← België

Arrest 153936 - - 19/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.936 Rolnummer: A. 82635/VII-17858 Zaak: Arrest 153936 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-31 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 08:30 Fiche Arrest nr 153.936 van 19 januari 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.936 van 19 januari 2006 in de zaak A. 82.635/VII-17.

  1. In zake : de b.v.b.a. MERVERA, die woonplaats kiest bij Advocaat J. SURMONT, kantoor houdende te TURNHOUT, de Merodelei 112 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. BALLON, kantoor houdende te ANTWERPEN, Britselei
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. MERVERA op 22 februari 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 23 december 1998 waarbij het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 11 juni 1998, houdende het verlenen aan de verzoekende partij van de vergunning om een inrichting gelegen te Ravels, Arendonksesteenweg 28, te veranderen, gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en de vergunning aan verzoekende partij wordt geweigerd; Gelet op het arrest nr. 81.392 van 28 juni 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; VII-17.858-1/11 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 31 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 10 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. JANSEN die, loco Advocaat J. SURMONT verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat H. VAN OPSTAL die, loco Advocaat M. BALLON verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feitelijke gegevens van de zaak Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak zich als volgt aandienen: 1.
  4. Op 24 oktober 1990 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels akte van de aangifte door verzoekende partij van "het bestaan van een bedrijf inhoudende 448 runderen, 2300 m³ mestopslag, e.m. 3 Kw; gelegen te 2380 Ravels, Arendonksesteenweg 28". De aktename geldt als vergunning voor een termijn van 30 jaar (ingevolge artikel 71 van Vlarem I beperkt tot 1 september 2011). VII-17.858-2/11 1.
  5. Op 18 december 1997 dient de verzoekende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een milieuvergunningsaanvraag in voor de verandering van haar inrichting. Verzoekende partij wil het aantal runderen verminderen tot 52 stuks, doch 37.000 stuks pluimvee houden. In bijlage 1 bij de vergunningsaanvraag beschrijft verzoekende partij welke omvorming zij precies wil bewerkstelligen. In die bijlage staat te lezen dat de "bestaande vergunningen" betrekking hebben op 292 runderen en 2.300 m³ mestopslag. Bijlage 7 bij de vergunningsaanvraag omvat een uitvoeringsplan. Daaruit blijkt dat twee bestaande rundveestallen zullen worden omgevormd tot twee vleeskippenstallen, met in elke stal 18.500 dieren. De verzoekende partij stelt met betrekking tot elke om te vormen rundveestal dat het gaat om "12 boxen voor groepshuisvesting (10 rund/box)". De bestaande te behouden rundveestal omvat "13 boxen voor groepshuisvesting (4 jonge rund/box)". Dit brengt het totaal op 240 runderen en 52 jonge runderen, hetgeen correspondeert met wat in de hierboven genoemde bijlage 1 werd opgegeven. Bijlage 10 omvat een overzicht van de mestproductie en de mestafzet. Daaruit blijkt dat verzoekende partij 52 runderen jonger dan 1 jaar zou houden en 240 andere runderen. 1.
  6. Op 11 juni 1998 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde vergunning. 1.
  7. Met een aangetekend schrijven van 31 juli 1998 stelt de Vlaamse Landmaatschappij beroep in tegen het voormelde besluit van de bestendige deputatie. In het beroepschrift wordt gesteld : "De gekende vergunningsbeslissingen op dit adres zijn: Op Arendonkseweg 28 op naam van Mertens Peter datum overheid omschrijving aantal 16-03-73 tot 16-03-03 CBS (vergunning) Grote zoogdieren 50 14-10-77 tot 14-10-07 CBS (aktename) Varkens 300 Grote zoogdieren 124 24-10-90 tot 01-09-11 CBS (aktename) Grote zoogdieren 150 Mestopslag 584 m³ Elektromotoren 8 kW Dat op dit zelfde adres echter door een rechtspersoon, nog volgende inrichting uitgebaat wordt: Op naam van Mervera BVBA. VII-17.858-3/11 datum overheid omschrijving aantal 24-10-90 tot 01-09-11 CBS (aktename) Grote zoogdieren 448 Mestopslag 2.300 m³ Elektromotoren 3 kW Uitgaande van de Mestbankaangifte van deze inrichting, rekening houdende met de gekende vergunningsbeslissingen, kan gesteld worden dat er minder dan 50% van de vergunde dierenpopulatie aangegeven is. Bijgevolg is de omzendbrief van de Minister van 19 december 1996 van toepassing op deze inrichting en dient de vergunning van deze inrichting derhalve te worden beperkt. Hierdoor dient de aangevraagde omvorming van diersoort aanzien te worden als een aanvraag met stijging van de vergunde P2O5 produktie. Bovendien rekende de aanvrager aanvankelijk in zijn dossier inderdaad met de verminderde aantallen conform de omzendbrief van 19-12-96, maar stelde dat de vergunde runderen moesten gerekend worden als 'andere runderen'. In de jaarlijkse aangifte van dit bedrijf bij de Mestbank werden echter nooit 'andere runderen' aangegeven maar steeds runderen jonger dan 1 jaar en runderen tussen 1 en 2 jaar. Tijdens de zitting van de PMVC werd dan weer een bedrijfseigen reden aangehaald waardoor er minder runderen gehouden werden. Deze bedrijfseigen reden is echter de markteconomische toestand van de rundveesector, welke wij niet kunnen accepteren als bedrijfseigen reden zoals gesteld in de omzendbrief van 19-12-
  8. De Vlaamse Landmaatschappij is van oordeel dat:
  9. De bestreden beslissing een stijging van de vergunde mestproduktie van deze inrichting tot gevolg heeft die strijdig is met de bepalingen van artikel 4 van het Vergunningsbesluit.
  10. De vergunning ten dele vervallen is". 1.
  11. In het kader van de beroepsprocedure worden een reeks adviezen uitgebracht: (a) op 20 augustus 1998 adviseert AROHM principieel gunstig; (b) op 14 september 1998 adviseert de administratie Gezondheidszorg principieel gunstig; (c) op 12 oktober 1998 adviseert de Vlaamse Landmaatschappij als volgt ongunstig : "Wat is de vergunde mestproductie van deze inrichting ? Om te kunnen uitmaken wat de vergunde mestproductie van een inrichting is dient eerst uitgemaakt te worden in hoeverre de in het verleden verleende vergunningen nog geldig zijn. Immers, krachtens artikel 46 van VLAREM I vervalt een vergunning van rechtswege indien die vergunning of een deel ervan gedurende minstens 2 opeenvolgende jaren niet in exploitatie was. Elke landbouwer dient jaarlijks bij de Mestbank o.a. aangifte te doen van het aantal dieren dat het voorbije jaar gemiddeld gehouden werd op een inrichting maar ook van het aantal dieren dat maximaal op een inrichting kon gehouden worden. Dit laatste wordt omschreven als het aantal standplaatsen en zou moeten overeenkomen met het aantal vergunningsplichtige dieren dat kan gehouden worden op een inrichting. Derhalve is de Mestbankaangifte op zich reeds een ernstige indicatie over het nog geldig zijn van in het verleden verleende vergunningen. Bovendien geeft de Mestbankaangifte van een inrichting ook een indicatie over het soort dieren er op een inrichting gehouden worden. VII-17.858-4/11 Milieuvergunningen specificeren quasi nooit welke runderen op een inrichting mogen gehouden worden. Nochtans is deze onderverdeling essentieel om de vergunde mestproductie van een inrichting te kunnen berekenen. (...) De vergunde mestproductie van deze inrichting Uitgaande van de Mestbankaangifte van deze inrichting, kan gesteld worden dat minstens gedurende 2 opeenvolgende jaren, zijnde aanslagjaren 1996 en 1997, slechts gemiddeld 169 stuks grote zoogdieren werden gehouden op deze inrichting. Overeenkomstig de omzendbrief van de Minister m.b.t. de toepassing van artikel 46 van VLAREM-I moet gesteld worden dat er nog slechts een vergunning is voor maximum 254 grote zoogdieren, waarvan. Bij plaatsbezoek uitgevoerd op 28 september 1998 werden slechts 74 runderen geteld, ouder dan 2 jaar. Immers, de aangevraagde omvorming was reeds gerealiseerd. Daar de bouwvergunning voor deze stallen slechts werd afgeleverd op 3/07/1990 en de aktename dateert van 24/10/1990 is het vermoeden groot dat een groot deel van de aktename fictieve standplaatsen betreft. Immers, 1 van de twee grote stallen voor het houden van 24X8 stuks vleesstieren van 36 bij 60 meter werd niet gerealiseerd en stond nochtans aangegeven op het geviseerde plan van de aktename. Dit werd vastgesteld bij het plaatsbezoek van de VLM. Deze stal staat ook niet op het uittreksel uit het kadaster

(1997)in bijlage bij het dossier. De aktename kon echter slechts gebeuren voor die standplaatsen die op dat moment aanwezig waren, nl. 256 stuks grote zoogdieren. De stelling dat deze aktename slechts geldig is voor maximum 256 grote zoogdieren wordt bevestigd door de mestbankaangiftes. Voor de aanslagjaren 1991 en 1992 werden respectievelijk 272 en 217 grote zoogdieren (jongvee) aangegeven door MERVERA BVBA. Vanaf 1993 worden er meer dieren aangegeven. Echter toen gaf Peter Mertens tezamen aan met MERVERA BVBA. In 1996 en 1997 worden weer de dieren apart aangegeven en weer moet vastgesteld worden dat er slechts 200 resp. 138 stuks jongvee werden aangegeven. Derhalve kan gesteld worden dat er op deze inrichting slechts een vergunning is voor maximum 256 grote zoogdieren, waarvan 128 jonger dan één jaar en 128 tussen 1 en 2 jaar, overeenkomstig een vergunde mestproduktie van 3.526 kg P2O5. Aangezien: - de vergunningsaanvraag volledig en ontvankelijk verklaard werd op 5 januari 1998 zijn de bepalingen van artikel 4 van het Vergunningenbesluit van toepassing op deze aanvraag, - deze inrichting een vergunde mestproductie heeft van 3.526 kg P2O5, - de vergunningsaanvraag de bedoeling heeft om te komen tot een vergunde mestproductie van 7.641 kg P2O5, heeft de aanvraag betrekking op een aanvraag tot verandering met stijging van de vergunde mestproductie, zodanig dat de bepalingen van artikel 4, par. 2, 3/ van toepassing zijn, niet voldaan wordt aan alle criteria van artikel 4, par. 2, 3/, aangezien: - de inrichting gelegen is in een zwarte gemeente en de gevraagde verandering tot gevolg heeft dat de gemeentelijke reserve verder daalt onder nul (art. 4, par. 2, 3/,
  1. e)- de aanvrager van de vergunning de leeftijd van 45 jaar overschreden heeft (art. 4, par. 2, 3/,
  2. f)- door de vergunningsverlening het bedrijf waartoe de inrichting behoort de binnen het Mestdecreet voorzien maximumgrens overschrijdt (art. 3, par. 4) verleent de Vlaamse Landmaatschappij ongunstig advies voor de gevraagde vergunning tot verandering een inrichting zodat ze voortaan zou omvatten: een gemengd bedrijf, omvattende 37.000 slachtkippen VII-17.858-5/11 52 inheemse grote zoogdieren, waarvan: 52 runderen jonger dan 1 jaar mestopslagplaatsen met een totale capaciteit van 23.000 m³ dierlijke mest"; (
  3. d)op 15 oktober 1998 adviseert de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL ongunstig; in dat advies wordt er onder meer op gewezen dat een gedeelte van de vergunning van 24 oktober 1990 reeds is vervallen en wordt er overwogen dat één stal van 36 meter op 60 meter met 192 vleesstieren nooit werd gebouwd en geëxploiteerd, en dat in 1990 slechts akte genomen kon worden van die dieren welke op dat moment (3/4/90, wijziging van de ARAB-indelingslijst) aanwezig waren, namelijk 256 grote zoogdieren (1 stal voor 192 dieren en 1 stal voor 64 dieren); (
  4. e)op 16 oktober 1998 adviseert de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ongunstig; wat hierboven werd geëxcerpeerd uit het advies van de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL staat ook te lezen in het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; (
  5. f)op 26 oktober 1998 adviseert de Vlaamse Milieumaatschappij principieel gunstig. 1.6. Op 23 december 1998 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Het beroep wordt gegrond verklaard en de vergunning wordt geweigerd. De weigering is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat de inrichting volgens het voormelde gewestplan gelegen is op een afstand van: - 950 m van woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; - 600 m van woongebied met landelijk karakter; - 1.700 m van woonuitbreidingsgebied; - meer dan 2.000 m van parkgebied; - 850 m van een dagrecreatiegebied; - meer dan 1.000 m van natuurreservaat of natuurgebied met wetenschappelijke waarde; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat bij besluit van 24 oktober 1990 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels akte werd genomen van de aangifte van 448 runderen en 2.300 m³ mestopslag; dat volgens de beschikbare gegevens op het plan behorende bij bovenvermelde aktename 3 stallen aanwezig waren, namelijk 2 stallen van 36 m op 60 m met 2 x 24 x 8 = 2 x 192 vleesstieren en 1 stal van 32 m op 7 m met 16 x 4 = 64 vleesstieren (dus in totaal 192 + 192 + 64 = 448 stuks); Overwegende dat bij huidige milieuvergunningsaanvraag en ook ter plaatse werd vastgesteld dat het plan behorende bij besluit 24 oktober 1990 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels niet overeenstemt met de werkelijk uitgevoerde toestand; dat volgens de gegevens VII-17.858-6/11 van het inplantingsplan in bijlage 6 van de huidige milieuvergunningsaanvraag, er uiteindelijk 3 stallen werden gebouwd met volgende afmetingen: 2 pluimveestallen van 16 m op 60 m en 1 rundveestal van 7 m op 60 m; dat al deze stallen reeds in gebruik zijn; dat het duidelijk opvalt dat in het verleden één stal van 36 meter op 60 meter niet werd gebouwd en dat de andere stal van 36 meter op 60 meter werd vervangen door 2 pluimveestallen van 16 meter op 60 meter; dat bijgevolg één stal van 36 meter op 60 meter met (24 x 8 = 192 vleesstieren) nooit werd geëxploiteerd; dat in toepassing van artikel 28 van het Milieuvergunningsdecreet een gedeelte van de vergunning, namelijk voor 192 grote zoogdieren, van rechtswege is vervallen zodat slechts 256 grote zoogdieren als vergund kunnen worden beschouwd; Overwegende dat deze stelling trouwens wordt bevestigd door de dierenaantallen vermeld op het plan in bijlage 7 van de aanvraag waarin 'de bestaande toestand' voor de verandering wordt omschreven; dat op dit plan respectievelijk 2 maal 120 runderen en 1 maal 52 runderen zijn vermeld, dus samen 272 runderen wat veel minder is dan de oorspronkelijk vergunde 448 runderen; Overwegende dat in 1990 slechts akte kon genomen worden van die dieren welke op dat moment (3 april 1990, wijziging van de ARAB-indelingslijst) aanwezig waren, namelijk 256 grote zoogdieren (1 stal voor 192 dieren en 1 stal voor 64 dieren); dat trouwens pas in juli 1990 een bouwvergunning is verleend voor vleesstierenstallen, zodat kan verondersteld worden dat op 3 april 1990 nog minder dieren aanwezig waren; Overwegende dat volgens de gegevens, bevestigd door de Mestbankaangiftes, voor de aanslagjaren 1991 en 1992 respectievelijk 272 en 217 grote zoogdieren (jongvee) werden aangegeven; dat vanaf 1993 meer dieren werden aangegeven; dat voor de aanslagjaren 1996 en 1997 respectievelijk 200 en 136 stuks jongvee werden aangegeven, dus minder dan 50 %, zodat de vergunning volgens de ministeriële omzendbrief van 19 december 1996 inderdaad ambtshalve moet worden ingeperkt; dat derhalve kan gesteld worden dat er voor deze inrichting slechts een vergunning is voor maximum 256 grote zoogdieren, waarvan 128 stuks jonger dan 1 jaar en 128 stuks tussen 1 en 2 jaar, wat overeenkomt met een vergunde mestproductie van 3.526 kg P2O5/jaar; dat de aanvraag een verandering betreft door het omvormen van een gedeelte van de runderen naar vleeskippen om uiteindelijk een vergunning te verkrijgen voor 52 runderen jonger dan 1 jaar en 37.000 stuks pluimvee wat overeenkomt met een vergunde mestproductie van 7.567 kg P2O5/jaar; Overwegende dat de aanvraag een stijging van de- vergunde mestproductie inhoudt; dat in artikel 4, § 2, 3/ van het Vergunningenbesluit (besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikels 33 en 34 van het meststoffendecreet) wordt bepaald aan welke criteria een aanvraag tot verandering met stijging van de vergunde mestproductie dient te voldoen; dat volgens de gegevens van de Mestbank de inrichting niet voldoet aan artikel 3,§ 4 artikel 4, § 2, 3/
  6. e)en artikel 4, § 2,3/
  7. f)van het Vergunningenbesluit; Overwegende dat bezwaren aangehaald door de beroepsindiener kunnen bijgetreden worden; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, zelfs mits naleving van op te leggen milieuvergunningsvoorwaarden, niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep gegrond te verklaren en de bestreden beslissing op te heffen en de gevraagde vergunning te weigeren"; VII-17.858-7/11 2. De gegrondheid van het beroep 2.1. Overwegende dat verzoekende partij in een vierde middel de schending inroept "van de vergunning van 24 oktober 1990, van artikel 5 van het Mestdecreet, van artikel 1, 8/ van het Vergunningenbesluit en van het legaliteitsbeginsel"; dat zij doet gelden dat in het bestreden besluit de beweerdelijk vergunde productie van 3.526 kg. P2O5 per jaar wordt opgesplitst in enerzijds de mestproductie dewelke overeenstemt met 128 dieren jonger dan één jaar, en anderzijds de mestproductie dewelke overeenstemt met 128 dieren tussen één en twee jaar (samen 256 dieren), dat hiervoor evenwel geen wettelijke basis bestaat, dat op basis van de vergunning van 24 oktober 1990 zij zoogdieren mag houden van zowel minder dan één jaar, als zoogdieren tussen één en twee jaar, als zoogdieren van meer dan twee jaar, dat artikel 1, 8/, van het vergunningenbesluit het begrip "vergunde mestproductie" definieert als de productie waarvoor een op het moment van de aanvraag geldige vergunning bestond, dat die bepaling niet verwijst naar de mestproductie op basis van de subcategorie van dieren zoals die daadwerkelijk op een bepaald moment worden gehouden, dat derhalve dient te worden uitgegaan van de voor verzoekende partij op basis van haar vergunning van 24 oktober 1990 maximaal vergunde mestproductie, en zulks voor een aantal grote zoogdieren van 256, dat artikel 5 van het meststoffendecreet voorziet in een P2O5-norm van 29,6 voor "andere runderen", dat wanneer men 256 dieren als uitgangspunt neemt, zulks overeenstemt met een vergunde mestproductie van 7.577,6 kg P2O5/jaar, hetgeen hoger is dan de aangevraagde mestproductie van 7.567 kg P2O5/jaar; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat de minister bij de bepaling van de mestproductie rekening hield met de wettelijke bepalingen terzake, dat artikel 5 van het meststoffendecreet bepaalt dat voor de berekening van de productie van dierlijke mest per bedrijf uitgegaan dient te worden van productiehoeveelheden per dier en per jaar, dat daarenboven “ingevolge artikel 1, 7/, van het vergunningenbesluit wordt bepaald dat als productie bedoeld wordt enerzijds het aantal van elk van de diersoorten vermeld in artikel 5 van het mestdecreet waarvoor een vergunning aangevraagd wordt, en anderzijds de bijhorende productiehoeveelheden van disfosforpentoxyde eveneens vermeld in artikel 5 van het mestsdecreet”; 2.3. Overwegende dat verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog betoogt dat de minister zelf uitgaat van de vergunde mestproductie, dat de minister aldus zelf van oordeel is dat dient te worden uitgegaan VII-17.858-8/11 van de vergunning, dat het echter volstrekt onjuist is dat de vergunning betrekking zou hebben op 128 stuks jonger dan één jaar en 128 stuks tussen de één en de twee jaar, dat op 24 oktober 1990 hij immers een vergunning bekwam voor grote zoogdieren, zodat hij zowel zoogdieren mag houden van minder dan één jaar als zoogdieren van meer dan twee jaar, dat de artikelen 1, 8/, en 1, 9/, van het vergunningenbesluit verwijzen naar de productie met betrekking tot de bestaande vergunning, dat artikel 4, §2, 3/, van het vergunningenbesluit moet worden geïnterpreteerd in het licht van artikel 34 van het meststoffendecreet dat uitgaat van de vergunde mestproductie, en dat als artikel 4, §2, 3/, van het vergunningenbesluit niet conform artikel 34 van meststoffendecreet wordt geïnterpreteerd, het onwettig is; 2.4.1. Overwegende dat in de bestreden beslissing wordt overwogen "dat derhalve kan gesteld worden dat er voor deze inrichting slechts een vergunning is voor maximum 256 grote zoogdieren, waarvan 128 stuks jonger dan 1 jaar en 128 stuks tussen 1 en 2 jaar, wat overeenkomt met een vergunde mestproductie van 3.526 kg P2O5/jaar"; dat, voortgaande op die overweging, de minister zelf het begrip "vergunde mestproductie" hanteert; 2.4.2. Overwegende dat artikel 34, §3, 5/, van het meststoffendecreet bepaalt dat voor veehouderijen nog een vergunning kan worden verleend indien "de milieuvergunningsaanvraag betrekking (heeft) op het veranderen van een bestaande veeteeltinrichting zonder verhoging van de vergunde mestproductie"; dat voorts artikel 1, 8/, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (vergunningenbesluit) de "vergunde productie " omschrijft als "de productie waarvoor een op het moment van de aanvraag geldige vergunning bestond"; dat artikel 1, 9/, van het vergunningenbesluit de "bijkomend te vergunnen productie" omschrijft als "de productie die in het kader van het VLAREM als uitbreiding of toevoeging aan een bestaande vergunning wordt gevraagd"; dat voortgaande op die definities diende te worden uitgegaan van de bestaande vergunning; dat dit inhoudt dat de verwerende partij rekening diende te houden met de vergunning bij wege van aktename van 24 oktober 1990; dat die vergunning betrekking had op onder meer 448 "runderen", zonder nadere precisering qua leeftijd; dat op basis van die aktename dus ook "andere runderen" mochten worden gehouden, waarvan sprake in artikel 5, § 1, van het meststoffendecreet; VII-17.858-9/11 Overwegende dat, aangenomen dat er door het gedeeltelijk verval van de vergunning een reductie was tot 256 runderen, en in acht genomen dat voor de berekening van de mestproductie 256 "andere runderen" als uitgangspunt konden worden genomen, dit volgens de tabel opgenomen in artikel 5 van het meststoffendecreet een vergunde mestproductie van 7.577,6 kg P2O5 geeft, hetgeen meer is dan de mestproductie die na de beoogde omvorming zou ontstaan, met name 7.567 kg P2O5 per jaar; dat er alsdan geen stijging van de mestproductie is; 2.4.3. Overwegende dat het vierde middel gegrond is; 2.5. Overwegende dat aangezien de door de verzoekende partij aangevraagde mestproductie 7.567 kg P2O5 per jaar bedraagt, terwijl de gegrondheid van het vierde middel inhoudt dat de verwerende partij rekening diende te houden met een vergunde mestproductie van 7.577,6 kg P2O5, de andere middelen niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden; dat de stelling van de verzoekende partij ter terechtzitting dat een eventuele gegrondheid van de overige middelen er toe leidt dat de verzoekende partij nog meer dieren kan houden niet opgaat; dat de overige middelen immers betrekking hebben op de in het bestreden besluit voor de berekening van de vergunde mestproductie aangenomen stelling dat de vergunning van 24 oktober 1990 gedeeltelijk vervallen is, terwijl reeds de gegrondheid van het vierde middel meebrengt dat de destijds vergunde mestproductie hoger lag dan de mestproductie die de in het geding zijnde milieuvergunningsaanvraag tot gevolg heeft; dat dienvolgens de andere middelen niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden, zodat niet moet worden ingegaan op de vraag van de verzoekende partij in haar laatste memorie om ook de andere middelen te onderzoeken, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 23 december 1998 waarbij het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 11 juni 1998, houdende het verlenen van de vergunning aan de b.v.b.a. MERVERA om een inrichting gelegen te Ravels, Arendonksesteenweg 28, te veranderen, gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en de vergunning wordt geweigerd. VII-17.858-10/11 Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing en van het annulatieberoep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.858-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.936 Gerelateerde publicatie(
  8. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.81.392 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.