← België

Arrest 153916 - - 19/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.916 Rolnummer: A. 88849/XII-2393 Zaak: Arrest 153916 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-10 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 08:29 Fiche Arrest nr 153.916 van 19 januari 2006 - Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.916 van 19 januari 2006 in de zaak A. 88.849/XII-

  1. In zake :
  2. Noël DE VLEESSCHAUWER,
  3. Etienne PLASMANS,
  4. Charles VANDERHAEGHEN,
  5. Adelin GOEDEFROOT,
  6. Raf BUYCK,
  7. Michel GODITIABOIS,
  8. Antoon DE SAAR,
  9. Antoon VAN DEN BROECKE,
  10. Frans HAMELINCK,
  11. Jeannine DE WINTER, die woonplaats kiezen bij advocaten W. Van Der Gucht, en F. Dieu, kantoor houdende te Gent, Sint-Denijslaan 201 tegen : de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Noël De Vleeschauwer, Etienne Plasmans, Charles Vanderhaeghen, Adelin Goedefoot, Raf Buyck, Michel Goditiabois, Antoon De Saar, Antoon Van Den Broecke, Frans Hamelinck en Jeannine De Winter op 6 januari 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het Provincieraadsbesluit van 9 december 1998 houdende vastlegging van het Administratief statuut voor het statutair provinciepersoneel”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 4 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-2393-1/12 Gelet op de beschikking van 21 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Dieu die verschijnt voor verzoekers en van bestuurssecretarissen A. Van Der Haegen en A. Halloy die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De voorgaanden
  12. Overwegende dat ten gevolge van de sectorale onderhandelingen betreffende het personeel van de lokale en regionale sector van de Vlaamse Gemeenschap, op 18 juni 1993 een globaal akkoord wordt gesloten met betrekking tot een algemene herziening van de weddeschalen, gekoppeld aan gemeenschappelijke krachtlijnen voor het administratief en geldelijk statuut van het personeel; dat de Vlaamse ministers bevoegd voor welzijn, respectievelijk binnenlandse aangelegenheden, hierover een omzendbrief nr. B.A.93/07 van 14 juli 1993, aangevuld op 20 december 1993, schrijven; dat de provincieraad van Oost- Vlaanderen op 7 september 1994 “principieel” beslist om “met ingang van 1 oktober 1994, de algemene weddeschaalherziening en het nieuw geldelijk en administratief statuut van het provinciepersoneel in te voeren conform de normen en onderrichtingen bepaald in de ministeriële omzendbrieven dd/ 14.07.93 en dd/ 20.12.93” en om de nieuwe weddeschalen, de personeelsformatie, een nieuw geldelijk en administratief statuut uit te werken; Overwegende dat met een brief van 9 juni 1997 eerste verzoeker aan de provinciegouverneur schrijft dat hij sinds 1 januari 1995 met pensioen is, dat bij zijn pensionering het nieuw personeelsstatuut klaar was om met de vakbonden besproken te worden, dat het tweeëneenhalf jaar later nog altijd niet is goedgekeurd, dat hij vernomen heeft dat “thans overwogen [zou] worden om de uitwerkingsdatum naar een latere datum te verschuiven” en dat zulks een financiële aderlating zou XII-2393-2/12 betekenen voor de gepensioneerden in het bijzonder; dat de provinciegouverneur op 10 juni 1997 onder meer antwoordt dat de beslissing tot vaststelling van de ingangsdatum van het statuut op 1 oktober 1994 “tot op vandaag onverkort van kracht [blijft]”; Overwegende dat op 9 december 1998 de provincieraad het administratief statuut, het reglement voor de contractuelen en het geldelijk statuut vaststelt; dat de drie regelingen, gelet op respectievelijk artikel 223, § 1, artikel 133 en artikel 47, § 1, ervan, in werking treden op 1 januari 1999; dat artikel 31 van het geldelijk statuut onder andere bepaalt dat de oude weddeschalen naar de nieuwe worden omgeschakeld volgens de tabel in artikel 35 en dat de inschakeling uitwerking heeft op 1 oktober 1994; Overwegende dat eerste verzoeker op 21 oktober 1999 aan de verwerende partij vraagt naar de datum van publicatie van het administratief en geldelijk statuut in het Bestuursmemoriaal; dat dezelfde dag geantwoord wordt “dat het statuut gepubliceerd werd in het Bestuursmemoriaal van 8 april 1999”; dat eerste, tweede en vijfde verzoeker met een brief van 24 november 1999 om een afschrift vragen van een nota van 2 september 1993 aan de bestendige deputatie en van het protocol met betrekking tot de onderhandelingen in het bijzonder onderhandelingscomité administratief, technisch en dienstpersoneel van 16 oktober 1998; dat de verwerende partij op 25 november 1999 aan eerste verzoeker antwoordt dat de nota van 2 september 1993 “niet te achterhalen is”; dat zij, voorts, op 7 december 1999 aan hem meedeelt “dat het administratief statuut verschenen is in het Bestuursmemoriaal nr. 11 van 11 november 1999”, op 20 december 1999 dat het administratief statuut in het Bestuursmemoriaal nr. 12 van 11 november 1999 werd gepubliceerd, en nog op 20 december 1999 “dat de reële publicatiedatum van het bestuursmemoriaal nr. 12 van 11 november 1999 20 december 1999 is”; dat op 23 december 1999 de verwerende partij, onder verwijzing naar de voormelde brief van 24 november 1999, aan tweede verzoeker toelating tot inzage en afschrift van het dossier “nieuw administratief statuut en protocol” geeft; Het voorwerp van het beroep
  13. Overwegende dat, formeel, verzoekers de nietigverklaring vragen van het hele administratief statuut van 9 december 1998; dat er nochtans reden is, volgens verwerende partij, het voorwerp van het beroep te beperken tot de datum XII-2393-3/12 van de inwerkingtreding van het statuut of tot “het niet voorzien van overgangs- maatregelen [...] [ten behoeve van verzoekers] met betrekking tot de evaluatie”; dat verzoekers dit bijvallen, en in de laatste memorie toegeven dat zij “hun annulatieberoep richten tegen de laattijdige inwerkingtreding van het administratief statuut en het ontbreken van een overgangsregeling voor wat betreft de mogelijkheid naar een hogere weddeschaal over te stappen”; dat er bijgevolg reden is het voorwerp van het beroep dienovereenkomstig te bepalen; Afstand
  14. Overwegende dat Frans Hamelinck met een brief van 12 januari 2002 afstand doet van het geding; dat dan ook het beroep hierna nog alleen besproken wordt in zoverre het van de andere verzoekers uitgaat; De ontvankelijkheid 4.
  15. Overwegende dat verzoekers in het verzoekschrift menen “een evident belang” te hebben bij de vernietiging “doordat de bestreden beslissing hen de mogelijkheid ontneemt tot een hogere weddeschaal door te stromen”: “Door de laattijdige invoering van het administratief statuut en het niet voorzien van enige overgangsmaatregel werden zij immers de mogelijkheid ontnomen om te genieten van het nieuw geldelijk statuut dat uitwerking kreeg vanaf 1 oktober
  16. Binnen dit nieuw geldelijk statuut hadden zij nog voor hun pensionering tot een hogere weddeschaal kunnen doorstromen. Dit wordt hen nu echter onmogelijk gemaakt aangezien het nieuw administratief statuut voor de doorstroming naar een volgende trap vereist dat de betrokkene gunstig werd geëvalueerd. Het nieuw administratief statuut voorziet slechts een evaluatie vanaf 1 juli
  17. Verzoekers, die op dat ogenblik reeds waren gepensioneerd, konden dus niet meer worden geëvalueerd en konden wegens het ontbreken van enige overgangsmaatregel niet meer tot een hogere weddeschaal doorstromen”; Overwegende dat de verwerende partij het belang van verzoekers op uitvoerige wijze betwist; dat van hun kant verzoekers even uitvoerig staande houden “wel degelijk” belang te hebben; 4.
  18. Overwegende dat een onderzoek van en een uitspraak over de exceptie overbodig voorkomen; dat immers, zoals hierna zal blijken, het beroep in elk geval als ongegrond moet worden verworpen; XII-2393-4/12 De grond van de zaak 5.
  19. Overwegende dat in een eerste middel de schending van het zorgvuldigheids-, het redelijkheids-, het continuïteits- en het rechtszekerheids- beginsel wordt aangevoerd; dat verzoekers er op wijzen dat de provincieraad op 7 september 1994 had beslist om het nieuw geldelijk en administratief statuut in te voeren vanaf 1 oktober 1994, dat echter alleen het nieuw geldelijk statuut vanaf 1 oktober 1994 werd ingesteld en het nieuw administratief statuut slechts in werking trad vanaf 1 januari 1999, dat dit neerkomt op de intrekking van het provincieraadsbesluit van 7 september 1994, dat die intrekking “volledig onwettig” is en verwerende partij niet zomaar mag afwijken van haar besluit van 7 september 1994, dat anders dan in de andere provincies het invoeren van het nieuw statuut lang aansleepte, dat daarenboven aan het administratief statuut geen terugwerkende kracht werd verleend, dat tenminste verwerende partij in een overgangsmaatregel had kunnen bepalen “dat de ambtenaren met een gunstige beoordeling in het oude stelsel, en die door de trage uitvoering van het nieuwe stelsel ondertussen waren gepensioneerd, geacht worden te voldoen aan de voorwaarde van een gunstige evaluatie in het nieuwe stelsel”, dat niet in dergelijke maatregel is voorzien zodat de loopbaan van verzoekers geblokkeerd werd en zij het slachtoffer zijn geworden van het stilzitten van het bestuur; Overwegende dat verzoekers in de memorie van wederantwoord benadrukken dat het provincieraadsbesluit van 7 september 1994 duidelijk is, dat er geen discussie over kan bestaan dat beslist werd om zowel het nieuw geldelijk als het nieuw administratief statuut in te voeren vanaf 1 oktober 1994, dat het niet verlenen van terugwerkende kracht aan het nieuw administratief statuut de rechten schendt die zij op grond van het voormelde provincieraadsbesluit hadden verworven, dat verwerende partij onzorgvuldig is geweest door de invoering van het nieuw statuut te laten aanslepen tot 1999 en dat zij daarvoor geenszins een zogenaamd “streven om de nodige zorgvuldigheid aan de dag te leggen” als verontschuldiging kan doen gelden; Overwegende dat in de laatste memorie verzoekers daar nog aan toevoegen dat de vraag blijft waarom de provincieraad besliste om het nieuw geldelijk en administratief statuut in te voeren vanaf 1 oktober 1994 als hij dan toch “deze belofte niet kon waarmaken”, dat de verwerende partij het nieuw administratief statuut met terugwerkende kracht uitwerking had kunnen verlenen, dat in afwachting XII-2393-5/12 van de invoering van het nieuw administratief statuut toch reeds begonnen kon zijn met het onderdeel “beoordeling” uit het nieuwe statuut, zodat verzoekers de gunstige beoordeling konden hebben verkregen, nodig voor de doorstroming naar een hogere weddeschaal, dat verwerende partij echter gewoon is blijven stilzitten, dat zij evenmin in een overgangsregeling heeft voorzien; 5.
  20. Overwegende dat een vierde middel het vertrouwensbeginsel geschonden noemt; dat verzoekers uiteenzetten dat ze “reeds lang in de gaten [hadden] dat zij bij de invoering van het nieuw statuut benadeeld zouden worden”, dat zij daarom bij herhaling hun ongerustheid over de gang van zaken kenbaar maakten, dat hen evenwel in een schrijven van 10 juli 1997 van de provinciegriffier en in een schrijven van de ondervoorzitter van de provincieraad uitdrukkelijk verzekerd werd dat het nieuw administratief statuut ingevoerd zou worden vanaf 1 oktober 1994, dat aldus in hunnen hoofde gerechtvaardigde verwachtingen werden geschapen, die niet werden ingelost; dat in de memorie van wederantwoord bijkomend wordt opgemerkt dat de brieven van de provinciegriffier en de ondervoorzitter van de provincieraad op grond van de orgaantheorie aan de verwerende partij zijn toe te rekenen, en dat overigens de brief van de provincie- griffier geschreven is met medeweten, en dus onder de verantwoordelijkheid, van de gouverneur; 5.
  21. Overwegende dat op 7 september 1994 de provincieraad van Oost-Vlaanderen principieel beslist met ingang van 1 oktober 1994 onder meer het nieuw administratief statuut van het provinciepersoneel in te voeren conform de ministeriële omzendbrieven van 14 juli 1993 en 20 december 1993; dat die beslissing geen individuele draagwijdte heeft, maar deelt in het reglementair karakter van het statuut waarvan zij de datum van inwerkingtreding vastlegt; dat -anders dan verzoekers menen- een dergelijk voorschrift, vanwege het beginsel van de veranderlijkheid van de openbare dienst, niet onwijzigbaar is; 5.
  22. Overwegende dat het uiteindelijk tot 9 december 1998 duurt vooraleer de provincieraad het administratief statuut vaststelt, met inwerkingtreding op 1 januari 1999; dat die termijn langer is dan in de andere Vlaamse provincies; dat echter, in tegenstelling tot wat verzoekers beweren, hij bezwaarlijk aan “het stilzitten van het bestuur” kan worden toegeschreven; XII-2393-6/12 Overwegende dat, gelet op de door verwerende partij bijgebrachte stukken, het tijdsverloop hierdoor verantwoord wordt: op grond van de provincieraadsbeslissing van 7 september 1994 wordt een werkgroepoverleg gehouden; het resulteert in de concrete uitwerking van de personeelsformatie, het administratief statuut, het reglement contractuelen en het geldelijk statuut; eind 1995 wordt een “eerste grondige bespreking” van de ontwerpteksten met de vakbonden afgerond; een tweede bespreking ten gronde vindt plaats in april 1996; op 18 april 1996 beslist de bestendige deputatie dat voor het niet-gesubsidieerd personeel van het provinciaal onderwijs een afzonderlijk statuut moet worden opgesteld; de vakorganisaties dringen er op aan dat beide statuten naast elkaar worden besproken en goedgekeurd; met nota’s van 9 september 1996 en 13 november 1996 worden aan de bestendige deputatie discussiepunten voorgelegd die gebleken zijn uit besprekingen van het personeelsbehoefteplan begin april 1996, respectievelijk eind september 1996; het aantreden van een nieuwe gedeputeerde bevoegd voor personeel brengt mee dat in juni 1997 nog “enkele belangrijke wijzigingen” aan de ontwerpteksten van het personeelsstatuut worden voorgesteld; op grond van de beslissingen van 13 en 20 november 1997 van de bestendige deputatie worden de personeelsformatie en het nieuw personeelsstatuut bijgewerkt; op 23 december 1997 verklaart de bestendige deputatie zich principieel akkoord met de personeels- formatie; de formatie wordt op 9 februari 1998 met de vakorganisaties besproken; op 18 mei 1998 en 15 juni 1998 hebben besprekingen plaats met de toezichthoudende overheid, over het nieuw personeelsstatuut en de nieuwe formatie; op 27 augustus 1998 valt de bestendige deputatie niet alle opmerkingen van de toezichthoudende overheid bij; een afrondend gesprek met die overheid heeft plaats op 11 september 1998 en leidt tot een paar tekstwijzigingen aan het personeels-statuut; na behandeling van de aangepaste teksten in het hoog overlegcomité en het bijzonder onderhandelingscomité beslist de bestendige deputatie op 26 november 1998 om aan de provincieraad ontwerpen van besluit voor te leggen inzake de personeelsformatie, het administratief statuut, het reglement contractuelen en het geldelijk statuut; Overwegende dat op basis hiervan met de verwerende partij wordt aangenomen dat het tijdsverloop tussen de beslissing van 7 september 1994 en de raadszitting van 9 december 1998 genoegzaam verklaard wordt door “de veelheid van actoren en de complexiteit van de materie op zich, die voor alle betrokkenen een totaal nieuw gegeven was, alsook de voorafgaandelijk te nemen beleids-beslissingen”; XII-2393-7/12 5.
  23. Overwegende dat, voorts, zich de vaststelling opdringt dat de provincieraad op 7 september 1994 beslist heeft, niet alleen om met ingang van 1 oktober 1994 het nieuw administratief statuut in te voeren, maar ook om zulks “conform de normen en onderrichtingen bepaald in de ministeriële omzendbrieven dd/ 14.07.93 en dd/ 20.12.93” te doen; dat dit, gelet op deze omzendbrieven en op de omzendbrief van 8 maart 1994 in aansluiting op die van 20 december 1993, met betrekking tot de functionele loopbaan en de periodieke evaluatie betekent dat het stelsel “niet mag vervlakken tot een automatisme”, dat “een personeelslid niet kan geëvalueerd worden over een periode die voorafgaat aan de invoering van het nieuwe stelsel”, dat een evaluatie over een periode waarin het personeel niet op de hoogte was van de evaluatiecriteria “uiteraard” niet toegelaten is en dat de eerste evaluatieperiode slechts kan beginnen lopen na de beslissing over de invoering van de herziene personeelsformatie en het nieuw administratief en geldelijk statuut; Overwegende dat in dat licht het nieuw administratief statuut dan toch in zoverre aan de provincieraadsbeslissing van 7 september 1994 beantwoordt dat het in artikel 210, in overeenstemming met de voormelde ministeriële omzendbrieven, voorschrijft dat inzake de periodieke evaluatie de eerste evaluatieperiode begint vanaf de eerste dag van de maand die volgt “op de datum van vaststelling door de provincieraad”; 5.
  24. Overwegende dat de wens van verzoekers om op grond van het nieuw administratief statuut een hogere weddeschaal in de functionele loopbaan toegekend te krijgen vóór de datum waarop zij met pensioen gingen, begrijpelijk is; dat zij evenwel niet aannemelijk maken dat, nu het administratief statuut zulks niet mogelijk maakt, de verwerende partij onwettig heeft gehandeld; dat er geen sprake is van een verboden intrekking van de provincieraadsbeslissing van 7 september 1994; dat de vertraging in de vaststelling van het nieuw administratief statuut verschoonbaar is; dat zij voor verwerende partij geen reden moest zijn ervan af te zien om, in overeenstemming met de ministeriële omzendbrieven van 14 juli 1993 en 20 december 1994, de toekenning van de eerstvolgende weddeschaal in de functionele loopbaan afhankelijk te stellen van de gunstige evaluatie over een periode die pas na de vaststelling van het nieuw administratief statuut ingaat; dat ten slotte die voorwaarde -op zichzelf beschouwd- niet geacht kan worden de grenzen van de redelijkheid te buiten te gaan; Overwegende dat het eerste middel ongegrond is; XII-2393-8/12 5.
  25. Overwegende dat, in antwoord op een schrijven van de eerste verzoeker, de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen in een brief van 10 juni 1997 meedeelt dat de beslissing van 7 september 1994 “op vandaag” onverkort van kracht blijft; dat van zijn kant de ondervoorzitter van de provincieraad, in een schrijven van onbekende datum aan de eerste verzoeker, als zijn mening te kennen geeft dat er “geen spraak [is] van een wijziging van de ingangsdatum van het nieuwe statuut”; Overwegende dat, met andere woorden, de brieven niet meer doen dan eerste verzoeker er over inlichten dat vooralsnog de provincieraadsbeslissing van 7 september 1994 overeind blijft; dat hoger met betrekking tot die beslissing is geoordeeld dat zij er niét aan in de weg staat dat de verwerende partij de toekenning van een hogere weddeschaal in de functionele loopbaan heeft voorbehouden aan wie met goed gevolg een evaluatieperiode heeft doorlopen ná 1 januari 1999; dat de voormelde informatieve mededelingen daar niets aan veranderen; Overwegende dat ook het vierde middel ongegrond is; 6.
  26. Overwegende dat een tweede middel schending van het gelijkheidsbeginsel luidt; dat verzoekers nader uiteenzetten dat zij door de handelwijze van verwerende partij definitief geblokkeerd worden op hun weddeschaal, dat zij hierdoor ongelijk worden behandeld ten opzichte van hun “nog actieve collega’s” die immers wel “de mogelijkheid [krijgen] om verder door te stromen binnen de functionele loopbaan, zij het dat ook zij gedurende bijna vijf jaren op hun weddeschaal werden geblokkeerd”, dat zij bovendien gediscrimineerd worden ten opzichte van de contractuelen, voor wie wel in een overgangsregeling werd voorzien en namelijk, in artikel 216 van het administratief, in “een evaluatie naar vroeger toe”; dat in de memorie van wederantwoord verzoekers nog stellen dat er steeds naar gestreefd moet worden een zo gelijk mogelijke toestand te creëren voor actieven en gepensioneerden, wat hier niet is gebeurd, dat voor contractuelen blijkbaar wel kon worden afgeweken van de evaluatieprocedure, terwijl niet is aangetoond “waarom de beoordeling gegeven in het kader van een definitieve benoeming zou verschillen van die gegeven in het kader van de functionele loopbaan”; XII-2393-9/12 6.
  27. Overwegende dat artikel 216 van het administratief statuut voorschrijft, met betrekking tot een aantal welbepaalde personeelsleden die op grond van een volwaardig statutair aanwervingsexamen zijn aangeworven maar, bij gebrek aan statutaire betrekkingen in de oude personeelsformatie en in afwachting van de goedkeuring van de nieuwe personeelsformatie, in contractueel verband zijn aangesteld, dat zij in statutair verband worden benoemd op de eerste van de maand volgend op de goedkeuring van de personeelsformatie, op voorwaarde dat zij gunstig beoordeeld worden voor de periode van contractuele aanstelling; Overwegende dat, nog daargelaten de vaststelling dat deze “evaluatie naar vroeger toe” alleen ten goede komt aan personeelsleden die, anders dan verzoekers, voort in actieve dienst zijn, de regeling van het artikel 216 slechts een uitzonderlijke, zeer specifieke situatie betreft en zonder implicaties is met betrekking tot de algemene doelstellingen van het nieuwe personeelsbeleid waaraan het nieuw administratief statuut beoogt vorm te geven; dat daarentegen de regeling in verband met de periodieke evaluatie en de functionele loopbanen uit haar aard álle personeelsleden aanbelangt en direct raakt aan een van de fundamentele aspecten van dat nieuwe beleid - een aspect dat de verwerende partij zoals gezien niet wil laten verwateren tot een formaliteit: de verbetering van de dienstverlening aan de bevolking en de verhoging van de kwaliteit van het bestuur door de mogelijkheid te openen om aan waardevolle personeelsleden een hogere weddeschaal toe te kennen met behoud van dezelfde graad; Overwegende dat de situatie van verzoekers zich bijgevolg bezwaarlijk laat vergelijken met die van de begunstigden van voornoemd artikel 216; 6.
  28. Overwegende dat een vergelijking met de toedracht inzake de periodieke evaluatie van de nog actieve collega’s van verzoekers dan beter lijkt op te gaan; dat op het stuk van die periodieke evaluatie, evenwel, deze collega’s niet beter behandeld zijn dan verzoekers; dat zij, zoals verzoekers zelf opmerken, evengoed in hun weddeschaal geblokkeerd zijn gebleven; dat ook zij de gevolgen ervan moeten ondergaan dat de verwerende partij -de meer vernoemde ministeriële omzendbrieven achterna- niet heeft gewild dat het stelsel van de functionele loopbaan zou vervlakken tot een automatisme; dat voor iedereen gelijk geldt dat, overeenkomstig het nieuwe administratief statuut, de toekenning van een volgende weddeschaal in de functionele loopbaan slechts kan worden verkregen indien eerst XII-2393-10/12 met goed gevolg een evaluatieperiode ná de inwerkingtreding van het administratief statuut is doorlopen; 6.
  29. Overwegende dat het tweede middel ongegrond is; 7.
  30. Overwegende dat volgens een derde middel de rechten van verdediging van verzoekers geschonden zijn; dat verzoekers in de eerste plaats toelichten dat verwerende partij blijkbaar alles in het werk heeft gesteld om het hen bij het indienen van het annulatieverzoek zo moeilijk mogelijk te maken, dat zij “bij wijze van spreken hemel en aarde [hebben] moeten bewegen om inzage te krijgen in het nieuw administratief statuut” en dat ook de inzage van andere stukken moeilijk verliep; dat, vervolgens, verzoekers hun rechten van verdediging ook hierdoor geschonden zien dat de bestreden beslissing hen belet naar een hogere weddeschaal door te stromen, wat gelijkstaat met een “feitelijke ongunstige evaluatie” waartegen zij geen beroep kunnen instellen; Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoekers beklemtonen dat zij het alleen aan hun eigen diligentie te danken hebben dat zij “er ondanks alle tegenwerking toch in geslaagd zijn een verzoekschrift in te dienen”; 7.
  31. Overwegende dat met de verwerende partij niet wordt ingezien hoe de moeilijkheden die verzoekers beweerdelijk ondervonden hebben om tijdig kennis te nemen van de bestreden beslissing en van de stukken van het betreffende dossier, die beslissing zelf aangetast kunnen hebben; dat de betreffende kennisgevingsperikelen niet vermogen de onwettigheid van het administratief statuut aan te tonen; Overwegende, voor het overige, dat de onmogelijkheid om verzoekers vanwege hun pensionering nog te evalueren met het oog op een overgang naar een volgende weddeschaal in de functionele loopbaan, zich geenszins laat omschrijven als een “feitelijke ongunstige evaluatie”; Overwegende dat het derde middel ongegrond is, XII-2393-11/12 BESLUIT: Artikel
  32. De afstand van geding door Frans Hamelinck wordt vastgesteld. Artikel
  33. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  34. De kosten van het beroep, bepaald op 1735,25 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een tiende. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2393-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.916 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.