← België

Arrest 153919 - - 19/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.919 Rolnummer: A. 65622/XII-2114 Zaak: Arrest 153919 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-27 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 08:29 Fiche Arrest nr 153.919 van 19 januari 2006 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.919 van 19 januari 2006 in de zaak A. 65.622/XII-

  1. In zake : Willy EERSELS, wonende te Genk, Hoogzij 16 tegen : de STAD GENK, die woonplaats kiest bij advocaten H. Geyskens, A. Vandeurzen, A. Van der Graesen, C. Coomans, M. Boes en W. Mertens, kantoor houdende te Beringen, Scheigoorstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willy Eersels op 18 september 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 22 maart 1995 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Genk waarbij zijn beroep tegen zijn 6 januari 1995 gedateerde evaluatie “ongunstig” verworpen wordt; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 1 september 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-2114-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens die verschijnt voor verzoeker en van advocaat A. Beelen, die loco advocaat H. Geyskens verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat verzoeker, tekenaar in dienst van de stad Genk, op 6 januari 1995 geëvalueerd wordt door directeur I.C. en hoofdtekenaar A.N.; dat de eindbeoordeling “ongunstig” is; dat verzoeker tegen de beoordeling beroep instelt bij de beroepscommissie; dat zij op 7 maart 1995 aan het college van burgemeester en schepenen adviseert het beroep te verwerpen; dat zo geschiedt met de bestreden beslissing, ter collegezitting van 22 maart 1995;
  4. Overwegende dat verwerende partij in het verzoekschrift de tijdigheid van het beroep betwist; dat zij er op wijst dat de bestreden beslissing op 27 maart 1995 aan verzoeker betekend werd en het beroep pas op 22 september 1995 bij de Raad van State is toegekomen; Overwegende dat verzoeker tegen de beslissing van 22 maart 1995 van het college van burgemeester en schepenen met een brief van 18 april 1995 aan de gouverneur van de provincie Limburg, een bezwaar heeft ingediend bij de met het algemeen toezicht belaste overheid; dat het bezwaar is ingesteld zowel binnen de beroepstermijn voor de Raad van State als binnen de termijn waarover de gouverneur beschikt om over de collegebeslissing zijn toezichtsbevoegdheid uit te oefenen; dat in dergelijk geval de beroepstermijn gestuit wordt totdat de bezwaarindiener kennis is gegeven van het gevolg aan zijn bezwaar; dat tevergeefs verwerende partij daartegen een beroep doet op de “heersende rechtspraak van de Raad van State”, volgens welke de annulatietermijn zou ingaan de dag na het verstrijken van de toezichtstermijn waarover de toeziende overheid beschikt; dat het argument in elk geval sinds het arrest van de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State inzake Van Middel, nr. 93.290 van 13 februari 2001, grond mist; XII-2114-2/6 Overwegende dat de provinciegouverneur met een schrijven van 11 augustus 1995 aan verzoeker liet weten dat er onvoldoende redenen waren om de collegebeslissing van 22 maart 1995 ongedaan te maken; dat het beroep binnen de zestig dagen nadien is ingesteld, met een schrijven dat op 18 september 1995 aangetekend aan de Raad van State werd toegestuurd en op 21 september 1995 is aangevuld met een eveneens aangetekend verzonden “Erratum”; dat het beroep tijdig is en de exceptie verworpen wordt;
  5. Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie opmerkt dat verzoeker met ingang van 1 juli 1998 definitief het ambt heeft neergelegd; dat zij zich afvraagt: “In hoeverre zou een eventuele vernietiging van de bestreden rechtshandeling de voor verzoeker nadelige gevolgen van de bestreden beslissing nog ongedaan kunnen maken”?; dat verzoeker daar op antwoordt dat een vernietiging “tot gevolg [zou] hebben dat verzoekers financiële loopbaan rechtgezet en zijn pensioen aangepast moet worden”; Overwegende dat, in zoverre in de opmerking van verwerende partij een exceptie van gebrek aan belang moet worden gelezen, er reden is ze te verwerpen; dat een vernietiging de minimumvoorwaarde is voor de door verzoeker gewenste reconstructie van zijn financiële loopbaan en verhoging van zijn pensioen; 4.
  6. Overwegende dat verzoeker wezenlijk drie middelen aanvoert: de schending van substantiële pleegvormen, de ontstentenis van zorgvuldige feitenvinding en feitelijk aanvaardbare motieven, en de schending van het redelijkheidsbeginsel; dat alleen het eerste middel in het auditoraatsverslag wordt besproken; Overwegende dat in het eerste middel vier “schendingen van de procedure” worden aangeklaagd: “- de functiebeschrijving werd slechts 14 dagen op voorhand kenbaar gemaakt waarbij elementen van zijn takenpakket zoals signalisatieopdrachten, snijden van letterteksten, uitvoeren van foto-opdrachten niet meer werden opgenomen; - er vond pas geen kwotering na evaluatiecriteria plaats (gunstig of ongunstig); - er was geen enkele aanduiding i.v.m. het functioneringsgesprek. Dit gesprek heeft trouwens niet plaatsgevonden; - de eindbeoordeling is ongunstig maar er is geen beschrijving ingevuld”; XII-2114-3/6 4.
  7. Overwegende, met betrekking tot de eerste schending van de procedure, dat de evaluatie er volgens artikelen 63 en 74 van het toepasselijke administratief statuut onder meer in bestaat af te wegen in welke mate het personeelslid aan de functiebeschrijving beantwoordt; dat niet blijkt voorgeschreven hoe en wanneer van de functiebeschrijving dient te worden kennis gegeven; dat het personeelslid er niettemin, en vanzelfsprekend, voldoende weet moet van hebben opdat het er bij de uitoefening van de functie rekening mee kan houden; Overwegende dat, te dezen, verzoeker volgens de memorie van antwoord “zeer goed wist wat van [hem] verwacht werd”, ook al zou hij pas eerder laat een formele functiebeschrijving hebben ontvangen; dat verzoeker dat -opvallend- niet betwist; dat hij zich ertoe beperkt om in antwoord op het verweer van de verwerende partij dat het doel van de procedurewaarborg bereikt is, niet zonder enig sarcasme te stellen dat zijns inziens het doel was: “het hem toekennen van een ongunstige evaluatie”; dat niet blijkt dat de laattijdige mededeling van de formele functiebeschrijving verzoeker op enigerlei wijze heeft benadeeld; dat het middel wat dat betreft niet wordt bijgevallen; 4.
  8. Overwegende, met betrekking tot de tweede schending van de procedure, dat verzoekers evaluatiestaat -onder punt A- de “evaluatiecriteria” vermeldt; dat ter zake voor elk criterium de “Mogelijke quotering” “gunstig” of “ongunstig” is; dat te dezen blijkbaar elk criterium ook effectief met “G” of “OG” is gequoteerd; dat het besproken middelonderdeel, zoals het door de Raad van State begrepen wordt, ongegrond is; 4.
  9. Overwegende, met betrekking tot de derde schending van de procedure, dat blijkens de artikelen 64 en 74 van het administratief statuut een functioneringsgesprek mág telkens een chef dat wil, maar moét in het kader van een evaluatie, waarvan het immers “een verplicht onderdeel” vormt; dat het functioneringsgesprek in het laatste geval, volgens het artikel 64, een gesprek is “dat de begeleiding van de medewerker naar de optimale uitoefening van de functie beoogt”; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord op het middelonderdeel reageert dat verzoeker onwillig was een functionerings- gesprek te voeren, dat hij enkel schriftelijke opmerkingen wou formuleren, en dat dit ook op de evaluatiestaat van 6 januari 1995 vermeld is geworden; dat verzoeker in XII-2114-4/6 de memorie van wederantwoord niet tegenspreekt dat hij weigerde andere dan schriftelijke opmerkingen te maken, maar er aan toevoegt : “Het is namelijk zo dat de opmerking van verzoeker dient geïnterpreteerd te worden in het kader van de voorafgaandelijke zaken die eveneens het voorwerp van de betwisting uitmaken. Verzoeker heeft niet het gevoel gehad op objectieve wijze te zijn beoordeeld. Hij heeft derhalve pogen te verweren. Dit belet niet dat in hoofde van de tegenpartij alle proceduriële voorschriften dienen te worden nageleefd en dat men verzoeker formeel diende uit te nodigen voor het evaluatiegesprek”; Overwegende dat de Raad van State uit een en ander begrijpt dat verzoeker, ofschoon uitgenodigd naar de evaluatie van 6 januari 1995 en daarmee ook naar het functioneringsgesprek dat er een verplicht onderdeel van is, er zelf voor gekozen heeft, om hem eigen redenen, geen gesprek met zijn evaluatoren te voeren - zoals hij overigens ook verkozen heeft het evaluatieverslag niet voor kennisneming te ondertekenen; dat verzoeker de in het middelonderdeel aangevoerde onregelmatigheid in wezen aan zichzelf te wijten heeft; dat zij niet tot vernietiging kan leiden; 4.
  10. Overwegende, met betrekking tot de vierde schending van de procedure, dat naar eis van artikel 71, laatste lid, van het administratief statuut de ongunstige evaluatie “verder gemotiveerd [wordt] in de beschrijvende evaluatie”; dat in het evaluatieverslag in de onderhavige zaak, op bladzijde 3, verwerende partij “op basis van de quotering onder punt A” tot de eindbeoordeling “ongunstig” komt; dat de daaropvolgende lijnen bestemd voor de “beschrijving” leeg zijn gebleven; dat wel een beschrijving te vinden is op de bladzijde ervoor, als opmerking bij de quotering voor de evaluatiecriteria van punt A; Overwegende dat het volgens de verwerende partij, in de memorie van antwoord, “een zinloos formalisme zou zijn te eisen dat [in] de kwalitatieve beschrijving nog eens expliciet moet herhaald worden wat overigens reeds op voldoende wijze uit de evaluatiestaat blijkt”; dat verzoeker in de memorie van wederantwoord dupliceert “dat de opgelegde -substantiële- vormvereisten geen ruimte laten voor interpretatie in die zin”; XII-2114-5/6 Overwegende dat, anders dan het besproken onderdeel aanneemt, het onderzoek van de evaluatoren wel degelijk blijkt geresulteerd te hebben in een beschrijvende kwalitatieve evaluatie, weze het dat die evaluatie op bladzijde 2, en niet 3, van het evaluatieverslag over verzoeker voorkomt; dat daarmee geen substantieel vormvereiste is geschonden; dat het vierde middelonderdeel grond mist; 4.
  11. Overwegende dat het eerste middel in zijn geheel verworpen wordt, BESLUIT: Artikel
  12. De debatten worden heropend. Artikel
  13. Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2114-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.919 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.841 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.