← België

Arrest 153918 - - 19/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.918 Rolnummer: A. 71825/XII-1962 Zaak: Arrest 153918 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-27 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 08:29 Fiche Arrest nr 153.918 van 19 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.918 van 19 januari 2006 in de zaak A. 71.825/XII-

  1. In zake : Luc D'HOOGHE, die woonplaats kiest bij advocaat C. Van Aerde, kantoor houdende te Brugge, Rijselstraat 274 tegen : de STAD BRUGGE, die woonplaats kiest bij advocaten A. Lust en J. D'Hoest, kantoor houdende te Sint-Andries-Brugge, Burggraaf de Nieulantlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc D’Hooghe op 29 oktober 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 5 april 1996 van het college van burgemeester en schepenen van Brugge om hem geen toelating te verlenen voor het plaatsen van automatische verdelers op het grondgebied van Brugge; Gelet op het arrest nr. 130.282 van 15 april 2004 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van verzoeker; XII-1962-1/8 Gelet op de beschikking van 23 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Van den Wijngaert, die loco advocaat C. Van Aerde verschijnt voor verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat te Brugge artikel 1 van de politieverordening van 24 september 1985 betreffende het gebruik van de openbare weg verbiedt “om het even welke voorwerpen, levende wezens, bomen of gewassen op de openbare weg te plaatsen”; dat overeenkomstig het artikel 2 uitzonderingen op dit verbod kunnen worden toegestaan door het college van burgemeester en schepenen bij langdurig gebruik van gemeentewegen, en door de burgemeester of zijn gemachtigde in de overige gevallen; Overwegende dat verzoeker met brief van 25 januari 1996 aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge vraagt vijf verdeel- apparaten van klein speelgoed en gadgets op het trottoir te mogen opstellen, op drie plaatsen in het toeristisch centrum; dat het schepencollege op 5 april 1995 de gevraagde toelating weigert, gelet onder meer op de collegebeslissing van 14 april 1995 om “publicitaire aandachtstrekkers onder gelijk welke vorm” van de openbare weg te weren; dat van de aangevochten beslissing aan verzoeker kennis wordt gegeven met een brief van 11 april 1996;
  4. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel in de eerste plaats de formele merites van het bestreden besluit bekritiseert; dat hij toelicht dat het besluit ter verantwoording verwijst naar een collegebeslissing van 14 april 1995 die hem nooit is meegedeeld en waarvan hij geen kennis heeft; dat verzoeker vervolgens doet gelden dat zijn automatische speelgoedverdelers geenszins als publicitaire aandachtstrekkers beschouwd kunnen worden, dat zij slechts geringe afmetingen hebben, discreet tegen de gevel worden opgesteld en in neutraal grijze tinten XII-1962-2/8 geschilderd zouden worden, en dat bovendien verwerende partij het plaatsen van andere voorwerpen, die ook nog meer plaats innemen dan zijn verdelers, dan weer wel op het grondgebied van de stad toelaat; Overwegende dat, zoals de Raad van State ook al bij de bespreking van het vierde middel, in zijn voormeld arrest nr. 130.282, mocht opmerken, aan het bestreden besluit contacten tussen verzoeker en de schepen bevoegd voor lokale economie zijn voorafgegaan; dat daarbij de schepen in een brief van 19 februari 1996 met zoveel woorden heeft meegedeeld “dat in het College zeer veel bezwaar gemaakt werd tegen uw aanvraag omwille van de grootte van de verdeelautomaten” en dat “[u]itgerekend om dergelijke grote ‘aandachttrekkers’ uit het straatbeeld te weren” het college op 14 april 1995 heeft beslist geen toelating te verlenen voor de plaatsing van “zulke grote verdeelautomaten”; dat, gevraagd om een kleiner model voor te stellen, verzoeker met brief van 4 maart 1996 onder andere heeft gereageerd dat zijn toestel kleiner is dan het toestel “waarop het verbod slaat van het Besluit van College op 14 april 1995”; dat hieruit wordt opgemaakt dat het betreffende besluit verzoeker kennelijk niet onbekend is; Overwegende bovendien, waar het college van burgemeester en schepenen uiteindelijk bij zijn initiële bezwaren blijft en op 5 april 1996 de gevraagde toelating weigert, het de toepasselijke inhoud van de collegebeslissing van 14 april 1995 in zijn weigering expliciet aanhaalt en aldus in de kennisgevingsbrief van 11 april 1996 aan verzoeker verwoordt: “Het college van burgemeester en schepenen, besliste in zitting van 14.04.1995, alle publicitaire aandachtstrekkers onder gelijk welke vorm ook, niet toe te laten en dus van de openbare weg te weren. Onder aandachtstrekkers worden verstaan, elke ‘vorm’ die publiciteit maakt zoals afzonderlijke panelen, sandwichborden, schildersezels, mobielen, ballons, dispensers, tuinfakkels, tuinkaarsen, kortom alles wat tot doel heeft de aandacht van de voorbijgangers te trekken”; Overwegende dat het eerste onderdeel van het middel bijgevolg feitelijke grond mist; Overwegende, met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel, dat niet wordt aangetoond dat de verwerende partij de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan door verzoekers dispensers als al te opzichtige publicitaire aandachtstrekkers te hebben beschouwd; dat ook al beoogt XII-1962-3/8 verzoeker met de plaatsing van de automaten slechts in zijn levensonderhoud te voorzien, dit niet wegneemt dat de automaten als blikvangers fungeren, en te beschouwen zijn, voor de handelszaken waarbij zij geplaatst worden; dat, voorts, de verwerende partij inzonderheid aanstoot neemt aan hun hoogte; dat, zoals de schepen bevoegd voor lokale economie met een brief van 14 maart 1996 aan verzoeker berichtte, de hoogte te zeer afwijkt van die van de traditionele kauwgomverdelers; dat noch het feit dat verzoekers toestellen slechts 0,50 m “vooruitkomen”, noch het feit dat zij in grijze tinten geschilderd zouden worden voor verwerende partij een reden moest zijn om dan maar hun bezwaarlijke hoogte voorbij te zien; Overwegende, in zoverre verzoeker de deugdelijkheid van de motieven van de bestreden beslissing in het gedrang ziet komen doordat andere voorwerpen wel op het grondgebied van de stad geplaatst mogen worden, dat de vergelijking van zijn speelgoedautomaten met die andere voorwerpen niet opgaat; dat met betrekking tot het plaatsen van voorwerpen op de openbare weg, de verwerende partij kennelijk uitgaat van een substantieel onderscheid tussen het uitstallen van de handelswaar zelf die in de betrokken zaak wordt verkocht en het plaatsen van andere aandachtstrekkers; dat die zienswijze kan worden bijgevallen; dat het zich vanuit die optiek laat verstaan en niet als een schending van de gelijkheidsregel kan worden beschouwd dat enerzijds verwerende partij de plaatsing van automaten als die van verzoeker, des te meer nog gelet op hun hoogte, niet toelaat en anderzijds zich niet verzet tegen het etaleren van groenten bij een groentehandel en bloemen bij een bloemenzaak, of tegen de plaatsing van rekken met postkaarten en toeristenfolders bij een winkel waar die kaarten en info te koop worden aangeboden; dat tevergeefs ook verzoeker zijn toestellen vergelijkt met parkeermeters en telefooncellen; dat parkeermeters en telefooncellen zich niet als een publicitaire aandachtstrekker laten omschrijven; Overwegende dat ook het tweede onderdeel van het middel ongegrond is;
  5. Overwegende dat volgens een tweede middel de hoorplicht en de rechten van verdediging geschonden zijn, doordat verzoeker nooit in kennis is gesteld van de collegebeslissing van 14 april 1995 en doordat hij nooit is gehoord door het college van burgemeester en schepenen; XII-1962-4/8 Overwegende dat verzoeker op 25 januari 1996 het schepencollege om een vergunning voor het plaatsen van vijf verdeelapparaten vraagt; dat hij zijn aanvraag uitvoerig toelicht; dat de schepen bevoegd voor lokale economie hem met een brief van 19 februari 1996 meedeelt dat er in het schepencollege tegen de aanvraag bezwaar is gerezen vanwege de grootte van de verdeelautomaten en zijn beslissing van 14 april 1995 om net geen toelating te verlenen voor de plaatsing van zulke grote verdeelautomaten; dat de schepen vraagt eventueel een kleiner model voor te stellen; dat in zijn antwoord van 4 maart 1996 verzoeker onder meer repliceert “dat het technisch niet haalbaar was het toestel te verkleinen” en “dat ons toestel [...] heel wat kleiner is dan het toestel waarop het verbod slaat van het Besluit van het College op 14 april 1995”; Overwegende dat het voorgaande uitwijst dat verzoeker duidelijk niet onwetend is van de collegebeslissing van 14 april 1995, noch zich met recht erover mag beklagen niet nuttig zijn standpunt te hebben kunnen doen gelden; dat het middel ongegrond is;
  6. Overwegende dat in een derde middel de schending van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel wordt aangevoerd; dat verzoeker toelicht dat hij sinds 1974 aan verwerende partij belastingen heeft betaald voor het plaatsen van automatische verdelers op de openbare weg, ook nog na de politieverordening van 24 september 1985, dat hij, gelet op het jarenlange gedogen, er dan ook rechtmatig mocht op vertrouwen dat hij niet meer zou worden bedreigd in zijn bestaande situatie en dat hem een vergunning zou worden verleend; Overwegende dat de aanvraag van verzoeker vooral is afgestuit op de hoogte van zijn dispensers; dat ter zake de schepen in een brief van 14 maart 1996 aan verzoeker specificeerde: “afwijking te groot ten opzichte van traditionele kauwgomverdelers”; dat reeds in het tussenarrest nr. 130.282 werd geoordeeld dat niets de feitelijke juistheid daarvan tegenspreekt; dat alleen al hierom een beroep op de in het middel aangevoerde beginselen faalt omdat niet op voldoende wijze aannemelijk wordt gemaakt dat de destijds betaalde belastingen en het zogenaamde gedogen van verwerende partij dezelfde, even hoge, dispensers betreft als degene waarop de bestreden weigering betrekking heeft; dat, integendeel, uit de stukken 2 en 3 van het administratief dossier moet worden opgemaakt dat verzoekers apparaten aanvankelijk maximaal 1,20 m hoog waren en niet, zoals de apparaten waarvoor het XII-1962-5/8 aangevochten besluit de toelating weigert, meer dan 1,40 m; dat het middel ongegrond is;
  7. Overwegende dat een vijfde middel het redelijkheids-, billijkheids- en evenredigheidsbeginsel geschonden noemt; dat in de eerste plaats verzoeker het college onredelijkheid en onbillijkheid verwijt omdat het na een jarenlange toelating tot plaatsing van verdeelautomaten op de openbare weg, plots met een onduidelijke en niet afdoende motivering weigert een vergunning toe te kennen; dat in de tweede plaats wordt betoogd dat het “eventuele” belang van de stad niet evenredig is met het belang van verzoeker om zijn broodwinning te behouden; Overwegende dat het eerste onderdeel van het middel in hoofdzaak samenvalt met het derde middel, dat hiervoor ongegrond is bevonden; dat voor het overige wordt verwezen naar de bespreking van het eerste middel, in welk middel ook al kritiek werd geleverd op de motivering; dat het eerste onderdeel verworpen wordt; Overwegende dat het belang van de stad allesbehalve “eventueel” of onzeker is; dat het direct verband houdt met de vrijwaring van het historisch stadsbeeld; dat het om een volstrekt legitiem belang gaat; dat, bij gebreke aan iedere nadere toelichting en precisering, dan weer wel onzeker is op welke wijze de bestreden beslissing verzoekers broodwinning in het gedrang kan brengen; dat de beslissing per slot van rekening slechts de plaatsing van vijf verdeelapparaten betreft; dat juist om die reden in het arrest nr. 64.141 van 22 januari 1997, over de vordering tot schorsing van verzoeker, een belangrijke weerslag ervan op het omzetcijfer en de financiële draagkracht van zijn onderneming niet werd aangenomen; Overwegende dat de bestreden weigering zowel geschikt als noodzakelijk voorkomt voor de verwezenlijking van het door de verwerende partij nagestreefde doel; dat, voorts, op grond van de beschikbare gegevens, geenszins blijkt dat het nadeel dat de bestreden weigering verzoeker doet oplopen, onevenredig is aan het door de stad beoogde voordeel; dat het tweede onderdeel van het middel ongegrond is; XII-1962-6/8
  8. Overwegende dat een zesde middel de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doet gelden, doordat verwerende partij het plaatsen van andere voorwerpen wel toelaat op het grondgebied van de stad; dat verzoeker meer bepaald verwijst naar groenten- en bloembakken, rekken voor toeristenfolders en postkaarten, parkeermeters en telefooncellen; dat hij in de memorie van wederantwoord bijkomend ook menukastjes ter sprake brengt, en betoogt dat andere firma’s wel automatische speelgoedverdelers op het grondgebied van de stad mogen plaatsen; Overwegende dat het middel goeddeels samenvalt met een gedeelte van het tweede onderdeel van het eerste middel; dat dit gedeelte hoger is besproken en, vanwege de onvergelijkbaarheid tussen verzoekers speelgoed-automaten en de voormelde groenten, bloemen, rekken, parkeermeters en telefooncellen, is verworpen; dat ook “menukastjes aan de gevel” van restaurants zich niet met verzoekers verdeelapparaten laten vergelijken; dat zij geenszins de hoogte hebben die voor verzoekers dispensers prohibitief was en wél rechtstreeks verband houden met wat wordt verkocht in de handelszaak waaraan zij zijn bevestigd; dat, tenslotte, de automatische speelgoedverdelers die andere firma’s mogen plaatsen de zogenaamde “traditionele” toestellen, met een maximale hoogte van 1,20 m, zijn; dat evenwel verzoeker om een toelating heeft gevraagd voor toestellen van meer dan 1,40 m hoog; dat voornamelijk vanwege die hoogte zijn aanvraag op bezwaren stuitte en verworpen is; dat verzoeker niet aantoont ongelijk te zijn behandeld ten opzichte van anderen die in een vergelijkbare situatie verkeren; dat het middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  9. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-1962-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1962-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.918 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.64.141 ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.130.282 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.