id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.911 Rolnummer: A. 69900/XII-2803 Zaak: Arrest 153911 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-27 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 08:28 Fiche Arrest nr 153.911 van 19 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.911 van 19 januari 2006 in de zaak A. 69.900/XII-
- In zake : de NV ELECTRO GOEMINNE DIKKELVENNE, die woonplaats kiest bij advocaat M. Van Cuyck, kantoor houdende te Gavere, Sint-Christianastraat 48 tegen : de STAD DEINZE. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Electro Goeminne Dikkelvenne op 16 juli 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van 30 april 1996 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze [...] waarbij beslist werd om de werken, zijnde het plaatsen van een verlichtingsinstallatie in het voetbalstadion Brielmeersen te gunnen aan de firma KVZ Verstraete [...] en niet aan verzoekster”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur J. Stevens; Gelet op de beschikking van 21 november 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 12 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 november 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-2803-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Van Cuyck, die verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij in een exceptie opwerpt dat het beroep te laat is ingesteld; dat zij daartoe nader betoogt dat uit een op 8 mei 1996 ter post aangetekende brief van de raadslieden van de verzoekende partij aan het college van burgemeester en schepenen blijkt dat de verzoekende partij reeds vanaf die datum op de hoogte was van de bestreden beslissing en er geen kennisgevingsverplichting ten opzichte van haar gold; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord tegenwerpt dat “pas bij schrijven van 19 juni 1996 het bestreden besluit werd kenbaar gemaakt”, dat zij voordien van een “niet-gevolmachtigd ambtenaar” had vernomen dat de aanbesteding zou worden toegekend aan de NV Verstraete, dat in de voormelde brief van 8 mei 1996 de stad Deinze werd aangemaand haar beslissing officieel ter kennis te brengen, wat pas met een brief van 19 juni 1996 gebeurde; dat zij voorts meent dat artikel 37, § 1, van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten uitdrukkelijk bepaalt dat “ook de overige inschrijvers in kennis moeten gesteld worden van de beslissing”; Overwegende dat luidens artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, de beroepen tot nietigverklaring verjaren zestig dagen nadat de bestreden beslissingen werden bekendgemaakt of betekend en, indien ze noch bekendgemaakt of betekend dienen te worden, de termijn ingaat met de dag waarop een verzoekende partij er kennis heeft van gehad; Overwegende dat het te dezen nog toepasselijk artikel 37, § 1, van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, voorschrijft dat “in het geval bepaald bij artikel 12, § 2, van de wet van 14 juli 1976 de gemotiveerde beslissing betreffende XII-2803-2/4 de gunning van de opdracht ook ter kennis [wordt] gebracht van de inschrijvers die een lagere regelmatige inschrijving dan die van de gekozen aannemer hebben ingediend”; dat dit artikel, geldig voor openbare aanbestedingen, krachtens artikel 40 van hetzelfde besluit toepasselijk wordt verklaard op de beperkte aanbesteding die te dezen de gevolgde gunningsprocedure was; dat echter in de voorliggende zaak de inschrijving van de verzoekende partij als onregelmatig werd aangemerkt aangezien in de bestreden beslissing is vermeld dat enkel de gekozen inschrijver een correcte offerte heeft ingediend; dat het voormelde artikel 37, § 1, van het koninklijk besluit van 22 april 1977, enkel regelmatige offertes betreft; dat er aldus ten opzichte van de verzoekende partij geen kennisgevingsverplichting voor de bestreden beslissing voorhanden was zodat de annulatietermijn liep vanaf de kennis die de verzoekende partij van de beslissing had; Overwegende dat in de voormelde brief van 8 mei 1996 door de raadslieden van de verzoekende partij ervan gewag wordt gemaakt dat zij op 6 mei 1996 contact heeft opgenomen “met de heer P. Otten”, dat “de reden die werd opgegeven door de Heer Otten” om haar het werk niet toe te wijzen erin bestond “dat er geen gedetailleerde berekening van het funderingsmassief was bijgevoegd bij de offerte”; dat in die brief een aantal redenen worden uiteengezet “om zich met deze motivering ten genen dele akkoord [te] verklaren”; Overwegende dat uit deze omstandigheden in het auditoraats- verslag wordt afgeleid dat minstens vanaf de datum van 6 mei 1996, de verzoekende partij kennis kreeg van de bestreden beslissing en van haar motieven en het beroep, ingesteld op 16 juli 1996, dus laattijdig is; dat de Raad van State die gevolgtrekking, die inhoudt dat het beroep buiten de voormelde termijn van zestig dagen na kennis- name van de bestreden beslissing is ingediend, tot de zijne maakt, temeer daar de verzoekende partij enkel de voortzetting vroeg maar geen laatste memorie indiende en eveneens ter terechtzitting de conclusie van het auditoraat betreffende de exceptie in feite noch in rechte betwistte; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. XII-2803-3/4 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2803-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.911 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.