teruggestuurd aan de verzoeker binnen een korte termijn wat ook hun wil bewijst om de verzoeker in zijn asielaanvraag te ondersteunen. Deze brieven hebben ongetwijfeld een zeer grote overtuigende kracht. Overigens, is het verrassend vast te stellen dat de VBC zich helemaal niet over de drie anderen aanbevelingsbrieven uitspreekt: de aanbevelingsbrieven van de Heer Paul Beersmans (stuk 7), van de Heer Skandar Abbas (stuk 6) en van de Heer Seyd Tahir Hussein Gardazi (stuk 11). Deze brieven zijn eveneens overtuigende elementen waarin hun auteurs de vervolging van de verzoeker omwille van zijn politieke activiteit bevestigen. Deze brieven zijn geen standaardbrieven. Zij zijn eveneens "bijkomende documenten dat [de verzoeker] voorlegt die zijn verklaringen en zijn vrees bevestigen" in de zin van de positieve beslissing van de VBC (ref. 01-1216/E452 - stuk 32). Waarom heeft de VBC geen rekening van deze stukken gehouden ? Daarover spreek de motivatie van de bestreden beslissing nergens. De tweede "bijzondere document" die de VBC “het voordeel van de twijfel” aan de asielaanvrage toelaat toe te kennen, is een attest van Amnesty International. De verzoeker heeft eveneens aan de VBC een attest overhandigd dat door acht leden van Amnesty internationaal wordt ondertekend en een lijst van leden van Amnesty Internationaal. Deze documenten bewijzen, dat de verzoeker met deze organisatie verband houdt. De bestreden beslissing doet nergens vermelding van deze documenten. De verzoeker zich verwondert hevig erover. Het gaat eveneens om de "bijkomende documenten dat [de verzoeker] voorlegt die zijn verklaringen en zijn vrees bevestigen" in de zin van de positieve beslissing van de VBC (ref. 01-1216/E452). De VBC heeft verkeerdelijk, expliciet of impliciet, de door de verzoeker overhandigd bewijzen verworpen. Bovendien heeft de VBC benadrukt dat de verzoeker geen krantenartikel betreffende zijn ontvoering gaf; dat hij geen overlijdenscertificaat betreffende zijn vader heeft overhandigd en zou geen begin van bewijs wat de ontvoering van zijn jongere broer betreft hebben gegeven. De VBC eraan toevoegde dat de verzoeker niet aannemelijk zou maken waarom hij over deze documenten niet kan beschikken. Deze beweringen van de VBC zijn onwaarschijnlijk. De verzoeker heeft een bewijs betreffende de ontvoering van zijn jongste broer overhandigd. Het gaat om een attest van de Bilal Hospital die waarborgt dat de jongere broer van de verzoeker slechte behandelingen heeft ondergaan. De verzoeker heeft een brief (gestuurd aan de Heer Tahir door zijn advocaat) waarin de advocaat (met kantoor te Rawalakot in Kashmir) verzekert dat de Pakistaanse politieagenten instructie hebben ontvangen om op de verzoeker te schieten. Het is een feit dat de verzoeker noch een krantenartikel over zijn ontvoeringen, noch een certificaat van overlijden betreffende zijn vader heeft voorgelegd. Het gebrek aan deze elementen wordt verklaard door de urgentie waarin hij van zijn land van herkomst heeft moeten vluchten. XIV-22.355-16/23 Dat houdt niet over in hoofde van de VBC alle stukken van de verzoeker onder voorwendsel dat de VBC "niet zou moeten bewijzen dat de feiten onwaar zijn" te verwerpen; vast te stellen dat de verzoeker niet bepaalde nauwkeurige stukken levert om ervan af te leiden dat de verzoeker niet zijn medewerkingplicht uitvoerde. Artikel 57/15 van de vreemdelingenwet bepaald . de VBC "is gerechtigd om alle bescheiden en inlichtingen die voor de uitoefening haar opdracht nuttig zijn, door elke Belgische overheid te doen overleggen". België heeft een ambassade in Pakistan (te Islamabad) die eveneens aan de eisen van verificaties van de VBC kan voldoen. Waarom heeft de VBC deze verificaties niet gedaan indien het zo belangrijk voor haar is een Pakistaanse krantartikel of een Pakistaanse overlijdenscertificaat te verkrijgen ? Wat de verzoeker betreft, mag men niet vergeten dat hij nooit in België voor juni 2000 was gekomen en nooit een asielaanvraag had ingediend. Hij kon niet weten van welke documenten hij behoefte zou hebben en hij in ieder geval de tijd om deze te verenigen noch en de mogelijkheid om deze te behouden gedurende zijn reis niet zou gehad hebben. De motivatie van de bestreden beslissing berust op een klaarblijkelijk onredelijke interpretatie wat de medewerkingplicht van de verzoeker betreft. De VBC bewerkte de feiten en de stukken om eraan een interpretatie te geven die niet in overeenstemming met de werkelijkheid is. Bijvoorbeeld, wijst de VBC op het belang van de identiteitskaart in het Pakistaanse sociale leven om te bewijzen “dat dan ook redelijkerwijze kan verwacht worden dat [de verzoeker] het belang van dit identificatie- middel kennen". De verzoeker kent immers het belang van de Pakistaanse identiteits- kaart in Pakistan maar de VBC kan niet redelijkerwijs van de verzoeker verwachten dat hij het belang van de Pakistaanse identiteitskaart kent in het kader van het indienen van een asielprocedure in België terwijl hij geen enkele ervaring van deze procedure heeft. Er blijkt uit wat voorafgaat aan dat de motivatie van de bestreden beslissing klaarblijke- lijk onvolledig is en berust op een verkeerde beoordeling van de voorgelegde stukken. Dit motivatie aantoont eveneens een kennelijk onredelijk eis van de VBC met betrekking tot de medewerkingplicht van de verzoeker wat een manifest schending van de beginselen van behoorlijk bestuur vormt. De bestreden beslissing steunt dus op volkomen onredelijke en fundamenteel verkeerde motieven. Uiteindelijk, bewijst de vergelijking van de bestreden beslissing met de rechtspraak van de VBC dat de VBC zich in feite uitsluitend op de afwezigheid van de originele identiteitskaart van de verzoeker in het dossier gebaseerde om haar weigeringsbeslis- sing te nemen. Deze motivatie van de bestreden beslissing is niet afdoende. De VBC erkent trouwens zelf in haar beslissing nr. 00-1878/W7066 dd 23 april 2001 “dat het ontbreken van een begin van bewijs omtrent de identiteit en de reisweg geen afdoende grond is om een weigeringsbeslissing te verantwoorden (R.v.St., nr 79.014, 2 maart 1999)." (stuk 35) TERWIJL, enerzijds het motief ontleend aan het ontbreken van een begin van bewijs omtrent de identiteit, de reisweg en het feitenrelaas geen afdoende grond is om de weigeringsbeslissing van de VBC te verantwoorden en, anderzijds, de motivering van de beslissing van de VBC moet afdoende zijn. Artikel 57/22 van de vreemdelingenwet bepaald dat: "de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen worden met redenen omkleed met vermelding van de omstandigheden van de zaak". De Raad van State heeft reeds onderstrepen dat: "La motivation d'une décision doit être claire, complète, précise et permettre aux intéressés de vérifier qu'elle a été précédée d'un examen des circonstances de l'espèce et l'étendue de la motivation doit être proportionnelle à l'importance de la décision prise". (R.v.St., 21 december 2001, arrest nr. 102.343, J.T., 2002, p. 191) Vrije vertaling: "De motivatie van een beslissing moet duidelijk, volledig, nauwkeurig zijn en de belanghebbenden toelaten om te controleren dat zij door een onderzoek naar de omstandigheden van de zaak werd voorafgegaan en de omvang van de motivatie moet evenredig zijn aan het belang van de genomen beslissing." Er blijkt uit dit rechtspraak van de Raad van State dat de motivatie van de beslissingen van de VBC moet afdoende zijn. De beslissingen van de VBC moeten op een afdoende, sterke en begrijpelijke wijze gemotiveerd worden, op zo'n wijze dat de aangevoerde redenen de genomen beslissing rechtvaardigen. De motivatie van de beslissingen van de VBC moet op een juiste en redelijke analyse van de feiten berusten. Zij moet XIV-22.355-17/23 volledig en nauwkeurig zijn: “de redengeving van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie het mogelijk moet maken de uitspraak op haar regelmatigheid te toetsen." (R.v.St., 17 februari 1998, arrest nr. 71.867). In casu, heeft de VBC niet juist en redelijkerwijs zijn verplichtingen tot motivatie en onderzoek uitgevoerd: "de Commissie heeft zich ertoe beperkt vast te stellen dat er geen voldoende elementen en niet genoeg overtuigende stukken in het dossier waren dat door [de verzoeker] werd voorgelegd, zonder echter naar geen enkele van deze stukken te verwijzen en zonder het ontoereikende karakter uit te leggen dat aan deze stukken werd toegekend; (...) dat de verplichting tot formele motivatie, die door de wettelijke beschikkingen wordt opgelegd, geviseerd in het middel, ten doel heeft de belangheb- bende in kennis te stellen van de redenen van feit en recht op de basis waarvan de beslissing werd genomen, met name opdat hij in alle kennis van oorzaak kan beoordelen of het verstandig wordt om deze bestuurshandeling te betwisten; dat daaruit volgt dat de formele motivatie van een bestuurshandeling op standaardvoorwaarden niet kan berusten, maar afhankelijk van de elementen zijn die door de belanghebbende aan de hand van zijn vraag worden aangevoerd; (...) dat de Commissie vervolgens van mening is dat er geen voldoende elementen en niet genoeg overtuigende stukken in het dossier zijn, zonder echter aan te geven waarom de door de verzoekster voorgelegde attesten ter staving van haar aanvraag, of tenminste sommige attesten, niet beschouwd kunnen worden als bewijselementen of als overtuigend stukken; dat dit laatste aspect van de formele motivatie van het advies op een gestereotypeerde formule berust die niet aan de eis van formele motivatie beantwoordt." (R.v.St., 2 oktober 2001, arrest nr. 99.353). In casu: "de Vaste Beroepscommissie in het geheel niet toelicht waarom [de verzoeker zijn] verhaal niet aannemelijk maakt; dat de motivering zonder nadere precisering of toelichting zodanig algemeen en vaag is dat ze de Raad van State niet toelaat zijn controle op de wettigheid van de bestreden beslissing uit te oefenen, en meer bepaald om uit te maken of de aanvraag tot het verkrijgen van de hoedanigheid van vluchteling om al dan niet rechtens verantwoorde redenen werd afgewezen; dat voorts het motief ontleend aan het ontbreken van een begin van bewijs omtrent de identiteit, de reisweg en het feitenrelaas geen afdoende grond is om de weigeringsbeslissing te verantwoor- den; dat de bestreden beslissing niet genoegzaam met redenen is omkleed, dat zij aldus het motiveringsbeginsel schendt, vervat in artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet, luidens hetwelk 'elk vonnis met redenen omkleed is". (R.v.St., 2 maart 1999, arrest nr. 79.014). De verzoeker expliciet hier wil onderstrepen “dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een beroepsinstantie is die de grond van de zaak moet onderzoeken zodat een loutere verwijzing naar de beslissing van de Commissaris-generaal geen afdoende motivering uitmaakt; dat verzoeker stelt dat de Vaste Beroepscommissie minstens de stelling nopens verzoekers politiek engagement en de voorgelegde stukken met betrekking tot [zijn asielaanvraag] had moeten onderzoeken (...); dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de grond van de zaak moet onderzoeken; dat uit haar beslissing genoegzaam moet blijken waarom de aanvraag om erkenning van de hoedanigheid van vluchteling wordt geweigerd; dat in de bestreden beslissing niet wordt aangegeven waarom de (...) voorgebrachte stukken niet in aanmerking konden worden genomen; dat aldus uit de redengeving van de bestreden beslissing niet genoegzaam blijkt waarom de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling wordt geweigerd; dat; de bestreden beslissing niet naar behoren is gemotiveerd; dat het middel gegrond is". (R.v.St., 22 mei 1997, arrest nr. 66.370). Met andere woorden, legt de verzoeker de nadruk op "dat om verzoekers aanvraag te verwerpen de Vaste Beroepscommissie zich ertoe beperkte te overwegen dat het bewijs van een vrees voor vervolging niet was geleverd; dat deze motivering zodanig vaag en algemeen is dat ze de Raad van State niet toelaat na te gaan of de Commissie haar opdracht naar behoren heeft vervuld; dat voorts de motivering van de aangevochten beslissing te summier is eensdeels om na te gaan of de door verzoeker afgelegde verklaringen en voorgebrachte stukken in aanmerking werden genomen en anderdeels om de redenen waarom met zijn betoog geen rekening is gehouden op hun wettigheid te toetsen; dat de in volstrekt algemene bewoordingen gestelde motivering het niet mogelijk maakt uit te maken of verzoekers aanvraag om al dan niet rechtens verantwoorde motieven werd afgewezen; dat de bestreden beslissing niet genoegzaam XIV-22.355-18/23 met redenen omkleed is; dat in zoverre het middel gegrond is." (R.v. St., 29 juli 1998, arrest nr. 75.485). Er blijkt uit wat voorafgaat aan dat de bestreden beslissing nietig moet worden verklaard.”; 1.2.
  1. Overwegende dat artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; dat, in de mate het middel ertoe strekt aan te tonen dat verzoeker wel degelijk aan de voorwaarden van artikel 48 Vreemdelingenwet voldoet, het niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; 1.2.2.
  2. Overwegende dat door het hoger beroep tegen de weigeringsbeslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de zaak voor een volledig nieuwe beoordeling aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt voorgelegd; dat deze volle rechtsmacht bezit, hetgeen, onder meer, impliceert dat ze niet in het minst gebonden is door de eerdere weigeringsmotieven, doch op eigen grond uitspraak vermag te doen; dat, in de mate het middel gericht is tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, het niet dienstig is; dat de verwijzingen in het verzoekschrift naar arresten van de Raad van State die handelen over dergelijke beslissingen dan ook niet dienstig kunnen worden aangevoerd in een verzoek- schrift om een beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, waarbij de Raad als cassatierechter optreedt, te vernietigen; dat uit het loutere feit dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de motivering of een deel ervan uit de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft overgenomen niet bij voorbaat kan worden afgeleid dat zij het beroep niet integraal heeft onderzocht en als zodanig de zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden; dat de volle rechtsmacht de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verplicht, noch verbiedt de weigeringsmotieven van de voor haar bestreden beslissing over te nemen of te verwerpen; dat zij enkel een beslissing dient te nemen die op afdoende wijze gemotiveerd is en aangeeft waarom een kandidaat- vluchteling (niet) beantwoordt aan de erkenningscriteria van het Vluchtelingenverdrag; dat hierbij niet noodzakelijk expliciet op elk aangevoerd argument in het beroepschrift dient te worden ingegaan; dat het bij de verwerping van het beroep volstaat, zoals de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in voorliggend geval heeft gedaan, aan te geven op grond van welke objectieve gegevens ze van oordeel is dat geen gegronde vrees voor vervolging in aanmerking kan worden genomen; dat in het licht van de door haar gedane vaststellingen (met name het niet bewijzen van de gevolgde reisweg en zijn identiteit, meer in het bijzonder het niet kunnen voorleggen van een Pakistaans identiteitsdocument gelet op XIV-22.355-19/23 de belangrijkheid hiervan in de Pakistaanse context, tegenstrijdige verklaringen met betrekking tot de ontvoeringen waarvan verzoeker het slachtoffer zou zijn geweest in het land van herkomst - waarvan evenmin een begin van bewijs wordt voorgelegd -, het feit dat de neergelegde ondersteuningsbrieven in samenhang met de flagrante tegenstrijdigheden geen bewijswaarde hebben, het overlijden van verzoekers oudste broer nadat deze was ontvoerd niet aannemelijk wordt gemaakt, evenmin de ontvoering van zijn jongste broer aannemelijk wordt gemaakt en bijgevolg het voordeel van de twijfel aan verzoeker niet kan worden verleend gelet op zijn ongeloofwaardig relaas) de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geenszins kennelijk onredelijk is waar zij oordeelt dat dergelijke flagrante lacunes en tegenstrijdigheden betreffende wezenlijke elementen verhinderen geloof te hechten aan het asielrelaas; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of de door hem vastgestelde tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen van betrokkenen niet te verklaren zijn door problemen tijdens de verhoren met de tolken of andere omstandighe- den die de kandidaat-vluchteling niet kunnen worden toegerekend, of deze contradicties dermate belangrijk zijn dat erdoor de geloofwaardigheid van het asielrelaas wordt aangetast en of aan de voorgelegde stukken bewijswaarde kan worden toegekend; dat deze beoordelingen door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kunnen worden overgedaan; dat luidens artikel 14, § 2, R.v.St.-wet, de afdeling administratie in geval van cassatieberoep niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt; dat de opmerking dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ter zitting verzoekers zaak niet meer zou hebben willen onderzoeken niet blijkt uit het zittingsverslag in het administratief dossier, alwaar enkel wordt vermeld dat nog een document van het internet werd neergelegd doch voor het overige geen voorbehoud werd geformuleerd aangaande het verloop van de betrokken zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat de verwijzing naar arrest nr. 75.485 van 29 juli 1998 niet opgaat daar er in dat geval slechts sprake was van een loutere verwijzing naar een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en de consideransen als dusdanig niet werden overgenomen in de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, wat in casu duidelijk wel het geval is; dat de verwijzing naar arrest nr. 66.370 van 22 mei 1997 niet opgaat gelet op het feit dat de in deze zaak aangevallen beslissing louter verwees naar de afwezigheid ter zitting van de kandidaat-vluchteling en deze bijgevolg geen nieuwe elementen heeft aangebracht, vaststelling op basis waarvan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het beroep heeft afgewezen zonder onderzoek van de grond van de zaak; dat in casu blijkt dat in de bestreden beslissing duidelijk wel op de grond van de zaak is ingegaan; dat de verwijzing naar arrest nr. 99.353 van 2 oktober 2001 niet opgaat daar deze beslissing betrekking heeft op een regularisatieaanvraag in het kader van de wet van 22 december 1999; dat het advies waarvan sprake in deze beslissing niet kan worden gelijkgeschakeld met een voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aangevochten beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat het eerste onderdeel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; XIV-22.355-20/23 1.2.2.
  3. Overwegende dat beslissingen inzake erkenning als vluchteling principieel individuele beslissingen zijn; dat er geen automatisme kan worden toegepast op alle personen die uit een bepaalde regio komen om deze te erkennen of te weigeren als vluchteling; dat uit het loutere feit dat uit een groep van zes aangehaalde voorbeelden er slechts één wordt erkend niet kan worden afgeleid dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bij de aanvragen tot erkenning gebruik zou maken van stereotiepe motivering- en; dat het feit dat een bepaalde logische opbouw (feitenuiteenzetting - bewijs van identiteit en reisweg geleverd? - specifieke vaststellingen met betrekking tot de aanvrager om erkenning - besluit) en vergelijkbare bewoordingen bij de beoordeling van de aanvragen wordt gebruikt bij de motivering van dergelijke beslissingen, niet kan worden beschouwd als zijnde een bewijs of aanwijzing dat een stereotiepe motivering wordt gegeven door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bij de beoordeling van de aanvragen om erkenning als vluchteling; dat het feit dat een bepaalde standaardformulering wordt gebruikt in de motivering om de algemene richtlijnen aan te duiden waaraan men zich houdt bij de beoordeling, er alleszins niet op duidt dat de betrokken aanvraag niet werd onderzocht; dat bij de lezing van de bestreden beslissing overduidelijk blijkt dat de specifieke elementen van verzoekers aanvraag in ogenschouw werden genomen door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat het niet het gebruik is van één of meer standaardzinsneden in een beslissing die een beslissing tot stereotiepe beslissing maakt; dat het tweede onderdeel niet gegrond is; 1.2.2.
  4. Overwegende dat het feit dat een aanvrager om erkenning als vluchteling erin slaagt zijn identiteit te bewijzen aan de hand van een origineel identiteitsdo- cument en als zodanig zijn gehele asielrelaas in een positievere context plaatst dan vergelijkbare personen die er niet in slagen dit bewijs te leveren, op zich niet kan worden beschouwd als zijnde onredelijk; dat de appreciatie van het asielrelaas een feitenkwestie betreft die de Raad van State als administratieve cassatierechter niet kan overdoen; dat de stelling van verzoeker dat hem de erkenning louter en alleen werd geweigerd omwille van het feit dat hij geen origineel identiteitsdocument heeft voorgelegd dient te worden verworpen, te meer daar uit de aangehaalde bewoordingen uit de referentiebeslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen blijkt dat bepaalde feiten daar wel als juist en bewezen werden beschouwd; dat door de volheid van bevoegdheid de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen de zaak volledig opnieuw moet onderzoeken, wat inhoudt dat zaken die voordien niet het voorwerp van betwisting waren dit alsnog kunnen worden; dat verzoekers stelling dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met name de fair play worden geschonden doordat hem wordt verweten dat hij zijn identiteit niet bewijst moet worden verworpen daar dit een logisch gevolg is van het instellen van het beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat de vaststelling door de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen dat geen begin van bewijs van zijn identiteit wordt bijgebracht zo moet begrepen worden dat verzoeker geen enkel document heeft neergelegd waaruit op onomstotelijke wijze blijkt dat hij effectief de persoon is die hij beweert te zijn en afkomstig XIV-22.355-21/23 is uit het land of regio waaruit hij beweert afkomstig te zijn; dat deze vaststelling niet in tegenspraak is met de verder gemaakte vaststelling dat niet aan verzoekers activiteiten in de beweerde regio van oorsprong wordt getwijfeld; dat het gegeven dat iemand al dan niet een begin van bewijs van identiteit en reisweg bijbrengt en het feit of er in wezen aan deze bewering wordt getwijfeld, een feitenkwestie is die enkel door de feitenrechter kan worden beoordeeld; dat de Raad van State, optredend als administratief cassatierechter, niet de bevoegdheid heeft deze beoordeling opnieuw te doen; dat zelfs indien zou blijken dat de overwegingen met betrekking tot zijn afkomst/identiteit tegenstrijdig zouden zijn, dan nog erop dient gewezen dat deze overtollig zijn in het geheel van de bestreden beslissing aangezien deze voldoende heeft aangegeven waarom in zijn hoofde geen vervolgingsvrees werd aangetoond, met name omdat zijn asielrelaas zodanig tegenstrijdig wordt geacht dat er geen geloof meer kan worden aan gehecht en omdat hij de aangevoerde gebeurtenissen met zijn broers niet heeft aangetoond, zodat hem niet het voordeel van de twijfel kan worden verleend; dat de eventuele ondeugdelijkheid van dit overtollige motief niet kan leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing; dat, met betrekking tot de vergelijking die verzoeker maakt met een ander geval waarin de erkenning wel werd toegekend erop dient gewezen dat in die zaak omwille van diverse redenen wel het voordeel van de twijfel werd gegeven, onder meer, omwille van de leidinggevende functie die de betrokkene aldaar had aangetoond, wat in casu niet het geval is daar verzoekers aanvraag om erkenning in wezen wordt geweigerd omwille van het feit dat hij ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd zoals afdoende wordt gemotiveerd in de huidige bestreden beslissing; dat, ongeacht de gevolgen van een niet-erkenning als vluchteling, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen slechts een vreemdeling als vluchteling kan erkennen wanneer deze voldoet aan de criteria van de Conventie van Genève; dat, mocht ze er anders over beslissen de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar bevoegdheid te buiten zou gaan; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of de door de aanvrager neergelegde ondersteuningsbrieven bij zijn aanvraag om erkenning bewijswaarde hebben en als dusdanig een invloed kunnen hebben op de aanvraag en de geloofwaardigheid ervan; dat deze beoordeling door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kan worden overgedaan; dat hoe dan ook moet worden vastgesteld dat de vastgestelde flagrante tegenstrijdigheden een voldoende basis vormen om de aanvraag af te wijzen; dat het al dan niet reageren op alle neergelegde ondersteuningsbrieven als overtollig motief dient te worden beschouwd; dat, met betrekking tot het medisch attest waarnaar verzoeker verwijst in het verzoekschrift, moet worden vastgesteld dat dit attest enkel de naam Khalid vermeldt en het als zodanig niet kennelijk onredelijk is dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen heeft gesteld dat hij omtrent het wedervaren van zijn jongste broer geen enkel stuk heeft bijgebracht; dat, met betrekking tot de verwijzing naar artikel 57/15 van de Vreemdelingen- wet waarbij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een beroep zou kunnen doen op de Belgische ambassade in Pakistan, erop dient gewezen dat het de taak is van de aanvrager om erkenning als vluchteling om zijn asielrelaas te bewijzen, minstens aannemelijk te maken; dat deze bepaling geenszins een verplichting oplegt om contact op te nemen met de XIV-22.355-22/23 bedoelde Belgische overheidsdiensten; dat de bestreden beslissing overigens op afdoende wijze motiveert waarom wordt besloten tot de weigering van erkenning als vluchteling; dat het derde onderdeel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  5. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-22.355-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.899 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.